rijden
conduire
gebruiken
employer
gooien
jeter
hebben
avoir
eten
manger
kopen
acheter
weggaan, vetrekken
partir
(uit)doven
éteindre
eindigen
finir
wachten
attendre
zijn
étre
denken
penser
studeren
étudier
vooruitgaan
avancer
roepen, noemen
appeler
hopen
espérer
openen
ouvrir
gaan
aller
doen, maken
faire
komen
venir
houden
tenir
nemen
prendre
kunnen, mogen
pouvoir
willen
vouloir