ik …
ben
jij …
bent
je …
bent
u …
bent
hij …
is
he …
is
zij (enkelvoud) …
is
ze (enkelvoud) …
is
wij …
zijn
we …
zijn
jullie …
zijn
zij (meervoud) …
zijn
ze (meervoud) …
zijn
ik … [verleden tijd]
was
jij … [verleden tijd]
was
je … [verleden tijd]
was
u … [verleden tijd]
was
hij … [verleden tijd]
was
zij (enkelvoud) … [verleden tijd]
was
ze (enkelvoud) … [verleden tijd]
was
wij … [verleden tijd]
waren
we … [verleden tijd]
waren
jullie … [verleden tijd]
waren
zij (meervoud) … [verleden tijd]
waren