2.4 Flashcards

(10 cards)

1
Q

bevruchting

A

kern van een eicel smelt samen met de kern van een zaadcel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

eeneiige tweeling

A

tweeling die ontstaat uit 1 bevruchte eicel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

embryo

A

zich ontwikkelend ongeboren kind

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

foetus

A

embryo vanaf de derde maand van de zwangerschap

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

innesteling

A

een klompje cellen zet zich vast in het baarmoederslijmvlies

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

navelstreng

A

weefsel van het embryo waardoor bloed stroomt van het embryo naar de placenta en weer terug

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

placenta (moederkoek)

A

orgaan bestaande uit weefsel van de moeder en het ongeboren kind

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

twee-eiige tweeling

A

tweeling die ontstaat uit 2 bevruchte eicellen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

vruchtvliezen

A

vliezen die om het embryo liggen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

vruchtwater

A

vloeistof die het embryo omgeeft

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly