to enjoy
genieten van
to enjoy oneself
genieten
urge
(aan)drang
ordeal (2)
kwelling/beproeving
to boast/to brag (2)
opscheppen/pochen
reluctantly
met tegenzin
reluctance
tegenzin
disgust (2)
walging/afschuw
disgusting
walgelijk
hectic (2)
hectisch/erg druk
to embrace
omhelzen
to hug
omhelzen
a nuisance
overlast
what a nuisance
wat vervelend
depressing
deprimerend
token (2)
teken/bewijs
ruthless/remorseless
meedogenloos
fit (2)
aanval/vlaag
excited
opgewonden
excitement
opwinding
exciting
opwindend
foreboding
voorgevoel
creepy (2)
griezelig/eng
inhibited
geremd