Basis Flashcards

(177 cards)

1
Q

Diabetes Mellitus Type 1 (DMT1)

A

Auto-immuunziekte die op jonge leeftijd ontstaat, waarbij bètacellen in de alvleesklier worden vernietigd en er geen insuline meer wordt geproduceerd.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Symptomen DMT1

A

Acuut en flink ziek zijn, met symptomen als dorst, gewichtsverlies en verhoogde vatbaarheid voor infecties.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Pathofysiologie DMT2

A

Een combinatie van insulineresistentie en een relatief tekort aan insulineproductie, vaak gerelateerd aan levensstijl en genetische aanleg.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Microvasculaire complicaties DM

A

Complicaties in de kleine bloedvaten, zoals neuropathie (zenuwschade) en nefropathie (nierschade).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Macrovasculaire complicaties DM

A

Complicaties in de grote bloedvaten, wat leidt tot een 2-4x hogere kans op cardiovasculaire aandoeningen zoals een hartinfarct of CVA.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Perifere neuropathie bij DM

A

Schade aan de sensibele zenuwen, wat leidt tot tintelingen, een dof gevoel, gevoelloosheid of pijn, meestal beginnend in de voeten of tenen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Stil hartinfarct

A

Een hartinfarct dat niet wordt gevoeld door de patiënt, een cardiovasculaire complicatie bij diabetes.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

HbA1c-waarde

A

Een maat voor het gemiddelde bloedglucosegehalte over de afgelopen 2-3 maanden; een waarde > 53 mmol/mol leidt tot meer complicaties.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Streefwaarden bloedglucose (DM)

A

Een bloedglucose (BG) tussen 4 en 10 mmol/l.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Hypoglykemie symptomen

A

Autonome (zweten, trillen, hartkloppingen) en neuroglycopene (verwardheid, vreemd gedrag, slaperigheid) symptomen door een te lage bloedsuiker.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Invloed alcohol op bloedglucose

A

Alcohol remt de gluconeogenese in de lever, wat later kan leiden tot een hypoglykemie, ondanks een initiële stijging van de bloedglucose.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Hypoglykemie unawareness

A

Het niet meer voelen van de waarschuwingssignalen van een naderende hypoglykemie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Continue Glucose Meter (CGM)

A

Een sensor die continu de glucose in het interstitiële vocht meet en trends en alarmen kan geven bij hoge of lage waarden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Werking Metformine

A

Verhoogt de insulinegevoeligheid en vermindert de gluconeogenese (glucoseproductie) in de lever.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Werking SU-derivaten (bv. gliclazide)

A

Stimuleren de alvleesklier om meer insuline af te geven, met als risico hypoglykemie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

LADA (Type 1,5 Diabetes)

A

Latent Autoimmune Diabetes in Adults; een langzaam progressieve vorm van auto-immuun diabetes die op latere leeftijd (> 30 jaar) begint.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

MODY

A

Maturity Onset Diabetes of the Young; een erfelijke vorm van diabetes die begint tussen 10-25 jaar, waarbij de alvleesklier te weinig insuline afgeeft.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Diabetische Ketoacidose (DKA)

A

Een levensbedreigende toestand, vooral bij DMT1, waarbij het lichaam vetten verbrandt en zure ketonen produceert door een absoluut insulinetekort.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Symptomen DKA

A

Misselijkheid, braken, uitdroging, Kussmaul-ademhaling (snelle, diepe ademhaling), en een geur van aceton in de adem.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Hyperosmolair Hyperglykemisch Syndroom (HHS)

A

Een levensbedreigende toestand bij DMT2 met extreem hoge bloedglucose (>40 mmol/l) en ernstige uitdroging, meestal zonder ketoacidose.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Diaboulimia

A

Het opzettelijk weglaten van insuline om gewicht te verliezen, een levensgevaarlijke eetstoornis die vaker voorkomt bij DMT1.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Atherosclerose

A

Een geleidelijk en progressief proces van slagaderverkalking en -vernauwing, wat leidt tot functieverlies en ziekte.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Endotheeldysfunctie

A

Een voorloper van atherosclerose waarbij de binnenbekleding van de slagader (endotheel) niet goed functioneert.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Symptomen hart- en vaatziekten (HVZ)

A

Pijn op de borst (angina pectoris), hartkloppingen (palpitaties), kortademigheid (dyspneu), oedeem en vermoeidheid.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Psychologische risicofactoren HVZ
Depressie, angst, boosheid/hostiliteit en Type D persoonlijkheid.
26
Cardiale angst
Specifieke angst voor hartgerelateerde sensaties en situaties, wat kan leiden tot vermijdingsgedrag en slechtere therapietrouw.
27
Type D persoonlijkheid
Een combinatie van hoge negatieve affectiviteit (NA) en hoge sociale inhibitie (SI), geassocieerd met een slechtere prognose bij HVZ.
28
Aneurysma
Een permanente, gelokaliseerde verwijding van een slagader, vaak in de buikaorta (AAA).
29
Wet van Laplace (aneurysma)
De wandspanning in een bloedvat is evenredig aan de druk en de diameter; een grotere diameter verhoogt de kans op een ruptuur.
30
Behandeling AAA
Een open operatie (open repair) of een endovasculaire procedure (EVAR) om een kunststof prothese te plaatsen.
31
Cerebrovasculair Accident (CVA)
Een beroerte, die kan worden onderverdeeld in een herseninfarct (80%, verstopping) of een hersenbloeding (20%).
32
FAST-test (beroerte)
Een snelle test om een beroerte te herkennen: Face (scheve mond), Arm (uitval), Speech (spraak), Time (tijd is cruciaal).
33
Transient Ischemic Attack (TIA)
Een tijdelijke, voorbijgaande uitval van hersenfuncties die meestal minder dan een uur duurt en vanzelf oplost.
34
Systolisch hartfalen
Het hart kan niet krachtig genoeg samentrekken (verminderde pompfunctie), wat leidt tot een verzwakte hartspier.
35
Diastolisch hartfalen
Het hart is verstijfd en kan zich niet goed ontspannen en vullen met bloed, vaak door hypertensie of fibrose.
36
Symptomen hartfalen
Kortademigheid (dyspneu), vermoeidheid, vocht vasthouden (oedeem in benen en longen) en een verhoogde hartfrequentie.
37
INOCA
Ischemia with No Obstructive Coronary Artery disease; ischemieklachten zonder significante vernauwingen in de grote kransslagaders, vaak door problemen in de microcirculatie.
38
SCAD
Spontaneous Coronary Artery Dissection; een spontane scheur in de wand van een kransslagader, die vaker voorkomt bij jonge vrouwen.
39
Symptomen kransslagaderlijden (vrouwen)
Vaak atypisch: extreme moeheid, kortademigheid, pijn tussen de schouderbladen, misselijkheid en een onrustig gevoel, vaak in rust.
40
Cardiogenetica
Het specialisme dat zich bezighoudt met erfelijke hart- en vaatziekten, zoals familiaire hypercholesterolemie en cardiomyopathieën.
41
Hypertrofische Cardiomyopathie (HCM)
Een erfelijke aandoening waarbij de hartspier abnormaal verdikt is, wat het pompen van bloed kan belemmeren.
42
Long QT-syndroom
Een erfelijke hartritmestoornis (channelopathie) die het risico op gevaarlijke ventriculaire aritmieën en plotse hartdood verhoogt.
43
Psychologische impact cardiogenetica
Onzekerheid, angst (vooral ziektegerelateerd), depressie, 'survivor guilt' bij niet-dragers, en zorgen over het doorgeven aan kinderen.
44
Perifeer Arterieel Vaatlijden (PAV)
Slagaderverkalking in de slagaders van de benen, wat leidt tot pijn bij inspanning (etalagebenen).
45
Fontaine-classificatie (PAV)
Een classificatiesysteem voor de ernst van PAV, variërend van asymptomatisch (I) tot pijn in rust of weefselverlies (III/IV).
46
Behandeling PAV
In eerste instantie conservatief met gesuperviseerde looptraining, stoppen met roken en medicatie; bij ernstige klachten dotteren of een bypass.
47
Psychologische aspecten PAV
Depressie komt vaak voor, is onder-gediagnosticeerd en geassocieerd met slechtere therapietrouw, lagere QoL en hogere mortaliteit.
48
Paniekstoornis
Een angststoornis gekenmerkt door terugkerende, onverwachte paniekaanvallen en de angst voor nieuwe aanvallen.
49
Paniekcirkel
Een vicieuze cirkel waarbij lichamelijke sensaties leiden tot rampgedachten, wat angst veroorzaakt en de lichamelijke sensaties verder versterkt.
50
Hartrevalidatie
Een multidisciplinair programma (fysio, psycholoog, diëtist) om patiënten te helpen fysiek, psychisch en sociaal te herstellen na een hartaandoening.
51
PEP-module
Psycho-Educatieve Preventie module binnen hartrevalidatie, gericht op het aanleren van vaardigheden voor o.a. stressmanagement en omgaan met angst.
52
Acuut Coronair Syndroom (ACS)
Een verzamelnaam voor acute manifestaties van ischemische hartziekte, waaronder instabiele angina pectoris en een myocardinfarct (STEMI/NSTEMI).
53
STEMI vs. NSTEMI
STEMI (ST-elevatie myocardinfarct) wordt veroorzaakt door een volledige afsluiting van een kransslagader, terwijl bij NSTEMI de afsluiting niet volledig is.
54
Diagnose Myocardinfarct
Gebaseerd op klachten, ECG-veranderingen (ST-elevatie/depressie) en verhoogde hartenzymen in het bloed (troponine).
55
Behandeling STEMI
Acute revascularisatie door middel van een dotterprocedure (PCI) om de afgesloten kransslagader zo snel mogelijk te openen.
56
Stil infarct
Een hartinfarct waarbij de symptomen niet als zodanig worden herkend, wat vaker voorkomt bij ouderen en vrouwen.
57
Spirometrie (longfunctie)
Een test die de longinhoud en de snelheid van luchtverplaatsing meet, met belangrijke waarden als FEV1 en FVC.
58
Tiffeneau-index (FEV1/FVC)
De verhouding tussen het volume dat in de eerste seconde van een geforceerde uitademing wordt uitgeblazen (FEV1) en de totale geforceerde vitale capaciteit (FVC); een waarde < 70% wijst op obstructie.
59
Obstructief Slaapapneu (OSA)
Herhaaldelijke ademstops tijdens de slaap veroorzaakt door een blokkade van de bovenste luchtwegen, ondanks de ademhalingsdrive.
60
Centraal Slaapapneu (CSA)
Ademstops tijdens de slaap door een gebrek aan aansturing vanuit de hersenen (geen ademhalingsdrive), vaak geassocieerd met hartfalen.
61
Behandeling OSA
Continue positieve luchtwegdruk (CPAP) via een masker om de luchtwegen open te houden tijdens de slaap.
62
Palliatieve zorg (vier dimensies)
Een benadering gericht op het verbeteren van de kwaliteit van leven, die zich richt op somatische, psychische, sociale en spirituele aspecten.
63
Acceptance and Commitment Therapy (ACT)
Een vorm van gedragstherapie die gericht is op het accepteren van onvermijdelijke gedachten en gevoelens, en het handelen naar persoonlijke waarden.
64
Psychologische flexibiliteit (ACT)
Het vermogen om in het hier en nu te zijn, open te staan voor ervaringen en te handelen in lijn met je waarden.
65
Astma
Een chronische ontstekingsziekte van de luchtwegen, gekenmerkt door variabele en reversibele luchtwegobstructie en bronchiale hyperreactiviteit.
66
COPD
Chronic Obstructive Pulmonary Disease; een chronische longziekte met persisterende, progressieve luchtwegobstructie die niet volledig reversibel is, meestal veroorzaakt door roken.
67
Verschil Astma vs. COPD
Astma begint vaak op jonge leeftijd, is variabel en reversibel, en wordt behandeld met ontstekingsremmers. COPD begint >40 jaar, is progressief en grotendeels irreversibel.
68
Longaanval (exacerbatie)
Een acute verergering van de symptomen (kortademigheid, hoesten, slijmproductie) die een aanpassing van de behandeling vereist.
69
Behandeling COPD
Stoppen met roken is cruciaal, aangevuld met luchtwegverwijders (LAMA/LABA) en eventueel inhalatiecorticosteroïden, naast niet-medicamenteuze interventies zoals longrevalidatie.
70
Longkanker (typen)
Onderverdeeld in kleincellig longcarcinoom (SCLC, agressiever) en niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC, vaker voorkomend).
71
TNM-classificatie (longkanker)
Een stadiëringssysteem gebaseerd op de grootte van de Tumor (T), de aantasting van lymfeklieren/Nodus (N) en de aanwezigheid van Metastasen (M).
72
Targeted therapy (longkanker)
Medicatie die zich specifiek richt op kankercellen met een bepaalde genetische mutatie (zoals EGFR), vaak effectiever en met minder bijwerkingen dan chemotherapie.
73
Immunotherapie (longkanker)
Een behandeling die het eigen immuunsysteem van de patiënt activeert om kankercellen aan te vallen en te vernietigen.
74
Psychologische fasen bij kanker
De acute fase (diagnose), chronische fase (leven met/na kanker), chronisch palliatieve fase, en de palliatief-terminale fase, elk met eigen stressoren.
75
Kankergerelateerde vermoeidheid (CRF)
Een aanhoudend, subjectief gevoel van uitputting gerelateerd aan kanker of de behandeling, dat niet in verhouding staat tot recente activiteit en het functioneren verstoort.
76
Instandhoudende factoren CRF
Onvoldoende verwerking, angst voor recidief, verstoord slaap-waakritme, dysfunctionele opvattingen en een verstoord activiteitenpatroon.
77
Window of Tolerance
De bandbreedte van spanning waarbinnen een persoon optimaal kan functioneren; trauma kan dit venster verkleinen, wat leidt tot hyper- of hypoarousal.
78
Triple diagnostiek (borstkanker)
Een diagnostische aanpak bestaande uit drie onderdelen: lichamelijk onderzoek, beeldvorming (mammografie/echo) en een biopt.
79
BI-RADS classificatie
Een gestandaardiseerd systeem om de bevindingen van beeldvorming van de borst te categoriseren, variërend van 0 (incompleet) tot 6 (bewezen maligne).
80
Borstkanker receptoren
Hormoonreceptoren (oestrogeen ER, progesteron PR) en de HER2-receptor; hun aan- of afwezigheid bepaalt de keuze voor hormonale of doelgerichte therapie.
81
Borstsparende therapie
Een operatie waarbij alleen de tumor met een rand gezond weefsel wordt verwijderd (lumpectomie), gevolgd door radiotherapie.
82
Sentinel node procedure
Een procedure om de eerste lymfeklier(en) (schildwachtklier) te identificeren en te verwijderen waarheen kankercellen het eerst zouden uitzaaien, om onnodige okseloperaties te voorkomen.
83
Neo-adjuvante therapie
Systemische therapie (zoals chemotherapie) die vóór de operatie wordt gegeven om de tumor te verkleinen en de operabiliteit te verbeteren.
84
Adjuvante therapie
Aanvullende behandeling na de primaire behandeling (zoals een operatie) om het risico op terugkeer van de kanker te verminderen.
85
Screening (Wilson & Jungner)
Een set van 10 criteria om te bepalen of een screeningsprogramma voor een ziekte zinvol en ethisch verantwoord is.
86
Lead-time bias
Een schijnbare verlenging van de overlevingstijd door vroege detectie via screening, zonder dat de daadwerkelijke levensduur wordt verlengd.
87
Length-time bias
Een overschatting van de effectiviteit van screening omdat deze methode vaker langzaam groeiende, minder agressieve tumoren detecteert.
88
Shared Decision Making (SDM)
Een proces waarbij de arts en de patiënt samen de beste behandeloptie kiezen, gebaseerd op medische evidentie en de waarden en voorkeuren van de patiënt.
89
POH-GGZ
Praktijkondersteuner Huisartsenzorg Geestelijke Gezondheidszorg; biedt laagdrempelige, kortdurende psychologische zorg en ondersteuning in de huisartsenpraktijk.
90
Palliatieve sedatie
Het opzettelijk verlagen van het bewustzijn van een patiënt in de laatste levensfase om ondraaglijk lijden te verlichten.
91
Euthanasie
Levensbeëindiging op verzoek van de patiënt zelf, uitgevoerd door een arts onder strikte wettelijke voorwaarden van ondraaglijk en uitzichtloos lijden.
92
Artrose
Een aandoening van het gewricht waarbij het kraakbeen in kwaliteit achteruitgaat en dunner en zachter wordt (slijtage).
93
Multitrauma
Het hebben van meerdere ernstige letsels tegelijkertijd, vaak als gevolg van een ongeval.
94
Golden Hour (trauma)
Het eerste uur na een ernstig trauma, waarin snelle en adequate medische interventie cruciaal is voor de overlevingskans van de patiënt.
95
ABCDE-methode
Een systematische aanpak voor de opvang van traumapatiënten: Airway, Breathing, Circulation, Disability, Exposure/Environment.
96
Complex Regionaal Pijnsyndroom (CRPS)
Een abnormaal sterke en pijnlijke reactie van het lichaam na een letsel of operatie, die niet in verhouding staat tot de oorspronkelijke schade.
97
Wet Verbetering Poortwachter
Een wet die werkgevers en werknemers verplicht zich samen in te spannen voor de re-integratie van de zieke werknemer gedurende de eerste twee ziektejaren.
98
Wet WIA
Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen; regelt een uitkering voor werknemers die na twee jaar ziekte nog (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt zijn.
99
Zelfmanagement (chronische ziekte)
Het vermogen van een individu om de symptomen, behandeling, en de fysieke en psychosociale gevolgen van een chronische aandoening te hanteren.
100
Idiopathische Pulmonale Fibrose (IPF)
Een progressieve en fatale longziekte gekenmerkt door littekenvorming (fibrose) in de longen, met een onbekende oorzaak.
101
Symptomen IPF
Langzaam progressieve kortademigheid bij inspanning (dyspneu), een droge, aanhoudende hoest en trommelstokvingers.
102
Behandeling IPF
Antifibrotische medicatie (zoals nintedanib of pirfenidon) om de progressie van de ziekte te vertragen; longtransplantatie is de enige curatieve optie.
103
Advanced Care Planning (ACP)
Een proces waarbij een patiënt met zijn naasten en zorgverleners praat over zijn wensen en doelen voor toekomstige zorg, met name voor het levenseinde.
104
Dyspneu (benauwdheid)
Een subjectieve, onaangename gewaarwording van de ademhaling, die een grote impact heeft op de kwaliteit van leven.
105
Voorspelbaarheid dyspneu
Dyspneu kan variëren van voorspelbaar (bij inspanning) tot volledig onvoorspelbaar en aanvalsgewijs, wat de psychologische last verhoogt.
106
Ziektecognities
De gedachten en overtuigingen die een patiënt heeft over zijn ziekte, die het gedrag (zoals therapietrouw) en de emotionele reactie beïnvloeden.
107
Tracheostoma
Een operatieve opening in de hals naar de luchtpijp om de ademhaling te vergemakkelijken, vaak met plaatsing van een canule.
108
Complicaties PAV-interventie
Nabloeding, infectie, trombose van de bypass of stent, en neointimahyperplasie (littekenvorming) wat leidt tot hernieuwde vernauwing.
109
Fasische bloedstroom
Een normaal doorstroompatroon in de slagaders van de benen, dat drie fasen kent (trifasisch), wat wijst op gezonde, elastische vaten.
110
Doodsoorzaken bij DM
Cardiovasculaire ziekten zijn de oorzaak van overlijden bij ongeveer 80% van de patiënten met diabetes mellitus.
111
Cardiovasculair risicoprofiel
Een inventarisatie van risicofactoren voor hart- en vaatziekten, zoals roken, hypertensie, hypercholesterolemie, en familiaire belasting.
112
Bariatrische chirurgie
Een operatie om overgewicht te behandelen (bv. gastric bypass), die bij patiënten met een BMI > 35 en DMT2 direct kan leiden tot remissie van diabetes.
113
Glykemische Index (GI)
Een maat die aangeeft hoe snel koolhydraten uit een voedingsmiddel in het bloed worden opgenomen en de bloedsuikerspiegel verhogen.
114
Gevoeligheid (screeningstest)
Het vermogen van een test om de personen die de ziekte daadwerkelijk hebben correct als ziek te identificeren (terecht-positieven).
115
Specificiteit (screeningstest)
Het vermogen van een test om de personen die de ziekte niet hebben correct als gezond te identificeren (terecht-negatieven).
116
Positief Voorspellende Waarde (PVV)
De kans dat een persoon met een positieve testuitslag de ziekte ook daadwerkelijk heeft; deze waarde is afhankelijk van de prevalentie.
117
Zwangerschapsdiabetes (GDM)
Een tijdelijke vorm van diabetes die ontstaat tijdens de zwangerschap en het risico op complicaties voor moeder en kind verhoogt, evenals het risico op DMT2 later in het leven.
118
PCOS en diabetesrisico
Polycysteus ovariumsyndroom (PCOS) is een risicofactor voor het ontwikkelen van insulineresistentie en diabetes type 2.
119
Functies van eiwitten
Dienen als bouwstenen, enzymen, transportmoleculen, hormonen en antilichamen, en reguleren de vloeistofbalans.
120
Functies van koolhydraten
Dienen primair als brandstof (energie) en spelen een rol in de regulatie van de bloedglucosespiegel.
121
Functies van vetten
Leveren energie, dienen als opslag, vormen bouwstenen voor cellen en zijn essentieel voor de opname van vetoplosbare vitamines (A, D, E).
122
Basaal Metabolisme (BMR)
De hoeveelheid energie (kcal) die een persoon in rust nodig heeft om de basale lichaamsfuncties te onderhouden.
123
Plaqueruptuur
Het scheuren van een atherosclerotische plaque, wat leidt tot de vorming van een trombus en een acuut coronair syndroom kan veroorzaken.
124
Hartrevalidatie (doelen)
Sterfte en ziekte verminderen, functioneren en kwaliteit van leven verbeteren, en leefstijlgerelateerde risicofactoren reduceren.
125
Bronchiale hyperreactiviteit
Een verhoogde gevoeligheid van de luchtwegen voor specifieke (allergenen) en aspecifieke (rook, koude lucht) prikkels, kenmerkend voor astma.
126
Emfyseem
Een vorm van COPD waarbij de wanden van de longblaasjes (alveoli) beschadigd en uitgerekt zijn, wat de gaswisseling bemoeilijkt.
127
Longvolumereductie
Een behandeling voor emfyseem waarbij de meest beschadigde delen van de long worden verwijderd of afgesloten om de functie van de gezondere delen te verbeteren.
128
Bloom-Richardson gradering
Een systeem om de agressiviteit van borstkankercellen te beoordelen (graad 1-3) op basis van hoe afwijkend ze zijn van normale borstcellen.
129
Mesothelioom
Een zeldzame, agressieve vorm van kanker van het borstvlies (pleura), bijna altijd veroorzaakt door blootstelling aan asbest.
130
Posttraumatische groei
Positieve psychologische veranderingen die mensen ervaren als gevolg van het worstelen met een zeer uitdagende levenscrisis, zoals kanker.
131
Fractuur (gecompliceerd)
Een botbreuk waarbij het bot door de huid steekt (open fractuur), wat een hoog risico op infectie met zich meebrengt.
132
Belasting vs. belastbaarheid
Een model in de arbeidsgeneeskunde dat de relatie beschrijft tussen de eisen van het werk (belasting) en wat een werknemer aankan (belastbaarheid).
133
Patiënt Activatie Meetinstrument (PAM)
Een instrument om de kennis, vaardigheden en het vertrouwen van een patiënt in het managen van de eigen gezondheid te meten.
134
Oorzaak DMT1
Een ontspoorde afweerreactie tegen de bètacellen in de Eilandjes van Langerhans, beïnvloed door genetische aanleg en omgevingsfactoren.
135
Rol incretinehormonen
Stimuleren de insulineafgifte na een maaltijd, vertragen de maaglediging en geven een signaal van verzadiging aan de hersenen.
136
Effectieve looptraining (PAV)
Lopen tot de pijngrens, even rusten tot de pijn weg is, en dan weer verder lopen; dit stimuleert de vorming van nieuwe bloedvaatjes (collateralen).
137
Behandeling carotisstenose
Bij symptomatische patiënten met een significante vernauwing wordt een operatie (CEA) aanbevolen om de halsslagader schoon te maken.
138
Symptomen paniekaanval
Een plotselinge golf van intense angst met lichamelijke symptomen zoals hartkloppingen, zweten, trillen, ademnood en de vrees om de controle te verliezen of dood te gaan.
139
Diagnose astma
Gebaseerd op typische symptomen, een wisselend beloop en het aantonen van reversibele luchtwegobstructie na toediening van een luchtwegverwijder.
140
Pack years
Een maat voor de cumulatieve blootstelling aan tabaksrook, berekend door het aantal pakjes sigaretten per dag te vermenigvuldigen met het aantal jaren dat iemand heeft gerookt.
141
Gevolgen borstbestraling
Kan schade veroorzaken aan omliggende weefsels zoals het hart en de longen, wat op lange termijn het risico op hart- of longaandoeningen kan verhogen.
142
Rouwverwerking (Kübler-Ross)
Een model dat vijf fasen beschrijft die mensen kunnen doorlopen na een ingrijpend verlies: ontkenning, woede, marchanderen (onderhandelen), depressie en aanvaarding.
143
Behandeling longfibrose
Gericht op het remmen van de progressie van littekenvorming, symptoombestrijding (zuurstof, morfine bij dyspneu) en eventueel een longtransplantatie.
144
Oorzaken hypertensie
Meestal een combinatie van erfelijke aanleg en leefstijlfactoren zoals overgewicht, zoutinname, alcoholgebruik, stress en weinig beweging.
145
Stikstofoxide (NO) functie
Een endotheel-afhankelijke vaatverwijdende stof die een belangrijke rol speelt in de regulatie van bloeddruk en nierfunctie.
146
Correctieregel (insuline)
Geeft aan hoeveel mmol/l de bloedglucose daalt door 1 eenheid (EH) kortwerkende insuline, gebruikt om een te hoge bloedsuiker te corrigeren.
147
Koolhydraatratio (insuline)
De verhouding tussen het aantal gram koolhydraten en het aantal eenheden (EH) insuline dat nodig is om deze koolhydraten te verwerken.
148
Insulinepomp (indicaties)
Inadequate diabetesregulatie (hoge HbA1c), grote variabiliteit in bloedsuikers, of significante hypoglykemieën/hypoglykemie-unawareness.
149
BODE-index (COPD)
Een score die de prognose van COPD-patiënten inschat op basis van BMI, luchtwegobstructie (FEV1), Dyspneu (MRC-schaal) en inspanningscapaciteit (6-minuten wandeltest).
150
Effect SSRI's op boosheid
Kunnen boosheid en hostiliteit reduceren door de serotoninebalans in de hersenen te herstellen, wat het cardiovasculaire risico kan verlagen.
151
Pijn bij angina pectoris
Een drukkende, knijpende pijn op de borst, vaak uitstralend naar de linkerarm, die optreedt bij inspanning, kou of emotie en verdwijnt in rust.
152
Behandeling stabiele angina pectoris
Medicatie ('big five': acetylsalicylzuur, bètablokker, statine, ACE-remmer) en een nitraat voor symptoombestrijding.
153
Psychologische behandeling (longrevalidatie)
Gericht op het verbeteren van coping, stressmanagement, en het doorbreken van de paniekcirkel rondom benauwdheid, vaak met technieken uit CGT of ACT.
154
Urogenitale klachten (DM)
Kunnen bestaan uit een neurogene blaas (urine blijft achter) en seksuele disfunctie (erectieproblemen, verminderd libido).
155
Functie bloedplasma
Het vloeibare deel van het bloed dat water, eiwitten, zouten en andere stoffen bevat en dient voor transport.
156
Hematocriet (Ht)
De verhouding van het volume van de rode bloedcellen ten opzichte van het totale bloedvolume; een maat voor de 'dikte' van het bloed.
157
Behandeling ischemisch CVA
Zo snel mogelijk trombolyse (infuus met stolseloplossende medicatie) of een trombectomie (mechanisch verwijderen van het stolsel).
158
Oorzaken hartfalen
Vaak het gevolg van kransslagaderlijden (hartinfarct), langdurige hoge bloeddruk, kleplijden of een hartspierziekte (cardiomyopathie).
159
Takotsubo cardiomyopathie
Ook bekend als 'gebroken-hartsyndroom', een tijdelijke verzwakking van de hartspier, vaak uitgelokt door acute, heftige emotionele of fysieke stress.
160
Slaapapneu en HVZ
Onbehandeld slaapapneu verhoogt het risico op hypertensie, hartritmestoornissen, hartfalen en beroertes door de herhaalde zuurstofdalingen en stressreacties.
161
Psychologische gevolgen van een ICD
Angst voor schokken, vermijdingsgedrag, zorgen over het lichaamsbeeld en een verhoogd risico op angststoornissen en depressie.
162
Arbeidsre-integratie na HVZ
Vaak bemoeilijkt door fysieke beperkingen, vermoeidheid, angst, en de noodzaak om een nieuwe balans te vinden tussen belasting en belastbaarheid.
163
Longrevalidatie (doelen)
Verbeteren van inspanningscapaciteit, verminderen van symptomen zoals dyspneu, verhogen van zelfmanagement en verbeteren van de kwaliteit van leven.
164
Klinische arbeidsgeneeskunde
Een specialisme dat zich richt op het verband tussen werk en gezondheid, en het begeleiden van patiënten met chronische aandoeningen bij werkgerelateerde vraagstukken.
165
Invloed psychosociale stress op hart
Chronische stress kan via endotheelbeschadiging, verhoogde bloeddruk en ongezond gedrag het proces van atherosclerose versnellen.
166
Doel palliatieve zorg
Het bieden van de hoogst mogelijke kwaliteit van leven voor patiënten en hun naasten die geconfronteerd worden met een levensbedreigende aandoening.
167
Behandeling paniekstoornis (longpatiënt)
Doorbreken van de paniekcirkel met psycho-educatie, ademhalingsoefeningen en het uitdagen van rampgedachten, terwijl rekening wordt gehouden met reële lichamelijke symptomen.
168
Oorzaak etalagebenen (PAV)
Zuurstoftekort in de kuitspieren tijdens het lopen door vernauwde slagaders, wat een krampende pijn veroorzaakt die afzakt bij stilstaan.
169
Functie hartkleppen
Zorgen ervoor dat het bloed in de juiste richting door het hart stroomt en voorkomen terugstroom.
170
Trilhaarcellen (luchtwegen)
Cellen in de luchtwegen met trilharen die slijm met gevangen deeltjes omhoog transporteren naar de keelholte.
171
Oorzaak pijn op borst
Kan cardiaal (angina, infarct), pulmonaal (embolie), gastro-intestinaal (reflux) of musculoskeletaal zijn; differentiaaldiagnose is essentieel.
172
Bypassoperatie (CABG)
Een operatie waarbij omleidingen worden gemaakt langs vernauwde of verstopte kransslagaders met behulp van aders of slagaders uit andere delen van het lichaam.
173
Functie endotheel
De binnenste laag van bloedvaten die een cruciale rol speelt in vaatverwijding en -vernauwing, bloedstolling en ontstekingsreacties.
174
Risico's van roken
Belangrijkste risicofactor voor COPD, longkanker en hart- en vaatziekten door schade aan longweefsel en bloedvaten.
175
Belang van therapietrouw
Cruciaal voor het effect van de behandeling en het voorkomen van complicaties, maar wordt vaak beïnvloed door psychologische factoren en ziekte-inzicht.
176
Patiëntcollege (doel)
Patiënten delen hun ervaringen om zorgverleners inzicht te geven in de beleving van ziekte en de impact ervan op het dagelijks leven.
177
Gecombineerde Leefstijl Interventie (GLI)
Een programma dat zich richt op gezonder eten, meer bewegen en gedragsverandering om het risico op o.a. DMT2 te verlagen, vaak vergoed door de zorgverzekeraar.