College 2 Flashcards

(15 cards)

1
Q

Vier soorten metingen

A
  1. Observatie
  2. Fysiologische maten
  3. Zelfrapportage
  4. Archief
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Observatie:

Wat zijn de drie beslissingen die een onderzoeker moet maken?

A
  1. Welke setting? naturalistisch, vooropgezet, of veldexperiment.
  2. Onderzoeker? verborgen of openlijk.
  3. Welke observatiemethode? narratieven, checklistst, tijdsmetingen of beoordelingsschalen.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Observatie:

Veldexperiment

A

Tussenvorm van natuurlijke omgeving en manipulatie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Observatie:

Narratieven

A

Exacte registratie van gedrag en/of verbale uitingen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Observatie:

Tijdsmetingen

A

Tijd tussen twee gedragingen of een gebeurtenis en een gedraging meten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Observatie:

Beoordelingsschalen

A

De kwaliteit en intensiteit van gedrag meten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Zelfrapportage:

Soorten vragen

A
  1. Open vraag
  2. Multiple Choice
  3. 5-puntsschaal
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Bias van vragenlijsten: sociale wenselijkheid

A

De participant geeft een mening die sociaal wenselijk is, dit hoeft niet de echte mening van de participant te zijn.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Bias van vragenlijsten: ja/nee zeggers

A

Participanten die geneigd zijn om overal hetzelfde in te vullen.
Oplossing: vragen anders formuleren zodat de participanten anders antwoord moeten geven.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Bias van vragenlijsten: centrale tendentie

A

Neiging van participanten om steeds het middelste antwoord te kiezen (neutraal).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Bias van vragenlijsten: logische fout

A

Wanneer er in de vragenlijst verschillende woorden voorkomen die op elkaar lijken, zal de participant al deze vragen op dezelfde manier beantwoorden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Archiefdata voordeel en nadeel

A
  • Voordeel: data is al beschikbaar.

- Nadeel: onderzoeker is afhankelijk van de beschikbare data.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Algemene benaderingen van ethiek:

Deontologisch

A

Uitgaan van universele regels.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Algemene benaderingen van ethiek:

Utilitaristisch

A

Vergelijken van kosten en opbrengsten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Algemene benaderingen van ethiek:

Sceptisch

A

Zelf een afweging maken wat het juiste is (onderzoeker maakt deze beslissing zelf).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly