Je Hebt
Je Had
You had
Wij Hebben
Wij Hadden
We had
Ik Wil
Ik Wilde
I wanted
Jullie Willen
Jullie Wilden
You wanted
Ik Moet
Ik moest
I had to
We Moeten
We moesten
We had to
Ik Ben
Ik was
I was
Jullie zijn
Jullie waren
You were
Ik kan
Ik kon
I could
We kunnen
We konden
We could
Ik beweeg
Ik bewoog
I moved
Zij bewegen
Zij bewogen
They moved
Ik breek
Ik brak
I broke
Hij denkt
Hij dacht
He thought
Ik draag
Ik droeg
I wore / carried
Hij drinkt
Hij dronk
He drank
We gaan
We gingen
We went
Ik geef
Ik gaf
I gave
Ze eten
Ze aten
They ate
Ze helpt
Ze hielp
She helped
Ik geniet van
Ik genoot van
I enjoyed
Jij doet
Jij deed
You did
We Kiezen
We kozen
We chose
Jullie lopen
Jullie liepen
You walked