Zijn
Is geweest
Been
Hebben
Heeft gehad
To have
Moeten
Heeft gemoeten
Must
Kunnen
Heeft gekund
Can
Gaan
Is gegaan
Go
Doen
Heeft gedaan
Do
Weten
Heeft geweten
Know
Worden
Is geworden
Become
Zeggen
Heeft gezegd
Say
Willen
Heeft gewild
Want
Komen
Is gekomen
Come
Zitten
Heeft gezeten
Sit
Maken
Heeft gemaakt
Make
Staan
Heeft gestaan
Stand
Zien
Heeft gezien
See
Kijken
Heeft gekeken
Look
Mogen
Heeft gemogen
May
Laten
Heeft gelaten
Leave
Denken
Heeft gedacht
Think
Krijgen
Heeft gekregen
Get
Vinden
Heeft gevonden
Find
Leven
Heeft geleefd
Live
Vragen
Heeft gevraagd
Ask
Geven
Heeft gegeven
Give