December Flashcards

(348 cards)

1
Q

١. هِيَ تَشْبَهُ أُمَّهَا.

A

Zij lijkt op haar moeder.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

٢. سَتَرُولُ السَّيَّارَةُ بِسُرْعَةٍ.

A

De auto zal snel rijden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

٣. نَحْنُ فِي النَّعِيمِ.

A

Wij zijn in comfort.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

٤. هُوَ عَوْنًا لِصَدِيقِهِ.

A

Hij is een hulp voor zijn vriend.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

٥. هُوَ يَنْسَى كِتَابَهُ.

A

Hij vergeet zijn boek.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

٦. هِيَ تُحِبُّ رَبَّتَهَا.

A

Zij houdt van haar meesteres.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

٧. أَشْعُرُ بِالتَّعَبِ.

A

Ik voel moeheid.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

٨. هُوَ يَهْجُرُ الْبَيْتَ.

A

Hij verlaat het huis.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

٩. هُوَ يَتَخَلَّى عَنْ غَضَبِهِ.

A

Hij laat zijn woede los.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

١٠. هُوَ مُسْتَعِدٌّ لِلدَّرْسِ.

A

Hij is klaar voor de les.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

١١. هَذِهِ فُرْصَةٌ جَيِّدَةٌ.

A

Dit is een goede kans.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

١٢. هُوَ يَحْصُلُ عَلَى جَائِزَةٍ.

A

Hij krijgt een prijs.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

١٣. اللَّحْظَةُ الْمُخِيفَةُ قَصِيرَةٌ.

A

Het enge moment is kort.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

١٤. هَذِهِ الْكَلِمَةُ تَجْعَلُهُ سَعِيدًا.

A

Dit woord maakt hem blij.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

١٥. هَذَا مِقْيَاسٌ صَغِيرٌ.

A

Dit is een kleine maat.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

١٦. الطَّعَامُ يَخْتَلِفُ عَنْ أَمْسِ.

A

Het eten is anders dan gisteren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

١٧. هُوَ مَسْرُورٌ اليَوْمَ.

A

Hij is blij vandaag.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

١٨. هِيَ مُتَفَائِلَةٌ كَثِيرًا.

A

Zij is heel optimistisch.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

١٩. اللَّهُ سَيُكَافِئُ الْمُحْسِنَ.

A

Allah zal de goede belonen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

٢٠. هُوَ يَسْتَشِيرُ أُسْتَاذَهُ.

A

Hij vraagt zijn leraar om advies.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

٢١. هُوَ جَاءَ بَاكِيًا.

A

Hij kwam huilend.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

٢٢. هُوَ يَشْعُرُ بِالنَّدَامَةِ.

A

Hij voelt spijt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

٢٣. الْعَمَلُ السَّيِّئُ يُؤْذِي النَّاسَ.

A

Slecht gedrag schaadt mensen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

٢٤. هَذِهِ مُقَدِّمَاتٌ سَهْلَةٌ.

A

Dit zijn makkelijke inleidingen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
٢٥. طُوِيَتِ الصَّفْحَةُ.
De bladzijde werd gesloten.
26
٢٦. زَالَ ضَوْءُ الشَّمْسِ.
Het licht van de zon verdween.
27
٢٧. تَنَاثَرَتِ الْأَوْرَاقُ فِي الْغُرْفَةِ.
De papieren verspreidden zich in de kamer.
28
٢٨. سَارَتِ الْفَتَاةُ فِي الطَّرِيقِ.
Het meisje liep op de weg.
29
٢٩. السَّمَاءُ فِيهَا سَحَابٌ كَثِيرٌ.
De lucht heeft veel wolken.
30
٣٠. تَعَطَّلَتِ السَّيَّارَةُ فِي الطَّرِيقِ.
De auto ging kapot op de weg.
31
٣١. الْحَيَاةُ جَمِيلَةٌ.
Het leven is mooi.
32
٣٢. لَا تُهْمِلْ دِرَاسَتَكَ.
Verwaarloos je studie niet.
33
٣٣. النُّوقُ كَبِيرَةٌ فِي الصَّحْرَاءِ.
De kamelen zijn groot in de woestijn.
34
٣٤. الْوَقْتُ أَعَزُّ مِنَ الذَّهَبِ.
Tijd is waardevoller dan goud.
35
٣٥. هُوَ لَا يَمْلِكُ الْمَالَ.
Hij bezit geen geld.
36
٣٦. هُمْ يَغْفُلُونَ عَنِ الْحَقِّ.
Zij verwaarlozen de waarheid.
37
٣٧. هُوَ يَخَافُ مِنَ الْوُحُوشِ.
Hij is bang voor de dieren.
38
٣٨. فَاضَتِ الْعَيْنُ بِالدُّمُوعِ.
Het oog stroomde over met tranen.
39
٣٩. تَفَجَّرَ الْمَاءُ مِنَ الأَرْضِ.
Het water spoot uit de grond.
40
٤٠. اِشْتَعَلَتِ النَّارُ فِي الْخَشَبِ.
Het vuur begon in het hout te branden.
41
النُّفوسُ طَيِّبَةٌ.
De zielen zijn goed.
42
تُدفَنُ الأَشْيَاءُ هُنا.
Dingen worden hier begraven.
43
التُّرابُ ناعِمٌ.
De aarde is zacht.
44
عِندي ذَنْبٌ صَغيرٌ.
Ik heb een kleine fout.
45
أُريدُ لِيَتَخَلَّصَ مِنَ الخوفِ.
Ik wil dat hij van de angst afkomt.
46
أَنْفَقَ مالَهُ قَليلًا.
Hij gaf een beetje geld uit.
47
العارُ شَيءٌ سَيِّئٌ.
Schaamte is iets slechts. (in het vergaren van kennis)
48
الوَزنُ المُحْتَمَلُ ثَقيلٌ.
Het mogelijke gewicht is zwaar.
49
تَقَعُ المَدرَسةُ قَريبًا.
De school ligt dichtbij. (het vindt plaats (een gebeurtenis) /het gebeurt/het valt neer/het bevindt zich / ligt (locatie)
50
القَبائِلُ كَثيرةٌ.
De stammen zijn veel.
51
المَناظِرُ مُنْتَشِرَةٌ.
De uitzichten zijn verspreid.
52
مَنَعَ الوَلَدَ مِنَ الخُروجِ.
Hij hield de jongen tegen om buiten te gaan.
53
الفِعلُ القَبيحُ حَرامٌ.
De slechte daad is verboden.
54
سُجِّلَتِ الأَسْماءُ هُنا.
De namen zijn hier geregistreerd.
55
تَبَدَّلَتِ الحَالُ.
De situatie veranderde.
56
جُهِّزَتِ الحَفْلَةُ.
Het feest is voorbereid. (een algemene term voor elk soort feest; verjaardagsfeest, schoolfeest, buurtfeest, evenement, etc.)
57
المَصيرُ مَجْهولٌ.
De bestemming is onbekend.
58
نِهايَتُهُ سَهْلَةٌ.
Zijn einde is makkelijk.
59
قَدَّمَها لِصَديقِهِ.
Hij gaf het aan zijn vriend.
60
مَصْدَرُهُ مَعْروفٌ.
De bron is bekend.
61
تَخْتَفِي الشَّمْسُ لَيْلًا.
De zon verdwijnt ’s nachts.
62
أُعْجِبُ بِمَنْظَرِ البستانِ
Ik ben onder de indruk van het uitzicht van de tuin.
63
صاحِبُ المَكانَةِ العالِيَةِ مُحْتَرَمٌ.
De persoon met hoge status is gerespecteerd.
64
يَخْفي الحَقِيبَةَ
Hij verstopt de tas.
65
تَعَجَّبوا مِنَ الخَبَرِ.
Ze waren verbaasd over het nieuws.
66
الرَّجُلُ مَلْعونٌ.
De man is vervloekt.
67
قالَ قائِلًا: هَلُمَّ!
Hij zei: “Kom!”
68
أُحِبُّ العَيْشَ بِالاستِقامَةِ.
Ik leef graag rechtvaardig.
69
يَتِمُّ العَمَلُ غَدًا.
Het werk wordt morgen voltooid.
70
يَحْدُثُ كُلُّ شَيءٍ بِمَشيئَتِهِ.
Alles gebeurt met Zijn wil.
71
تَفاعَلَ الطُّلابُ مَعَ الدَّرسِ
De studenten reageerden mee/hadden interactie met de les
72
الدُّخولُ مَسْموحٌ
Binnenkomen is toegestaan.
73
يَتَشاجَرُ الأَخَوانِ أَحْيانًا.
De twee broers maken soms ruzie.
74
لَمْ أَسْتَطِعْ فَهْمَ الدَّرْسِ.
Ik kon de les niet begrijpen
75
يَنْتَقِلُ أَحْمَدُ إِلى بَيْتٍ جَديدٍ.
Ahmed verhuist naar een nieuw huis.
76
لا يَتَعارَضُ هذا معَ الدَّرسِ.
Dit botst niet met de les.
77
يَفْكُرُ فِي مَصْلَحَةِ القَوْمِيّةِ.
Hij denkt aan het belang van de natie.
78
أَسْكُنُ في الريفِ
Ik woon op het platteland.
79
يُسَدِّدُ الطَّلقةَ إِلَى الهدفِ/ يُسَدِّدُ الرَّجُلُ الفاتورةَ
Hij richt het schot op het doel./De man betaalt de rekening.
80
سَقَطَتْ كُرَّة القَلَمِ.
Het balletje van de pen viel.
81
تَتَساقَطُ الأَوْراقُ فِي الخَرِيفِ.
De blaadjes vallen in de herfst.
82
وَتَتَفَرَّقُ أَجْزَاؤُها فِي الشَّارِعِ.
En de delen verspreiden zich op straat.
83
أُحِبُّ اِنْتِظامَ الغُرْفَةِ.
Ik hou van de netheid van de kamer.
84
تَزُولُ الحَواجِزُ بَيْنَ النَّاسِ.
De barrières verdwijnen tussen mensen.
85
فَتُصْبِحُ الحَياةُ أَسْهَلَ.
En het leven wordt makkelijker.
86
أَسْفَلَ البَيْتِ مَوْقِفُ سَيّارَاتٍ.
Onder het huis is een parkeerplaats.
87
عالِيها الجَبَلُ الكَبِيرُ.
Boven staat de grote berg.
88
الأَشْيَاءُ المُخِيفَةُ لَيْسَتْ هُنا.
De enge dingen zijn hier niet.
89
هٰذا قَصْرٌ جَمِيلٌ.
Dit is een mooi paleis.
90
يُعاتِبُ اللهُ الإِنْسانَ يَوْمَ القِيامَةِ.
Allah houdt de mens verantwoordelijk op de Dag des Oordeels.
91
ما أَصابَكَ اليَوْمَ؟
Wat is je vandaag overkomen?
92
لا تَدَعِ الدُّنْيا تَخْدَعْكَ.
Laat de wereld je niet misleiden.
93
اِجْلِسْ مُعْتَدِلًا مِنْ فَضْلِكَ.
Zit alsjeblieft rechtop.
94
مَنْ تَبِعَ النَّبِيَّ لَنْ يُعَذِّبَهُ اللهُ.
Wie de profeet volgt, zal Allah niet straffen.
95
مَلائِكَةٌ كِرامٌ يُراقِبُونَ الإِنْسانَ.
Eerlijke engelen observeren de mens.
96
يَحْتَرِقُونَ بِشِدَّةٍ مِنَ النّارِ.
Ze branden hevig door het vuur.
97
لا يَتَمَكَّنُ مِنَ الخُرُوجِ.
Hij kan niet naar buiten.
98
الدُّعاءُ سَبَبٌ فِي النَّجاةِ.
Dua is een reden voor redding.
99
وَخَطَرُهُ كَبِيرٌ.
En zijn gevaar is groot.
100
لَنْ يَسْتَطِيعَ أَحَدٌ أَنْ يُساعِدَ أَحَدًا.
Niemand zal iemand anders kunnen helpen.
101
هُمْ يَعْتَدُونَ عَلَى الضَّعِيفِ.
Zij doen de zwakke onrecht aan.
102
التَّطْفِيفُ خُلُقٌ سَيِّئٌ.
Weging-bedrog is slecht gedrag.
103
(مِنْ أَبْرَزِ وَسائِلِ) الغِشِّ الكَذِبُ.
(Een van de grootste middelen) van bedrog is liegen.
104
سَواءٌ عَلَيْكَ الأَمْرُ.
Het maakt voor jou niet uit.
105
الكَيْلُ فِي السُّوقِ مُهِمٌّ.
Meten/weighen is belangrijk op de markt.
106
البائِعُ يُعْطِيهِم حاجَتَهُمْ.
De verkoper geeft hun wat ze nodig hebben.
107
تَوَعَّدَ اللهُ الظّالِمِينَ.
Allah waarschuwde de onrechtplegers.
108
لا يَصْدُرُ مِنْهُ خَيْرٌ.
Er komt geen goed van hem.
109
لا يَتَوَقَّعُونَ العَذابَ.
Zij verwachten de straf niet.
110
مَحِيءَ العَمَلِ صَعْبٌ.
Het tijdstip van het werk is moeilijk.
111
سَيَقِفُ النّاسُ يَوْمَ القِيامَةِ.
De mensen zullen staan op de Dag des Oordeels.
112
لِعِلْمِهِ بِالحَقِيقَةِ سَكَتَ.
Hij zweeg vanwege zijn kennis van de waarheid.
113
سَيُعاقِبُ المُجْرِمَ.
Hij zal de crimineel straffen.
114
الكَلامُ رَدْعٌ لَهُمْ.
De woorden houden hen tegen.
115
وَزَجَرَ الوَلَدَ عَنِ الخَطَإِ.
Hij wees het kind streng terecht.
116
الفِعْلُ السَّيِّئُ مُحَرَّمٌ.
Slecht gedrag is verboden.
117
سَتَكْتُبُ المَلائِكَةُ أَعْمالَهُ.
De engelen zullen zijn daden opschrijven.
118
كَلامٌ خَبِيثٌ يَجْرَحُ النّاسَ.
Slechte woorden kwetsen mensen.
119
مَكانٌ مُوحِشٌ فِي اللَّيْلِ.
Een enge plek ’s nachts.
120
كِتابٌ مُخَصَّصٌ لِلدِّراسَةِ.
Een boek speciaal voor studie.
121
أَصْحابُها غائِبُونَ اليَوْمَ.
De eigenaren zijn vandaag afwezig.
122
لا تَتَعَدَّ حُدُودَ اللهِ.
Overschrijd de grenzen van Allah niet.
123
هُمْ مُعْتَدُونَ فِي الأَرْضِ.
Zij zijn overtreders op aarde.
124
لا يَتَعِظُونَ أَبَدًا.
Zij nemen nooit een les.
125
قِصَّةٌ خَيالِيَّةٌ جَمِيلَةٌ.
Een mooi fantasieverhaal.
126
غَطَّتِ الغُيُومُ السَّماءَ.
De wolken bedekten de lucht.
127
يُغَطِّي الثَّلْجُ الطَّرِيقَ.
De sneeuw bedekt de weg.
128
الآنيَةُ نَظِيفَةٌ اليَوْمَ.
De potten zijn vandaag schoon.
129
فَصارَتْ جَمِيلَةً.
En het werd mooi.
130
هٰذِهِ حَرْبَةٌ قَدِيمَةٌ.
Dit is een oude speer.
131
لَنْ يَتَمَتَّعُوا بِالجَنَّةِ.
Zij zullen niet genieten van het paradijs.
132
النَّظَرُ إِلَى الحَرامِ مَمْنُوعٌ.
Kijken naar haram is verboden.
133
وَسَتَقُولُ لَهُمْ الحَقِيقَةَ.
En zij zal hen de waarheid vertellen.
134
سُخْرِيَّتُكُمْ كانَتْ مُؤْذِيَةً.
Jullie spot was kwetsend.
135
هٰذَا الدَّوَاءُ مُسْتَخْدَمٌ لَيْسَ سَامًّا
Dit medicijn wordt gebruikt en is niet giftig.
136
أَنْتِ تَحْتَقِرِينَ الكَلْبَ.
Jij (vrouw) veracht de hond.
137
الرَّجُلُ يَكُونُ مُعْتَلًّا.
De man is ziek.
138
الطِّفْلُ يَعْدُو فِي الحَدِيقَةِ.
Het kind rent in de tuin.
139
السَّمَاءُ يَصْفُو بَعْدَ الْمَطَرِ.
De lucht wordt helder na de regen.
140
أَشْتَهِي أَنْ أَذْهَبَ إِلَى السُّوقِ.
Ik verlang ernaar om naar de markt te gaan.
141
الذِّئْبُ يَعْوِي فِي اللَّيْلِ.
De wolf huilt ’s nachts.
142
هُوَ شَخْصٌ مُهَذَّبٌ وَيُحَافِظُ عَلَى أَدَبِهِ مَعَ الجَمِيعِ
Hij is een beleefd persoon en hij blijft altijd respectvol tegen iedereen.
143
سَاعَدْتُ صَدِيقِي فِي إِنْهَاءِ وَاجِبَاتِهِ.
Ik heb mijn vriend geholpen met het afmaken van zijn huiswerk.
144
/عَطَفَ عَلَيْهِ الرَّجُلُ. /الأُمُّ تَعْطِفُ عَلَى وَلَدِهَا. /عَطَفْتُ رَأْسِي لِأَرَى الصَّوْتَ. /عَطَفَ الطَّرِيقُ نَحْوَ اليَسَارِ. عَطَفْتُ الكَلِمَتَيْنِ بِحَرْفِ وَ.
De man had medelijden met hem./ De moeder is vriendelijk voor haar kind./ Ik draaide mijn hoofd om het geluid te zien./ De weg boog naar links./ Ik verbond de twee woorden met و.
145
جَرَّبُوا الطَّعَامَ الجَدِيدَ.
Ze probeerden het nieuwe eten.
146
يُجَامِلُكَ أَصْدِقَاؤُكَ.
Je vrienden doen aardig tegen je / zijn hoffelijk tegen je.
147
يُعَامِلُكَ أُسْتَاذُكَ بِاحْتِرَامٍ.
Je leraar behandelt je met respect.
148
سَتَقْسِّرْنَّ الدَّرْسَ غَداً.
Jullie zullen de les morgen samenvatten.
149
تُمَكِّنُّكُمُ الدَّرْسُ مِنَ الْفَهْمِ.
De les zal jullie in staat stellen om te begrijpen.
150
الستار يغطي النافذة.
Het gordijn bedekt het raam.
151
لَقَّنَتْهُ أُمُّهُ الدَّرْسَ
Zijn moeder leerde hem de les.
152
وَأَتْرَعَتْ الطَّفْلَ مَاءً
Ze gaf het kind water te drinken.
153
فُؤَادُهُ سَعِيدٌ
Zijn hart is blij.
154
الْغَضُّ قَدِيمٌ
Het gras is oud.
155
وَأَزْكَى الطَّعَامَ
Hij maakte het eten lekkerder.
156
فَشُغِفَ بِاللَّعِبِ
Hij werd dol op spelen.
157
غَرْوَ الطِّفْلِ طَوِيلٌ
De hoogmoed van het kind is groot.
158
تَعْشَقُ الْبِنْتُ القِصَصَ
Het meisje houdt van verhalen.
159
تَمَنَّى الطِّفْلُ لَعِبًا
Het kind wenste te spelen.
160
يَمْضِي الرَّجُلُ إِلَى السُّوقِ
De man gaat naar de markt.
161
يَفِدُ الطَّالِبُ إِلَى المَدْرَسَةِ
De student komt naar school.
162
يَمْضِ الطِّفْلُ نَائِمًا
Het kind gaat slapen.
163
سَرَى الرَّجُلُ فِي الطَّرِيقِ
De man liep op de weg.
164
الْمَحْظُوظَةُ فَزِيعَةٌ
Het gelukkige meisje is blij.
165
الْمَغْبُوطَةُ ضَحِكَتْ
Het gelukkige meisje lachte.
166
الْبَهْجَةُ فِي الْبَيْتِ
Het plezier is in huis.
167
وَتَعَلَّقَتِ الطِّفْلَةُ بِأُمِّهَا
Het meisje klampte zich aan haar moeder.
168
الْمَيْمُونُ رَجُلٌ طَيِّبٌ
De vriendelijke man is goed.
169
الْفِتْيَانُ يَلْعَبُونَ فِي الْحَدِيقَةِ
De jongens spelen in de tuin.
170
يُشِيعُونَ الْأَخْبَارَ
Ze verspreiden het nieuws.
171
إِشْرَاقَةُ الشَّمْسِ جَمِيلَةٌ
De zonneschijn is mooi.
172
السَّاعُونَ يَعْمَلُونَ
De werkers werken.
173
شَدِي الْأَنْدَاءِ صَافٍ
De zang van de vogels is helder.
174
نَضِيرُ الرُّوَاءِ طَالِعٌ
Het uitzicht is prachtig.
175
فَطَفِقَ الرِّجَالُ يَنْجِهُونَ الطَّرِيقَ
De mannen begonnen het pad te volgen.
176
وَمَضَوْا يَتَسَابَقُونَ
Ze gingen rennen.
177
تَتَخَلَّلُهُمْ أَسْرَابٌ صِغَارٌ
Kleine vogels gingen tussen hen door.
178
تُرَغْرِدُ الطُّيُورُ
De vogels fluiten.
179
فَرْحَةٌ تَعْمُرُ قُلُوبَهُمُ
Vreugde vult hun harten.
180
وَتُترِعُ أَفْئِدَتَهُمُ
En hun harten worden blij.
181
طَلِيعَةُ الصِّبْيَةِ تَلْعَبُ
De kinderen spelen.
182
الصِّبْيَةِ يَقْرَءُونَ كُتُبًا
De jongens lezen boeken.
183
وَمَضَيَا فِي الطَّرِيقِ
Ze gingen verder op de weg.
184
أَظْهُرِ الطِّفْلِ نَظِيفٌ
De rug van het kind is schoon.
185
الزَّاخِرَةِ مِلْئُهَا فَاكِهَةٌ
De mand zit vol fruit.
186
الْمُخَدَّرَاتُ خَطِيرَةٌ
Drugs zijn gevaarlijk.
187
وَالصَّبَايَا يَلْعَبْنَ
De meisjes spelen.
188
عَلَوْنَ البِنَايَةَ
Ze gingen naar het dak van het gebouw.
189
سُطُوحَ الْمَنَازِلِ مُشْمِسَةٌ
De daken van de huizen zijn zonnig.
190
وَجَعَلْنَ الطَّعَامَ لَذِيذًا
Ze maakten het eten lekker.
191
يَتَرَاءَيْنَ الْجَمِيعُ
Iedereen verschijnt.
192
نَيْفَ أَسَاعَةٍ مَرَّتْ
Meer dan negen uur zijn voorbij.
193
مَشْهُودًا فِي الْمَدِينَةِ
Gezien in de stad.
194
كَادَ الطِّفْلُ يَبْكِي
Het kind stond op het punt te huilen.
195
يَسْتَقِرُّ بِالْمَدِينَةِ
Hij vestigt zich in de stad.
196
الْغُمَيْصَاءُ مَاءٌ
Het water is diep.
197
مِلْحَانَ الطَّعَامُ
Het eten is zout.
198
قَابَتَاهُ سَعِيرَتَانِ
Zijn ogen zijn groot.
199
تَنُوسَانِ الزَّهْرَتَانِ
De twee bloemen bewegen.
200
حَيَّتِ الطِّفْلُ أُمَّهُ
Het kind begroette zijn moeder.
201
أَنْحَفَكَ الطِّفْلُ
Het kind is slank.
202
بِتُحْفَةٍ جَمِيلَةٍ
Met een mooi cadeau.
203
فَلْيَخْدِمْكَ الطَّالِبُ
Laat de student je helpen.
204
فَهَشَ الطِّفْلُ
Het kind lachte luid.
205
وَبَشَّ الرَّجُلُ
En de man glimlachte.
206
ذُوَّابَتَهُ بِأَنَامِلِهِ النَّدِيَّةِ
Hij wreef zijn tanden met zijn vochtige vingers.
207
وَضَمَّهُ إِلَى أَهْلِهِ
En hij omhelsde hem naar zijn familie.
208
كَمَا كَانُوا يُنَادُونَهُ تَدْلِيلًا
Zoals ze hem altijd vertroetelden.
209
هُم مُعْتَدونَ.
Zij zijn overtreders.
210
نَحْترِمُ الحُدودَ.
Wij respecteren de grenzen.
211
هُمْ لا يَتَعِظونَ.
Zij leren geen les.
212
قِصَّةٌ خَيالِيَّةٌ.
Een fantasieverhaal.
213
غَطَّتِ السَّحابةُ الشَّمْسَ.
De wolk bedekte de zon.
214
يُغَطِّي الثَّلْجُ الطَّريقَ.
De sneeuw bedekt de weg.
215
ذَابَ الثَّلْجُ فَصارَ ماءً.
De sneeuw smolt en werd water.
216
هَذا هُوَ الدُّخانُ الأَسْوَدُ.
Dit is de zwarte rook.
217
لَنْ يَتَمَتَّعوا بِذَلِكَ.
Ze zullen daar niet van genieten.
218
هٰذِهِ سُخْرِيَّتُكُم.
Dit is jullie spot.
219
جَبَلٌ مُرْتَفِعٌ.
Een hoge berg.
220
الأُمُّ تُرَاعيهِ.
De moeder zorgt voor hem.
221
حَصَلَ عَلى مُكَافَأَةٍ.
Hij kreeg een beloning.
222
هِيَ تَتَمَنّى السَّلامَ.
Zij wenst vrede.
223
مَقاعِدُ مُرْتَفِعَةٌ مُريحَةٌ.
Hoge, comfortabele stoelen.
224
اِسْتَظْهَرَ الدَّرْسَ.
Hij leerde de les uit het hoofd.
225
جاءَتْ بَشائِرُ الخَيْرِ.
Goed nieuws kwam.
226
جَمالُ الوَرْدَةِ رائعٌ.
De schoonheid van de bloem is prachtig.
227
لا تَخْطُرُ عَلى بالِهِم.
Het komt niet in hun gedachten.
228
سَيُقَدِّمُ الهَدِيَّةَ.
Hij zal het cadeau geven.
229
لَهُ عُيونٌ رائعةٌ.
Hij heeft prachtige ogen.
230
طَعْمُهُ لَذِيذٌ.
De smaak is lekker.
231
رائِحَتُهُ طَيِّبَةٌ.
De geur is goed.
232
هُم يَسْتَحِقّونَ الاحْتِرامَ.
Zij verdienen respect.
233
هُم يُعانُونَ الأَذى.
Zij krijgen pijn / schade.
234
يُواجِهونَ المُضايَقاتِ.
Zij hebben last van pesterijen.
235
يَتَعَرَّضونَ لِلمَخاطِرِ.
Zij worden blootgesteld aan gevaren.
236
مَرّوا بِالطَّريقِ.
Ze liepen langs de weg.
237
يَتَبادَلونَ النَّظَراتِ.
Ze wisselen blikken uit.
238
نَظَراتُ الاِسْتِهْزاءِ.
Spottende blikken.
239
هُم يَسْخَرونَ.
Zij lachen iemand uit.
240
هٰذِهِ تَصَرُّفاتٌ خاطِئَةٌ.
Dit zijn verkeerde gedragingen.
241
يُنْكِرُ اللهُ التَّصَرُّفاتِ السَّيِّئَةَ.
Allah keurt slechte daden af.
242
لَيْسوا مَسؤولينَ.
Zij zijn niet verantwoordelijk.
243
لا يَسْتَطيعونَ أَنْ يَصِفوها.
Ze kunnen het niet beschrijven.
244
تَخْتَلِفُ الأُمورُ.
De zaken veranderen.
245
هُم يَتَعَذَّبونَ.
Zij lijden.
246
اِنْقَلَبَ الشَّرُّ عَلَيْهِم.
Het kwaad keerde tegen hen.
247
هُم يَسْخَرونَ الآنَ.
Ze spotten nu.
248
وَسَوْفَ يَسْخَرُ اللهُ مِنْهُم.
En Allah zal met hen spotten.
249
سَيُثابوا على خَيْرِهِم.
Ze zullen beloond worden voor hun goedheid.
250
هُوَ أَعَدَّ الطَّعامَ.
Hij bereidde het eten.
251
لا خَطَرَ عَلَيْكَ.
Er is geen gevaar voor jou.
252
التَّنافُسُ جَيِّدٌ.
Wedijver is goed.
253
قامَ بِبَحْثٍ صَغيرٍ.
Hij deed een klein onderzoek.
254
الشَّعيرِيَّةُ لَذيذَةٌ.
Noedels zijn lekker.
255
هذا اِسْتِهْزاءٌ.
Dit is spot.
256
هُوَ في حُزْنٍ شَديدٍ.
Hij is in diepe droefheid.
257
دَفَنَ الرَّجُلُ أَباهُ.
De man begroef zijn vader.
258
تَهتَمُّ الأُمُّ بِتَربِيَةِ أَوْلادِها.
De moeder zorgt voor de opvoeding van haar kinderen.
259
يَرْعَى الرَّاعِي الغَنَمَ.
De herder zorgt voor de schapen.
260
عَمِلَ الرَّجُلُ بِأُجْرَةٍ.
De man werkte voor loon.
261
يَتَرَقَّبُ الوَلَدُ وُصولَ أَبِيه.
De jongen wacht op de komst van zijn vader.
262
اسْتَدَلَّ الطّالِبُ عَلَى الجَوابِ.
De student leidde het antwoord af.
263
قابَلْتُ فَتاةً ذاتَ أَخلاقٍ طَيِّبَة.
Ik ontmoette een meisje met goede eigenschappen.
264
تُسْتَأجَرُ الشَّقَّةُ بِسُهُولَة.
Het appartement wordt makkelijk verhuurd.
265
خَطَبَتِ الفَتاةُ يَوْمَ الجُمُعَة.
Het meisje hield een vrijdagtoespraak.
266
هَدَمَتِ الرِّيحُ البَيْتَ القَديم.
De wind verwoestte het oude huis.
267
اتَّفَقُوا على الوَقْتِ.
Ze kwamen overeen over de tijd.
268
جَاءَ حِينَما انْتَهَتِ الدَّرْس.
Hij kwam toen de les eindigde.
269
اشْتَهَرَ الرَّجُلُ بِصِدْقِهِ.
De man werd beroemd om zijn eerlijkheid.
270
لَدَيْهِ خِصالٌ مَحمودَة.
Hij heeft geprezen eigenschappen.
271
لَقَّبُوهُ بِالصّادِق.
Ze gaven hem de bijnaam “de waarachtige”.
272
عادَ إلى عَشيرَتِهِ.
Hij keerde terug naar zijn stam.
273
تُوُفِّيَ الرَّجُلُ لَيْلًا.
De man overleed ’s nachts.
274
فَرَّبَتِ الأُمُّ أَبْناءَها جَيِّدًا.
De moeder voedde haar kinderen goed op.
275
كَفَلَ الخالُ ابنَ أُخْتِهِ.
De oom zorgde voor zijn neef.
276
أُفَضِّلُ الِابْتِعادَ عَنِ الشَّر.
Ik blijf liever weg van het slechte.
277
يَتَعَبَّدُ الرَّجُلُ لَيْلًا.
De man aanbidt Allah in de nacht.
278
بُعِثَ النَّبِيُّ بِالهُدَى.
De profeet werd gestuurd met leiding.
279
بُدِئَ الدَّرْسُ السّاعَةَ تِسْعَة.
De les begon om negen uur.
280
دَخَلَ النَّبِيُّ الغارَ.
De profeet ging de grot binnen.
281
هَذا طَريقٌ قَويم.
Dit is een rechte weg.
282
كانوا مُتَنابِذين في الرَّأي.
Ze waren verdeeld van mening.
283
هُم مُختَلِفونَ في الأَمْر.
Ze verschillen over de zaak.
284
لا تَمُنَّ عَلى النّاس بِعَطائِكَ.
Wijs mensen niet op jouw gift.
285
لا تَسْتَكْثِرِ الخَيْرَ الصَّغير.
Vind kleine goede daden niet te veel.
286
أَثِقُ بِكَ.
Ik vertrouw je.
287
يَعْتَقِدونَ أَنَّ الحَقَّ واضِح.
Ze geloven dat de waarheid duidelijk is.
288
عَامِلِ النّاسَ بِالرَّأفَة.
Behandel mensen met zachtheid.
289
كانَتِ الهَدِيَّةُ مُفاجَأَةً جَميلَة.
Het cadeau was een mooie verrassing.
290
هذِهِ الإشارَةُ دالّةٌ على الطَّريق.
Dit bord wijst de weg aan.
291
اسْتَمَرَّ الطّالِبُ في القِراءَة.
De student bleef lezen.
292
كانَتِ الدَّعْوَةُ في البِدايَةِ سِرِّيَّة.
De oproep was in het begin geheim.
293
زارَ أَقاربَهُ اليَوْم.
Hij bezocht zijn familie vandaag.
294
هُوَ مَعروفٌ بَيْنَ عَشيرِهِ.
Hij is bekend onder zijn stam.
295
لَدَيْهِ بَنونَ صالِحون.
Hij heeft goede zonen.
296
الرّائِدُ لا يَكذِبُ أَهْلَه.
De leider liegt niet tegen zijn volk.
297
لا تَقُل إِنّي غَرَّرْتُكَ.
Zeg niet dat ik je misleidde.
298
أُمِرَ بِالدَّعْوَةِ بِالجَهْر.
Hij werd bevolen openlijk te roepen.
299
فَصَعِدَ الجَبَلَ.
Hij klom de berg op.
300
قالَ: هَلْ تُصَدِّقونَني؟
Hij zei: geloven jullie mij?
301
جَرِّبْ هذا الطَّعام.
Probeer dit eten.
302
أُحِبُّ نَشْأَتَكَ الطَّيِّبَة.
Ik hou van jouw goede opvoeding.
303
أَنْقَذُوا الطِّفْلَ مِنَ الخَطَر.
Ze redden het kind van gevaar.
304
قالَ: تَبًّا لَكَ.
Hij zei: weg met jou.
305
كانَ شابًّا عَفيفًا.
Hij was een eerbare jongeman.
306
كانَ رَجُلاً سَخِيًّا.
Hij was een gulle man.
307
يَسْتَشِيرُ أَصْدِقاءَه.
Hij vraagt advies aan zijn vrienden.
308
قالوا: لَنَمْنَعَنَّهُ.
Ze zeiden: wij zullen hem tegenhouden.
309
جاءَتِ الشُّرْطَةُ لِلقَبْضِ عَلَيْهِ.
De politie kwam om hem te arresteren.
310
فَعَلوا ذَلِكَ بُغْضًا لَه.
Ze deden dat uit haat.
311
قالوا كَلِماتٍ هَزْلًا.
Ze zeiden woorden als een grap.
312
سَبَّ رَجُلًا في الطَّريق.
Hij beledigde een man op straat.
313
كانَ كَلَامُهُم تَضْليلًا.
Hun woorden waren misleiding.
314
نُرِيدُ إعْلاءَ الكَلِمَةِ الحَقّ.
We willen het woord van de waarheid verheffen.
315
نَحْتاجُ إلى اسْتِمْرارِ العَمَل.
We hebben continuïteit nodig.
316
قامَ بِدِفاعٍ قَوِيّ.
Hij voerde een sterke verdediging.
317
مَشَوْا على الطَّريقِ بِهُدوء.
Ze liepen rustig op de weg.
318
يَشْتِمُونَ المُؤمِنينَ.
Ze schelden de gelovigen uit.
319
سَفَّهوا رَأْيَهُ.
Ze bespotten zijn mening.
320
تَأذَنُ لي بِالدُّخول؟
Mag ik naar binnen?
321
فَأَبى الرَّجُلُ أَنْ يُجيب.
De man weigerde te antwoorden.
322
افْعَلْ ما أَحْبَبْتَ مِنَ الخَيْر.
Doe van het goede wat je wil.
323
قالَ: سَأُهْلِكُ دُونَه.
Hij zei: ik zal hem beschermen, zelfs met mijn leven.
324
يُستدرج الشخص إلى الفخ ببطء.
De persoon wordt langzaam verleid in de val.
325
هذا الكلام لا محل في الدين.
Deze uitspraak heeft geen grond in de religie.
326
أَنَا أُحَافِظُ عَلَى عَلاقاتِي
Ik onderhoud mijn relaties.
327
العائلة تَحْتَفِظُ بِالترابطِ بَيْنَ أَعضَائِهَا
De familie behoudt de verbondenheid tussen haar leden.
328
تَعَثَّرَ الصَّغِيرُ عَلَى الحَجَرِ
Het kleine kind struikelde over de steen.
329
يَسْتَقْصِي الطَّالِبُ المَعْلُومَاتِ مِنَ الكُتُبِ
De student zoekt de informatie uit de boeken na.
330
هَذِهِ المَدِينَةُ تَشْتَهِرُ بِالمَطَاعِمِ اللَّذِيذَةِ
Deze stad is beroemd om de lekkere restaurants.
331
يُؤاخِذُ الأبُ ابْنَهُ عَلَى تَأَخُّرِهِ
De vader verwijt zijn zoon dat hij te laat is.
332
جَاءَ الضُّيوفُ قُبَيْلَ الظُّهرِ
De gasten kwamen net vóór het middaguur.
333
هذا الطريق أَوْسَعُهَا في المدينة.
Deze weg is de ruimste van de stad.
334
الهاتف وسيلة للتواصل مع الأصدقاء/الصلاة وسيلة للتقرب إلى الله
Middel: Het gebed is een middel om dichter bij Allah te komen / De telefoon is een middel om met vrienden te communiceren
335
طلب الطفل شفاعة من صديقه ليشاركه الحلوى/للرسول صلى الله عليه وسلم شفاعة للمؤمنين يوم القيامة
Voorspraak: De Profeet (vrede zij met hem) heeft voorspraak voor de gelovigen op de Dag des Oordeels / Het kind vroeg voorspraak bij zijn vriend om het snoep te delen
336
ضَاعَتْ حَقِيبَتِي.
Mijn tas is kwijtgeraakt.
337
نَالَنِي الأَذَى.
Mij is schade overkomen.
338
شَمِتَ بِيَ العِدَا.
De vijanden lachten mij uit.
339
اتَّكَأْتُ عَلَى الْجِدَارِ.
Ik leunde tegen de muur.
340
سَلِمْتُ بَعْدَ الحَادِثِ.
Ik bleef ongedeerd na het ongeluk.
341
انْتَصَرْتُ فِي الْمُبَارَاةِ.
Ik won de wedstrijd.
342
مَنَعْتُ الطِّفْلَ مِنَ الْخُرُوجِ.
Ik hield het kind tegen om naar buiten te gaan.
343
لَا تُشْمِتْ بِيَ النَّاسَ.
Laat de mensen mij niet uitlachen.
344
يَهْتَدِي الطِّفْلُ إِلَى الطَّرِيقِ.
Het kind vindt de weg.
345
يَهْوَى الطِّفْلُ اللَّعِبَ.
Het kind houdt van spelen.
346
تَصِفُ الطَّبِيبَةُ الدَّوَاءَ.
De arts schrijft het medicijn voor.
347
يَبْتَغِي الرَّجُلُ العِلْمَ.
De man zoekt kennis.
348
يُدَخِّنُ الرَّجُلُ السِّجَارَةَ.
De man rookt een sigaret.