Dutch Class practice Flashcards

(124 cards)

1
Q

I feel sick

A

ik voel me ziek

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

I don’t feel so well

A

ik voel me niet zo goed

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

On September 13 and 14 it was Monument Day

A

Op 13 en 14 september was het Monumentendag

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

I have been to the Oostpoort

A

Ik ben in de Oostpoort geweest

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

I went to the Oostpoort

A

Ik ben naar de Oostpoort gegaan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

I went to Madeira

A

Ik ben naar Madeira gegaan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

We have been at McDonald’s

A

Wij zijn bij MacDonald geweest

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

We have been in McDonald’s

A

Wij zijn in MacDonald geweest

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

We went to McDonald’s

A

Wij zijn naar MacDonald gegaan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Close the door, please

A

doe de deur dicht

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Go to your work

A

ga naar je werk

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Eat all that is on your plate / Finish your plate

A

eet je bord leeg

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Take a card with you

A

neem een kaart mee

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

to take with you / to bring in

A

meenemen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

I take a book with me

A

ik neem een boek mee

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Just close the door

A

doe de deur maar dicht

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Feel free to take a card

A

neem gerust een kaartje mee

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Sit down / Please sit down

A

ga zitten / ga maar zitten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

to join

A

meedoen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Join!

A

doe mee

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

on, over, under, above, between, on/at, out, against, behind, with

A

op, over, onder, boven, tussen, aan, uit, tegen, achter, met

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

to eat

A

eten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

to eat up

A

opeten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

to come

A

komen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
to come up
bovenkomen
26
to demand
eisen
27
artificial intelligence
kunstmatige intelligentie
28
AI
KI
29
artificial insemination
kunstmatige inseminatie
30
I have been sick
Ik ben ziek geweest
31
You have been home
Jij bent thuis geweest
32
I have been in Hamburg last week
Ik ben vorige week in Hamburg geweest
33
I have worked very hard
Ik heb erg hard gewerkt
34
I didn’t listen to Pr.
Ik heb niet naar Pr. geluisterd
35
to listen
luisteren
36
I take vitamin C, vitamins in general
Ik neem vitamine C, vitaminen in het algemeen
37
I sleep more than usual
ik slaap meer dan normaal
38
If it doesn’t go well, I go to the GP
Als het niet goed gaat, ga ik naar de huisarts
39
Have you already been to the GP?
Ben je al bij de huisarts geweest?
40
Yes, I have been to the GP
Ja, ik ben bij de huisarts geweest
41
I am
Ik ben
42
I was
ik was
43
I have been
Ik ben geweest
44
I go
Ik ga
45
I went
ik ging
46
I have gone
ik ben gegaan
47
to be
zijn
48
I have worked
ik heb gewerkt
49
I like to be with my family
Ik vind het leuk om bij mijn familie te zijn
50
I liked to…
Ik vond het leuk om … te
51
I love cooking
Ik hou van koken
52
I love swimming
ik hou van zwemmen
53
I love working
Ik hou van werken
54
to love / to like
houden van
55
to feel (oneself)
zich voelen
56
I feel sick / bad
ik voel me ziek / ik voel me slecht
57
I feel happy / glad
ik voel me gelukkig / ik voel me blij
58
to be annoyed
zich ergeren
59
I am annoyed with my teacher
Ik erger me aan mijn docent
60
I was annoyed with my teacher
Ik ergerde me aan mijn docent
61
I have been annoyed with my teacher
Ik heb me aan mijn docent geërgerd
62
to feel ashamed
zich schamen
63
I am ashamed of my long legs
Ik schaam me voor mijn lange benen
64
to get dressed
zich aankleden
65
I get dressed
Ik kleed me aan
66
Reflexive verb example: to wash
Reflexief: wassen
67
I wash myself
ik was me
68
you wash yourself
jij wast je
69
he washes himself
hij wast zich
70
she washes herself
zij wast zich
71
we wash ourselves
wij wassen ons
72
you (plural) wash yourselves
jullie wassen je
73
they wash themselves
zij wassen zich
74
to be wrong / mistaken
zich vergissen
75
I am mistaken / I was mistaken
ik vergis me / ik heb me vergist
76
we are mistaken / we were mistaken
wij vergissen ons / wij hebben ons vergist
77
I relax today
Ik ontspan me vandaag
78
I relax on the couch
Ik ontspan me op de bank
79
to drink
drinken
80
I drink / I drank / I have drunk
ik drink / ik dronk / ik heb gedronken
81
What did you drink?
Wat heb je gedronken?
82
I drank tea with honey
Ik heb thee met honing gedronken
83
And what did you eat?
En wat heb je gegeten?
84
I ate egg with pancakes
Ik heb ei met pannenkoeken gegeten
85
Tasty breakfast
Lekker ontbijt
86
Hearty breakfast
Stevig ontbijt
87
Ah, that was a good breakfast
Ah, dat was een goed ontbijt
88
to be
zijn
89
to have
hebben
90
to drink
drinken
91
to eat
eten
92
I ate / I have eaten
ik at / ik heb gegeten
93
to stay
blijven
94
I stayed / I have stayed
ik bleef / ik ben gebleven
95
This morning I didn’t work
Vanmorgen heb ik niet gewerkt
96
What did you do this week?
Wat heb je gedaan deze week?
97
I worked on a project with Maria
Ik heb met Maria aan een project gewerkt
98
We ran the Dam tot Dam race
Wij hebben de Dam tot Dam race gerend
99
How was that? It was fun / nice / exhausting
Hoe was dat? Het was leuk / fijn / uitputtend
100
We felt happy because people cheered
Wij voelden ons gelukkig omdat de mensen aan de kant juichten
101
We felt happy because people supported us
Wij voelden ons gelukkig omdat de mensen ons steunden
102
to support
steunen
103
We were happy
Wij waren blij
104
to feel (oneself)
zich voelen
105
I bought the microwave
Ik heb de magnetron gekocht
106
Does it work? Yes, it’s okay
Werkt het? Ja, het is ok
107
My oven is broken
Mijn oven is kapot
108
This weekend I went to Zoetermeer
In het weekend ben ik naar Zoetermeer gegaan
109
There was a running race / half marathon
Daar was een hardloopwedstrijd / halve marathon
110
Did you join?
Heb je meegedaan?
111
No (join = meedoen)
Nee (meedoen)
112
Was your friend there?
Was daar jouw vriend?
113
Did your friend run?
Heeft je vriend gerend?
114
No
Nee
115
Why did you go to the marathon?
Waarom ben je naar de marathon gegaan?
116
Zoetermeer is near Delft
Zoetermeer ligt dichtbij Delft
117
So…
Dus…
118
secret
Geheim
119
after that / afterwards
Daarna
120
because
Omdat
121
but
Maar
122
I went to Zoetermeer because there was an interesting marathon
Ik ben naar Zoetermeer gegaan omdat er een interessante marathon was
123
I went to Zoetermeer because I wanted to eat well
Ik ben naar Zoetermeer gegaan omdat ik lekker wilde eten
124
I went to Zoetermeer because it’s a nice place
Ik ben naar Zoetermeer gegaan omdat Zoetermeer een leuke plek is