Irregular Verbs Flashcards

Practice irregular verbs. Meaning, past and past perfect tense (97 cards)

1
Q

bakken

A

bake, fry

bakte, bakten
gebakken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

bederven

A

spoil

bedierf, bedierven
(is) bedorven

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

beginnen

A

begin, start

begon, begonnen
is begonnen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

begrijpen

A

understand

begreep, begrepen
begrepen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

bewegen

A

move

bewoog, bewogen
bewogen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

bidden

A

pray

bad, baden
gebeden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

bieden

A

offer

bood, boden
geboden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

bijten

A

bite

beet, beten
gebeten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

binden

A

tie

bond, bonden
gebonden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

blazen

A

blow

blies, bliezen
geblazen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

blijken

A

appear

bleek, bleken
is gebleken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

blijven

A

stay, remain

bleef, bleven
is gebleven

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

braden

A

roast

braadde, braadden
gebraden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

breken

A

break

brak, braken
gebroken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

brengen

A

bring

bracht, brachten
gebracht

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

buigen

A

bend

boog, bogen
gebogen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

denken

A

think

dacht, dachten
gedacht

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

doen

A

do

deed, deden
gedaan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

dragen

A

carry, wear

droeg, droegen
gedragen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

drijven

A

float

dreef, dreven
gedreven

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

drinken

A

drink

dronk, dronken
gedronken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

druipen

A

drip

droop, dropen
(is) gedropen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

eten

A

eat

at, aten
gegeten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

fluiten

A

whistle

floot, floten
gefloten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
gaan
go ging, gingen is gegaan
26
gelden
apply, be valid gold, golden gegolden
27
geven
give gaf, gaven gegeven
28
gieten
pour goot, goten gegoten
29
glijden
slip, slide gleed, gleden is gegleden
30
graven
dig groef, groeven gegraven
31
grijpen
grab greep, grepen gegrepen
32
hangen
hang hing, hingen gehangen
33
hebben
have had, hadden gehad
34
helpen
help hielp, hielpen geholpen
35
heten
be called heette, heetten geheten
36
houden
hold hield, hielden gehouden
37
jagen
hunt jaagde, jaagden gejaagd
38
kiezen
choose koos, kozen gekozen
39
kijken
look keek, keken gekeken
40
klimmen
climb klom, klommen (is) geklommen
41
klinken
sound klonk, klonken geklonken
42
komen
come kwam, kwamen is gekomen
43
kopen
buy kocht, kochten gekocht
44
krijgen
get, receive kreeg, kregen gekregen
45
krimpen
shrink kromp, krompen is gekrompen
46
kruipen
crawl kroop, kropen gekropen
47
kunnen
be able kon, konden gekund
48
lachen
laugh lachte, lachten gelachen
49
lezen
read las, lazen gelezen
50
liegen
lie loog, logen gelogen
51
liggen
lie lag, lagen gelegen
52
lijken
appear, seem leek, leken geleken
53
lopen
walk liep, liepen is gelopen
54
mogen
be allowed to mocht, mochten gemogen
55
nemen
take nam, namen genomen
56
plegen
be in the habit placht, plachten ---
57
rijden
ride, drive reed, reden (is) gereden
58
rijzen
rise rees, rezen is gerezen
59
roepen
call riep, riepen geroepen
60
ruiken
smell rook, roken geroken
61
scheiden
separate scheidde, scheidden gescheiden
62
schenken
pour, give schonk, schonken geschonken
63
scheppen
create schiep, schiepen geschapen
64
scheren
shave schoor, schoren geschoren
65
schieten
shoot schoot, schoten geschoten
66
schijnen
shine, seem scheen, schenen geschenen
67
schrijven
write schreef, schreven geschreven
68
schrikken
be shocked schrok, schrokken is geschrokken
69
schuiven
push, shove schoof, schoven geschoven
70
slaan
hit sloeg, sloegen geslagen
71
slapen
sleep sliep, sliepen geslapen
72
sluiten
close sloot, sloten gesloten
73
snijden
cut sneed, sneden gesneden
74
spreken
speak sprak, spraken gesproken
75
springen
jump sprong, sprongen gesprongen
76
staan
stand stond, stonden gestaan
77
steken
stab, sting stak, staken gestoken
78
stelen
steal stal, stalen gestolen
79
sterven
die stierf, stierven is gestorven
80
stijgen
climb steeg, stegen is gestegen
81
treden
step trad, traden is getreden
82
treffen
hit trof, troffen getroffen
83
trekken
pull trok, trokken getrokken
84
vallen
fall viel, vielen is gevallen
85
vangen
catch ving, vingen gevangen
86
varen
sail voer, voeren (is) gevaren
87
vechten
fight vocht, vochten gevochten
88
verbieden
forbid verbood, verboden verboden
89
verdwijnen
disappear verdween, verdwenen is verdwenen
90
vergeten
forget vergat, vergaten (is) vergeten
91
verliezen
lose verloor, verloren verloren
92
vermijden
avoid vermeed, vermeden vermeden
93
vinden
find vond, vonden gevonden
94
vliegen
fly vloog, vlogen gevlogen
95
vouwen
fold vouwde, vouwden gevouwen
96
vragen
ask vroeg, vroegen gevraagd
97
vriezen
freeze vroor, vroren gevroren