Extra leren Flashcards

(115 cards)

1
Q

Volgorde spermatogenese

A
  1. Spermatogonia
  2. Primaire spermatocyten
  3. Secundaire spermatocyten
  4. Spermatiden
  5. Spermatozoa (rijpe zaadcellen)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Mitose (man)

A

in spermatogonia, om de stamcelpopulatie in stand te houden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Meiose I en II (man)

A

in primaire en secundaire spermatocyten om het aantal chromosomen te halveren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Spermiogenese

A

in spermatiden, om te differentiëren tot functionele spermatozoa.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Volgorde oognese

A
  1. Oogonia
  2. Primaire oocyten
  3. Secundaire oocyten
  4. Bevruchte eicel (zygote)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Mitose (vrouw)

A

Gebeurt vóór de geboorte in oögonia.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Meiose I (vrouw)

A

Wordt voltooid vlak vóór de ovulatie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Meiose II (vrouw)

A

Wordt alleen voltooid bij bevruchting.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat zijn polaire lichamen (vrouw)

A

De overgebleven kleine cellen van de meiose, die weinig cytoplasma bevatten en degenereren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Verschillen oogenese en spermatogenese

A
  • Tijd: Oögenese begint vóór de geboorte en pauzeert tweemaal, terwijl spermatogenese vanaf de puberteit continu doorgaat.
  • Celdeling: Eén oögonia produceert slechts één functionele eicel, terwijl een spermatogonia vier functionele spermatozoa produceert.
  • Cytoplasma: De oöcyt behoudt het meeste cytoplasma, terwijl spermatozoa dat verliezen.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Hoeveelste graad is een eeneiige tweeling genetisch aan elkaar verwant?

A

0e graad

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Hoe loopt de n. pudendus?

A

De n.pudendus gaat wel door de fossa ischioanalis en loopt caudaal van de m. levator ani

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat is een belangrijk verschil tussen de mitose en de meiose I fase?

A

Bij de meiose I fase moeten de zusterchromatiden bij de centromeren verbonden blijven en bij de mitose niet

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Het duale procesmodel

A
  1. Loss orientation: emotie coping
  2. Restoration orientation: aandacht naar andere dingen (activiteiten)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Rouwtaken van Worden

A
  1. Aanvaarding van de realiteit van het verlies
  2. Ervaring van de pijn van het verlies
  3. Aanpassing aan een nieuw leven zonder de overledene
  4. De draad weer oppakken
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat is de standaardbehandeling voor lokaal gevorderde cervixcarcinomen (stadium IIB en hoger)

A

chemoradiatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Wat is per juni 2019 het advies van de gezondheidsraad ten aanzien van de preventieve hPV (humaan Papilloma Virus)
vaccinatie?

A

Jongens en meiden vanaf 9 jaar

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Welke factoren kunnen bijdragen aan het ontstaan van neurale buisdefecten?

A

maternaal foliumzuurtekort, genetishe afwijkingen, maternale DM

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Op welke manier metastaseert een mola zwangerschap en in welke orgaan worden het vaakst metastasen gevonden?

A

Op welke manier: hematogene metastasering
In welke orgaan: longen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Wanneer ontwikkelt de gevoeligheid van het stress-systeem van het (on)geboren kind

A

vooral tijdens de zwangerschap en de eerste drie maanden na de geboorte.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Hormonen vroeg folliculair

A
  • FSH en LH laag
  • oestradiol laag
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Hormonen mid folliculair

A
  • FSH matig verhoogd
  • LH laag
  • oestradiol stijgend
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Hormonen periovulatoir

A
  • FSH verhoogd
  • LH sterk verhoogd (LH piek)
  • oestradiol zeer hoog
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Hormonen mid luteaal

A
  • FSH laag
  • LH laag
  • oestradiol matig
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Ploide (n)
Het aantal sets chromosomen: * 2n: Diploïd = twee sets chromosomen (moeder en vader). * 1n: Haploïd = één set chromosomen.
26
DNA inhoud (c)
Hoeveelheid genetisch materiaal: * 4c: Verdubbelde DNA-inhoud na DNA-replicatie. * 2c: Normale hoeveelheid DNA in een cel met één chromosoom per set. * 1c: Halve hoeveelheid DNA (een chromosoom zonder kopie).
27
Hunault score
* leeftijd vrouw * duur onvruchtbaarheid in jaren * eerder zwanger geweest? * verwezen door: huisarts of zelf gegaan naar gyn * hoeveel % zaad goed beweeglijk?
28
Welke steroïde hormonen spelen een cruciale rol bij het onderdrukken van weeën activiteit?
Progestagenen, zoals progesteron
29
graden van verwantschap
* 1e: ouders, kinderen * 2e: grootouders, kleinkinderen, broers en zussen * 3e: overgrootouders, achterkleinkinderen, neven en nichten, ooms en tantes * 4e: betovergrootouders, achterneven en achternichten, neven en nichten, oudooms en oudtantes
30
perinatale asfyxie
conditie van verminderde gasuitwisseling of inadequate bloedstroom die leidt tot persisterende hypoxemie en hypercapnie van het kind, die optreden rond de geboorte
31
APGAR
* ademhaling * pols * spierspanning * aspect/kleur * reactie op prikkels
32
Criteria asfyxie
* ernstige metabole of gemengde acidemie, vastgesteld in een monster van arterieel navelstrengbloed * APGAR <3 gedurende >5 min na geboorte * Klinische neurologische gevolgen in de directe neonatale periode, zoals convulsies, hypotonie, coma of hypoxisch-ischemische encefalopathie 2 vd 3 criteria nodig
33
maternale oorzaken asfyxie
* hypovolemie/shock * ernstig longlijden * hartgebreken * compressie v. cava inferior door uterus
34
placentaire oorzaken asfyxie
* placentaire insufficientie * abruptio placentae * placenta praevia, met bloedverlies * hypertonie en polysystolie van uterus
35
umbilicale oorzaken asfyxie
* navelstrengcompressie * omstrengeling van het kind * knoop in navelstreng * navelstrengprolaps ofwel uitgezakte navelstreng
36
foetale oorzaken asfyxie
* infecties (parvo B19 tijdens zwangerschap, opstijgende bacteriele infectie bij gebroken vliezen) * foetale hartritmestoornissen * foetomaternale transfusie * foetale bloedafbraak door bloedgroepantagonisme
37
beschermingsmechanismen asfyxie foetus
* affiniteit foetaal Hb voor zuurstof * redistributie foetale bloedstroom * autoregulatie foetale cerebrale circulatie
38
Hoe lees je een CTG af?
1. Tocogram (weeen) 2. Basis hartfrequentie 3. Variabiliteit 4. Acceleraties 5. Deceleraties
39
foetale tachycardie
> 150 bpm meer dan 10 min
40
foetale bradycardie
<110 slagen per min of afname >40 slagen >5 min, is meestal een acute reductie van oxygenatie van de foetus
41
normale variabiliteit foetale hartfrequentie
>5 slagen/min
42
abnormale variabilitieit foetale HF
<5 slagen/min
43
Hoe stijgt prolactine?
Ten gevolge van oestrogeen (er is directe stimulatie lactotrophe cellen en onderdrukking van hypothalaam dopamine)
44
Rol hCG
Kan leiden bij hoge spiegel tot maternale hyperthyreoidie, dit is geassocieerd met hyperemesis gravidarum.
45
Rol CRH
stijging ACTH en stimulatie bijnier
46
Waar kunnen hele hoge hCG spiegels op wijzen, met name toename van beta ketens?
mola zwangerschap
47
Wat gebeurt er bij een overmaat van hCG of beta hCG?
Er vormen complexen van signaalAb --> ongebonden hCG. Je krijgt een vals negatieve zwangerschapstest.
48
Waarvan is foetus afhankelijk voor bijnier steroidgenese?
placentair progesteron
49
Waarvoor zorgt progesteron?
* precursor voor foetale bijnier steroidgenese van corticosteroiden en mineralcorticoiden * remming uteruscontracties * behoud decidua/endometrium * immuunmodulatie ter voorkoming trofoblast
50
Waar zorgen oestrogenen voor?
* regulatie placentaire progesteron productie * borstklierweefselontwikkeling * maternale cardio-vasculaire adaptie * RAAS
51
Wat gebeurt er in myometrium bij bevalling
Toename van * gap junctions * oxytocine receptoren * prostaglandine receptoren
52
Wat zorgt voor de inductie van de baring?
prostaglandine
53
Wat moet je nagaan bij een zwangere?
* obstetrische/somatische aspecten * psychiatrische aspecten * verslaving/intoxicatie * psychosociale problematiek * verstandelijke beperking
54
Thompsonscore
voor asfyxie
55
Zet deze anatomische structuren in de juiste volgorde, beginnend vanaf de foetale zijde (kind) tot aan de maternale zijde
1 foetale capillairen 2 cytotrofoblast 3 syncytiotrofoblast 4 intervilleuze ruimte 5 spiraal arterieën
56
Syfilis stadium 1
3-90 dagen na blootstelling: pijnloos ulcus, lymfeklierzwelling
57
Syfillis stadium 2
4-30 weken na blootstelling: roseolen, exantheem, haaruitval, wratachtige afwijkingen, algemene ziekteverschijnselen
58
Syfilis stadium 3
3-15 jaar na blootstelling: gummata, neurosyfilis, vasculaire syfilis
59
Met welke vier nadelige effecten is een verlaagd maternaal foliumzuurgehalte geassocieerd?
* gehemeltespleet * laag geboortegewicht * miskraam * neuraal buis defect
60
Sinus urogenitalis, vrouw
blaas, urethra, vagina, urethrale klieren
61
Sinus urogenitalis, man
blaas, urethra, prostaat, bulbo-urethrale klieren
62
Primaire germinale cellen, vrouw
Eicellen
63
primaire germinale cellen, man
spermatozoa
64
Primaire geslachtsstrengen, vrouw
Deel van follikels
65
Primaire geslachtsstrengen, man
Tubuli seminiferi
66
Buis van Wolff, vrouw
epoöphoron, cyste van Gartner
67
Buis van Wolff, man
zaadleider, epididymis, vesicula seminalis
68
Buis van Muller, vrouw
eileider, uterus
69
Buis van Muller, man
appendix testis
70
Gonade, vrouw
ovaria
71
Gonade, man
testis
72
Tuberculum genitale, vrouw
Bulbus vestibuli, clitoris, corpus cavernosa
73
Tuberculum genitale, man
Corpora cavernosa, corpus spongiosum, glans penis
74
Urogenitale wallen, vrouw
Labia minora
75
Urogenitale wallen, man
Ventrale zijde penis
76
Labioscrotale wallen, vrouw
Labia majora
77
Labioscrotale wallen, man
Scrotum
78
gezonde seksuele ontwikkeling
1. intacte seksuele anatomie en endocrinologie 2. Intact brein 3. Overeenkomend fenotypisch geslacht en genderidentiteit 4. Affectrijk pedagogisch klimaat 5. Positief voorbeeldgedrag tav relationeel gedrag 6. Positieve boodschappen tav seksualiteit in informeel en formeel curriculum
79
gezonde seksualiteit
seksueel gedrag dat als egosyntoon en bevredigend wordt ervaren en waardoor geen schade wordt berokkend aan zelf of anderen
80
menopauze seksualiteit
* meer tijd, zorgen voor opwinding + lubricatie * stop met vaginale penetratie
81
markers kiemceltumoren
* A1FP, hCG, LDH
82
Markers seks cord stroma celtumoren
Inhibine A en B, oestradiol, AMH
83
trachelectomie
Verwijderen van cervix met parametria, uterus blijft in situ Dit doe je bij een sterke kinderwens. Contra-indicatie: tumor > 2 cm, technisch onmogelijk
84
PLISSIT model
* P: permission: normaliseren en erkennen * LI: limited information: geruststelling, zelfredzaamheid * SS: specific suggestion (counseling), simpele gedragsadciezen, timing van seks * IT: intensive therapy
85
medicatie met effect op erectie
* beta blokkers * levodopa * antipsychotica en antiepileptica * HIV medicatie * oxycodon
86
medicatie met effect op lubricatie
anticholinergica
87
medicatie met effect op verlangen
* SSRI * statines * OAC * GnRH agonisten of antagonisten * 5 alfa reductase remmers
88
Wat doet s-FLT1?
sFlt-1 veroorzaakt vasoconstrictie en endotheelschade, die kunnen leiden tot foetale groeirestrictie en pre-eclampsie.
89
PIGF pre-eclampsie
Deze is verlaagd bij pre-eclampsie
90
chlamydia
azitromycine eerste keus
91
gonorroe
ceftriaxon eerste keus
92
condylomata acuminta
Imiquimod creme eerste keus
93
herpes genitalis
valaciclovir eerste keus
94
syfillis
benzathinebenzylpenicilline of doxycycline
95
HIV
cART en PEP
96
Waardoor hyperthyreoidie tijdens zwangerschap?
hCG lijkt op TSH en kan binden aan die receptor en stimuleren om schildklierhormoon te maken --> vrij T4 stijgt hierdoor en zorgt voor hyperthyreoidie
97
Welke antistoffen voor hypothyreodie bepaling?
TPOAbs en TgAbs
98
Welke antistoffen voor Graves diagnose
TRAbs
99
Theca cellen
productie androstenedion en testosteron, progesteron
100
Granulosa cellen
* progesteron * oestrogenen * inhibine A (remt FSH)
101
Sertoli
Produceren verschillende hormonen AMH productie
102
Leydig
testosteron
103
SALT
Sertoli --> AMH Leydig --> Testosteron
104
Noodanticonceptie
* Morningafter: binnen 12 uur, 72 max * Koper spiraal: binnen 5 dagen
105
106
Je ziet een bleke patiënte met veel pijn. Zij heeft een pols van 100 slagen/minuut, bloeddruk 110/80 mmHg. De uterus is gespannen en ze heeft contracties à 3 minuten. Het CTG toont tekenen van foetale nood. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?
solutio placentae, je verricht in eerste instantie GEEN vaginaal toucher omdat er veel bloedverlies kan optreden met risico op shock Vaak is een keizersnede geindiceerd
107
Hoe presenteert een placenta praevia?
pijnloos vaginaal bloedverlies (varierend hoeveel), kan wel lage tensie en hoge pols geven
108
Risicofactoren placenta loslating
* maternale hypertensie * roken * cocaïnegebruik * buiktrauma
109
Bij speculumonderzoek wordt weinig vaginaal bloedverlies gezien. Tevens is er sprake van een zichtbare ontsluiting. Het CTG is fraai en er zijn geen tekenen van foetale nood. Bij vaginaal toucher is er 6 cm ontsluiting. Je vermoedt een partiële solutio placentae. Moet je nu een sectio caesarea verrichten?
Nee, wel zsm partus
110
Wat is het herhalingsrisico bij een solutio placentae?
15%. Er zijn geen specifieke preventieve maatregelen.
111
In welke structuren wordt geknipt? Benoem er minstens vijf.
- cutis - subcutis - bulbus vestibuli - klier van Bartholin (mogelijk) - m.bulbospongiosus - m. transversus perinei superficialis - membrana perinei; de fascie die het diafragma urogenitale caudaal begrenst - m. sphincter urethrovaginalis
112
Welke zenuw wordt bij de lokale verdoving bij een knip uitgeschakeld?
n. pudendus
113
criteria van Levene (er is sprake van asfyxie als 5 van de 6 criteria aanwezig zijn)
1. foetale nood (uitend in o.a. foetale bradycardie of andere CTG veranderingen) 2. meconiumhoudend vruchtwater 3. metabole acidose (nsPh (art) < 7,05 of eerste art astrup) 4. apgar score ( < 5 op 5 minuten) 5. hypoxisch-ischemisch encephalopathie (HIE), dmv Sarnat/Thompson score en/of vroege EEG afwijkingen 6. multi-organ failure (MOF); (meer dan 1 orgaan met uitzondering van de hersenen).
114
Wat zijn aanvullende onderzoeken om de lange termijn neurologische prognose vast te stellen bij pasgeborenen met perinatale asfyxie?
EEG, Echo hersenen, MRI hersenen, Klinisch onderzoek, laboratorium onderoek, evoked potentials
115