H2.5.3 tot EINDE Flashcards

(50 cards)

1
Q

Wat is categorisatie

A

dat we een concrete visuele prikkel onderbrengen in een algemene categorie. Als je een foto van een hond ziet kan je die op verschillende manieren interpreteren :
- Als uniek individu
- Als een hond
- Als een zoogdier
- …
Categorisatie is dus hierarchisch: één object kan tegelijk tot meerdere categorieen behoren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat zijn de 3 niveaus van categorisatie

A

1) Subordinaat niveau (meest specifiek)
- vb. poedel, golden retriever
2) Basisniveau (basic level)
- vb. Hond
- het meest spontane en natuurlijke niveau voor mensen
- voldoende informatieve waarde met weinig cognitieve inspanning
3) Superordinaat niveau (meest abstract
- vb zoogdier, dier
- categorie is heel breed en bevatten veel visuele variatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Waarom is categorisatie cognitief veeleisend

A
  • categorisatie vereist vooral op hogere niveaus
    -> abstractie: loskomen van concrete visuele details
    -> generalisatie: heel verschillende objecten toch als hetzelfde type herkennen
  • daarom is het moeilijk om te zeggen welke exacte visuele kenmerken horen bij zo’n abstracte categorie omdat vb muis , olifant en walvis totaal anders uitzien maar toch worden ze allemaal gecategoriseerd als dieren
  • suggereert dat categorisatie niet puur perceptueel is maar ook sterk cognitief en semantisch van aard is
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat is de studie van Thorpe et al bij snelle categorisatie van objecten

A
  • proefpersonen kregen kleurenfoto’s te zien, elke foto werd slechts 20 miliseconden getoond en verscheen maar 1 keer
  • een dier kon eender welk dier zijn, eender waar in het beeld staan, zelfs meerdere dieren bevatten
  • de taak was een go/no go taak. Go = druk op een knop als je een dier ziet, NO GO= geen knop indrukken als je geen dier ziet
  • RESULTAAT = ondanks de extreme snelheid en complexiteit waren de resultaten verrassend goed (94% correcte antwoorden). Mensen kunnen dus binnen een halve seconde beslissen of er een dier aanwezig is, zelfs met minimale visuele info
  • Er bleek ook een speed accuracy trade off = positieve correlatie tussen reactietijd en nauwkeurigheid, namelijk wie sneller antwoord maakt meer fouten en wie trager antwoord is accurater²
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Waarom is dat onderzoek van Thorpe zo belangrijk?

A
  • studie toont dat categorisatie op een hoog abstract niveau zeer snel en efficient kan gebeuren zelfs zonder gedetailleerde analyse van het object
  • suggereert dat het visuele systeem snel toegang heeft tot globale, categorie relevante info en dat categorisatie vroeg in de visuele verwerking kan plaatsvinden
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

In het experiment van Thorpe werd niet enkel gedrag gemeten maar ook…

A

Hersenactiviteit
- Terwijl proefpersonen de taak uitvoerden, werd de elektrische activiteit in de hersenen gemeten adhv 20 elektroden op de schedel
- Men kan dan de elektrische activiteit in de afzonderlijke elektroden dan relateren aan de perceptuele en cognitieve processen die zich aan de hersenen afspelen na aanbieding van de prikkel = EVENT RELATED POTENTIALS of ERPS

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat stelde men vast bij onderzoek van Thorpe et al adhv hersenactiviteit

A

dat de gemiddelde ERPs in de fontale elektroden significant verschilden tussen de go trials en de no go trials (geen dieren) vanaf ong 150-160ms na stimulus onset. Dit betekent dat de hersenen op dat moment voldoende info verwerkt hebben om een prikkel te categoriseren als dier of niet dier.

dat de reactietijden gem 300ms langer zijn heeft enkel te maken met de beslissings en uitvoeringsprocessen die volgen na de visuele verwerking

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Hoe verklaarde ze deze snelle categorisatie

A

Omdat het vooral steunt op snelle visuele feedforward processing
- het visuele systeem is in staat om uit een erg kort gepresenteerd beeld heel snel de essentiele kenmerken te extraheren die diagnotisch zijn voor de aanwezigheid van een “dier”
- welke kenmerken maken dat iets snel herkenbaar is als dier blijft een open vraag

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Waarom benadruken de auteurs de kracht en de snelheid van “feedforward” visuele verwerking bij Thorpe

A

Omdat we al weten dat er zo een tiental subcorticale en corticale tussestations zijn tussen de detectie van de prikkels door de receptoren in het netvlies en de frontale gebieden waar men de ERP-verschillen vaststelde, en elk station met die verwerking en transmissie zowat 10 tot 15 ms nodig heeft. Dus is er theoretisch weinig ruimte voor feedback-lussen tussendoor

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Welk kritiek en debat ontstond er na die Thorpe exp

A

1) Is dit echte semantische categorisatie of gebruiken proefpersonen simpele visuele trucs?
- Believers : het brein herkent echt dieren
- Non believers : het effect komt van simpele visuele statistieken, eenvoudige visuele cues zouden volgens hen aan de basis kunnen liggen van het effect zoals vb eenvoudige vaststelling dat foto’s van dieren die men op internet vindt, het dier vaak centraal staat

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat is de paradoxale bevinding van het basisniveau

A

Het duurt langer om te beslissen “is dit een hond” dan “is dit een dier”. Ook al is “hond” een kleinere homogenere categorie

Normaal volgens klassieke hierarchische modellen zou je verwachten dat door meer de basiscategorieen sneller gaan dan de superordinaat categorisatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat onderzochten Schyns en Olivia

A

onderzoek over de rol van lage en hoge spatiale frequenties in de snelle categorisatie van scènes

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat zijn spatiale frequenties?

A
  • LSF (low spatial frequencies): grove vormen, globale structuur; “blob”, wazige info
  • HSF (high spatial frequencies): scherpe randen, details, textuur, fijne structuur
  • LSF = kijken zonder bril , HSF = alleen randen en details
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat was de hypothese van Schyns en Olivia

A

De LSF geven snel info oer globale ruimtelijke organisatie, HSF zijn later nodig voor objectdetails en specifieke herkenning omdat LSF sneller verwerkt worden in het visuele systeem dan HSF en dus zou de scènecategorisatie zelfs sneller kunnen zijn dan objectherkenning

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Hoe haalden ze LSF en HSF uit elkaar bij zo een afbeelding

A

Door hybride afbeeldingen te creeeren waarin de HSF van één scène gecombineerd werden met de LSF van een andere. Zo kan men combinatie maken van afbeeldingen van twee scènes tegelijk elk op een andere spatiale schaal

De vraag is nu welke scène ziet de proefpersoon?

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Leg het eerste experiment uit van Olivia en Schyns waarbij een semantisch label eerst gegeven werd

A
  • Proefpersonen krijgen vooraf een label vb. strand
  • daarna zien ze een hybride beeld
  • Taak = ja/nee, komt dit overeen met het label
  • Twee condities presentatieduren: zeer kort (30ms) of kort (150ms)
    RESULTATEN
  • bij 30 ms = 63% correct als target in LSF, 28% correct als target in HSF = met heel korte tijd domineert LSF
  • bij 150 ms = 18% correct als target in LSF en 86% correct als target in HSF = met iets meer tijd neemt HSF over

=> coarse to fine verwerking (in het begin gebruikt visuele systeem grove informatie (LFS) later schakelt het over naar fijnere details (HFS))

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Welke kritiek kregen Olivia en Schyns bij hun eerste experiment met semantische label vooraf

A

Dat het vooraf geven van een semantisch label een top-down verwachting kan stimuleren. misschien zochten proefpersonen dus actief naar dat label en zagen ze niet spontaan de scène

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Welk experiment voerde Olivia en Schyns dan uit als reactie op dat kritiek

A

Experiment ZONDER label maar met een ruis
- Er werde twee beelden vlak na elkaar getoond (elk 45 ms)
- ofwel eerst LSF target + HSF ruis gevolgd door HSF target + LSF ruis = coarse to fine verwerkingsvolgorde , of te wel omgekeerd
- er werd vervolgens gewoon gevraagd aan de proefpersonen om te benoemen wat ze zagen
RESULTAAT
- in 67% van de gevallen gaven ze het antwoord dat overeenkwam met de targetscène in de coarse to fine verwerkingsvolgorde terwijl ze dit slechts in 29% van de gevallen deden voor de omgekeerde volgorde
= zonder label, zonder instructie kiest het brein spontaan voor LSF eerst. Sterk evidentie voor aanvangshypothese dat snelle scèneperceptie meestal gebaseerd is op de LSF

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

wat toonde ze later nog aan

A

dat LSF en HSF vanaf het begin worden verwerkt maar het systeem selecteer flexibel afhankelijk van de taak. Dus SOMS zijn details belangrijker = HSF, soms globale structuur belangrijker = LSF

Toont de flexibiliteit van visuele informatieverwerking

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Wat was het onderzoek van Olivia en Toralba in 2006 om te achterhalen welke scène eigenschappen men kan extraheren uit vrij eenvoudige beeldkenmerken

A
  • Tonen aan dat je een scène zeer snel kan herkennen op basis van globale beeldkenmerken zonder eerst objecten te herkennen. je brein hoeft vb geen stoel, boom of auto te vinden om te weten dat je naar een strand , stad of bos kijkt
  • Vertreken vanuit standpunt dat een scène als geheel een eigen visuele eigenschappen hebben die je diect kan afleiden uit het globale beeld. geen objecten of segmentatie nodig = SPATIAL ENVELOP PROPERTIES
  • als men de beeldeigenschappen van spatial envelope properties in een multidimensionele plot weergeeft kan men, hierin vrij goed verschillende scènes terugvinden als een combinatie van beeldkenmerken
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Wat is spatial envelope properties

A

de globale ruimtelijke structuur van een scène. Het bevat 7 globale scènekenmerken :
- openheid (ruimte open of gesloten?)
- expansie
- gemiddelde diepte
- temperatuur (warm of koud?
- transientie (is er beweging?)
- beschutting (hoeveel een scène je het gevoel geeft om omgeven, afgeschermd of beschermd te zijn door structuren in de omgeving)
- navigeerbarheid

vb; strand
-> open, grote diepte, zachte herlderheidsovergangen, weinig obstakels, goed navigeerbaar. Je ziet dit in 1 oogopslage zelfs in een wazig beeld

22
Q

Wat is ruwheid

A

hoe snel helderheid verandert over het beeld
- zachte verloop : natuurlijke scènes (strand, sneeuw, lucht)
- hard verloop : artificiele scènes (gebouwen, straten)

23
Q

Wat toonde Greene en Oliva later nog aan

A

Mensen in staat zijn om deze globale beeldeigenschappen snel te extraheren, zelfs als het beeld bijna meteen wordt weggehaald

  • voor het echt exp begon leerden proefpersonen de 7 globale scène eigenschappen kennen en leerde ook de juiste labels gebruiken (dit deden ze zodat fouten later niet door verwarring kwamen)
  • Vervolgens werden beelden getoond tussen 10 en 200 ms onmiddelijk gevolgd door dynamische maskers (4 andere kleurbeelden elk van 20ms, was om te verhinderen dat proefpersonen het beeld langer naverwerkten).
  • Je meet dus pure, vroege visuele verwerking
  • Na elk beeld moesten proefpersonen ja/nee vragen beantwoorden. Er waren 14 mogelijke taken
    ->7 over globale beeldeigenschappen
    ->7 over scènecategoieën
    RESULTAAT
  • Hoe langer het beeld zichtbaar was hoe beter de prestatie (logisch)
  • Maar al bij 20-70ms haalden proefpersonen 75% correct
    = één ultrakorte blik is genoeg om de essentie van een scène te vatten
24
Q

Welke theorie en waarom ontwikkelde Neisser die

A
  • “analyse door synthese”
  • Van Neisser ( een vd grondleggers cognitieve psych)
  • theoretisch model waarin hij aantoonde dat de te simpele lineaire modellen van informatieverwerking niet klopten
  • bekritiseerde oudere modellen die dachten dat stimulus binnen komt, gaat door een filter, wordt stap voor stap geanalyseerd, betekenis verschijnt aan het einde
    -> dat is passief , sequentieel en stimulus gedreven
  • Neisser zegt : dat klopt niet met hoe mensen waarnemen
25
Wat hield de "anayse door synthese" in
- hij zei dat binnenkomende prikkels niet passief en doelloos door filters verwekt worden maar steeds in het licht van hypothese die als een momentane synthese beschouwd kunnen worden van de beschikbare bottom-up info en top-down kennis. - Het brein vormt dus onmiddelijk een hypothese over wat er aan de hand is gebaseerd op eerdere kennis, verwachtingen , context, grove input = MOMENTANE SYNTHESE (voorlopige best guess van de wereld) - Die hypothese stuurt vervolgens waar je op let, bepaalt welke details relevant zijn , wordt voortdurend getest en bijgesteld obv binnenkomende prikkels - Je analyseert dus in functie van een hypothese niet blind of doelloos - Hij benadrukte ook dat perceptie altijd ontstaat uit mengeling van bottom up info (wat zintuige aanleveren) en top down kennis (verwachtingen, ervaring). TEGELIJK EN WEDERZIJDSE BEINVLOEDING - er is ook geen nette volgorde van stap 1 -> stap 2 -> stap 3. Ze werken tegelijk en informatie circuleert continu heen en weer
26
Tegen wat gingen Hochstein en Ahissar tegen door een nieuwe theorie erond op te bouwen
- waren tegen de klassieke visie van corticale hierarschie -klassieke idee vd corticale hierarchie was dat lage visuele gebieden (V1 V2) eenvoudige kenmerken verwerken vroeg in de tijd en hogere gebieden (IT, LOC, PFC) complexe categorieen laat in de tijd verwerken -dus Laag = vroeg, hoog = laat -
27
Wat was de theorie van Hochstein en Ahissar dan?
Reverse Hierarchy Theory Maakte fundamenteel onderscheid tussen 2 dingen die vroeger door elkaar liepen: 1) structurele anatomische aspecten 2) Functionele, procesmatige aspecten = die twee zijn niet automatisch gekoppeld Stap 1) de feedforward sweep - gebeurt heel snel - wanneer een beeld verschijnt gaat visuele info super snel omhoog van V1 naar hogere visuele gebieden zonder veel detailanalyse - vooral gebaseerd op grove info, lage spatiale frequenties en globale patronen - In hoge visuele gebieden ontstaat dan al heel snel een hypothese - dit gebeurt binnen de 100ms voor gedetailleerde analyse, hoge gebieden zijn dus vroeg actief STAP 2) trage, iteratieve feedback - pas daarna gaan hogere gebieden top-down signalen terug sturen naar lagere visuele gebieden - die lagere visuele gebieden hebben kleine receptieve velden en zijn goed in detailanalyse - hier worden randen, kleine features, lokale details uitgezocht - proces is trager en afh van taak en aandacht
28
Waarom heet hun theorie de Reverse HIerarchy theory?
omdat in de klassieke hierarchie zeggen ze laag = vroeg en hoog = laat terwijl bij deze is het hoog = vroeg en laag = laat. Daarom dus everse, omdat de informatielogica in de tijd omgekeerd is van de klassieke
29
Wat zeggen Hochstein en Ahissar over low-level en high-level
Onderscheid tussen low level en high level processing in de spatiale zin en early en late processing in de temporele zin
30
Wat hebben Bar en zijn collega's ontwikkeld?
maakte een concreet model over de verwerking van HSF en LSF in functie van de tijd obv al de studies van biedermans, schyns , oliva,... Volgens hen word LSF van het beeld heel snel doorgestuurd naar de prefrontrale cortex (PFC) waar hpothese gegenereerd worden zowel over de scènecontext als over de globale vorm van de cruciale voorwerpen in de scène. Deze hypothese worden dan teruggekoppeld en in een tragere feedforward stroom gecombineerd met de HSF van een verdere beeldanalyse (= re-entral processing) die allle stadia doorloopt van V1 tot ITC.
31
Welke twee grote alternatieve benaderingen zijn er nog gekomen die niet goed passen bij wat vooraf gevonden werd en zich zelfs er expliciet tegen af zetten
1. Ecologische benadering van James Gibson 2. De computationele benadering van David Mar
32
Wat is de ecologische benadering van James Gibson
- vertrekpunt = waarneming staat steeds ten dienste van zinvol gedrag in een zinvolle omgeving. We neme dus niet waar en handelen daarna , we nemen waar om te handelen - Nadruk op ecologische validiteit
33
Wat was James Gibson zijn belangrijkste boek
"The ecological approach to visual perception" - Hier staat de omgeving centraal als bron van stimulatie en daarin spelen vooral oppervlakken een belangrijke rol. Opvallend voor Gibson is dat in de omgeving normaal veel meer info beschikbaar is dan vroeger werd gedacht.
34
Wat zei Gibson over het probleem van grootteconstantie
- Volgens hem levert die omgeving directe informatie over afstand en schaal. Grootte en afstand hoeven dus niet uitgerekend te worden uit een armzalig signaal, ze zijn al aanwezig in de invarianten van het optische veld - Het grootteconstantie probleem ontstaat volgens hem pas omdat je jezelf blind maakt voor bijna alle relevante info. Als je beschikbare info tot "het object" beperkt dan lijkt grootte inderdaad ambigu. maar in de echte wereld verschijnt een object nooit geisoleerd. Het is altijd ingebed in een gestructureerde omgeving die rijk is aan info - Die omgeving levert directe info over afstand en schaal. Grootte en afstand hoeven dus niet uitgerekend te worden uit armzalig signaal. Ze zijn al aanwezig in de invariaten van optische veld
35
Wat zijn hogeren-ordevariabelen
Informatiepatronen die niet uit één enkel sensorisch element komen, maar uit de relatie tussen meerdere elementen of hun verandering in de tijd, en die rechtstreeks betekenisvolle eigenschappen van de wereld specifieren Geen losse prikkels maar georganiseerde structuren in de prikkels
36
Wat zijn lage-orde variabelen
lichtsterkte op één punt, kleur op één bepaalde plek, lokale beweging. Whet is arm aan betekenis
37
waarom vind gibson die hogere ordeviarabelen zo belangrijk
- omdat hij stelt dat perceptie niet werkt door interne berekening maar door directe detectie van hogere-ordevariabelen die al in de wereld gespecificeerd zijn = DIRECT PICK UP - ze worden direct als dusdanig eregistreerd door het visuele systeem, niet berekend uit lagere ordevariabelen (vb lijnen en hoeken)
38
Welke studie besteede gibson het meest aandacht aan dan?
ECOLOGISCHE OPTICA = de studie van het licht als bron van informatie over de omgeving
39
Welk 2 soorten licht onderscheid men bij ecologische optica
1. Stralingslicht - is afkomstig ven een lichtbron en kan enkel info bevatten over de lichtbron zelf 2. Omgevingslicht - is afkomstig uit de omgeving - kan ook info bevattenover voorwerpen uit de omgeving - zo zal het patroon van zulk licht veel zeggen over de aard van het oppervlak en de ruimtelijke positie ervan
40
Wat is optic array
het gehele patroon van licht dat op een waarnemer invalt vanuit de omgeving -> niet één lichtstraal, niet enkel wat op één punt van het netvlies valt -> maar ALLE lichtstralen uit ALLE richtingen gestructureerd door oppervlakken, randen, texturen, objecten,...
41
Wat zijn invarianten
datgene wat onveranderd blijft onder een bepaalde groep van transformaties. De wereld verandert voortdurend: jij beweegt, objecten bewegen,,lichtcondities veranderen... Toch blijven objecten herkenbaar en stabiel. Het visueel systeem kan invarianten detecteren, eigenschappen die gelijk blijven ondanks verandering vb. een rand blijft een rand als je beweegt. Structuur zelf blijt dus constajt
42
Wat zijn transformationele invarianten
niet een vaste vorm , maar een vast patroon van verandering zo zijn er in het echte leven dingen die echt veranderen: gezichten veroudederen, lichamen groeien... Dan blijft de vorm juist niet gelijk maar de veranderings patroon wel
43
Wat is de optic flow
de stroom van optische elementen die ontstaat in de optic array van een bewegende waarnemer als je als waarnemer aan een snelheid beweegt in de ene richting, dan is er vlakbij een optic flow met een snelheid in de andere richting. Verderaf is er een stroom die silstaat of met je mee beweesgt de richting en snelheid van de optic flow is een directe functie van de aftand tov de bewegende waarnemer = BEWEGINGSPARALLAX
44
Wat is optical looming
het snel expanderende flow fiel tegenover van een snel naderend voorwerp. Vb een bal die op je afkomt De focus of expansion in een optic flow field geeft aan waar je als waarnemer naartoe beweegt
45
wat is TAU
een hogere orde invariant = de verhouding van de grootte in het netvliesbeeld tot de sterkte van de verandering van die grootte over de tijd. Het specifieert hoe lang men nog heeft vooraleer men het oppervlakte zal raken (time-to-contact)
46
Wat is 'affordances"
een zelfverzonnen woord van Gibson waar hij verwijst naar eigenschappen van voorwerpen die in directe relaties staan met het gedrag van de waarnemer. Wat een object toelaat dat je ermee doet gegeven jouw lichaam, doelen en mogelijkheden Welke handelingen maakt het object mogelijk
47
wat bedoeld gibson met "do not ask what is inside your head but what your head is inside of"
als men kan aantonen dat de visuele info voldoende ijk is om alles te specifieren wat nodig is om je gedrag te kunnen aanpassen aan de omgeving, dan hoeft de waarneming die informatie enkel maar te detecteren. Perceptie dan beperkt tot directe pick up van de invarianten uit de visuele info
48
Wat is dus het grootste verschil tussen gibson en alle eerdere perceptietheorien die stellen dat waarneming indirect is
- eerdere: dat arme sensaties naar rijke percepties gaan door middel van tussenligende processe, zoals perceptuele orhanisatie en onbewust inferentie - Gibson = waarneming is direct , zonder tussenliggende processen
49
Hoe noemen we de theorie van gibson en de theorie van eerder perceptieontwikkelings theorien
Gibson = DTP (directe perceptietheorie) Eerdere = ITP (indirecte perceptietheorie)
50
Wat zijn de essentiele aspecten van de tegenstelling tussen indirecte en directe perceptietheorieen
INFORMATIE - ITP: de wereld is arm aan informatie en moet dat zelf aanvullen - DTP: de wereld is rijk aan informatie PERCEPTIE - ITP: verrijking, de input is arm dus moeten ze het verijken - DTP: detectie LICHT - ITP: energie, licht is vooral fysieke energie die het oog prikkelt (input als signaal) - DTP: informatiedrager, niet enkel energie maar ook gestructureerde energie die vertelt over de omgeving VARIABELEN (welke meetbare dingen de theorie als basis neemt) - ITP: lagere orde, lokale simpele features. Helderheid op 1 punt, contrast op een rand - DTP: hogere orde, patronen over ruimte en tijd: optic flow, textuurgradienten, relaties tussen de veranderingen OPTICA= hoe je beschrijft wat licht doet en welke info daarin zit - ITP: fysisch; lichtstralen, projectie op retina, beeldvorming - DTP: ecologisch: optica als licht in een omgeving voor een actor. hoe structuur in het licht ontstaat door oppervlakken, objecten , beweging,... ZINTUIGEN - ITP: passieve kanalen, zintuigen zijn vooral ingangen die data leveren aan het brein - DTP: actieve perceptuele systemen, zintuigen zijn systemen die actief zoeken/afstemmen: ogen bewegen, hoofd raait, ACTIVITEIT - ITP : elaboratie - DTP: exploratie, actief bewegen en kijken om info te vinden of te genereren OMGEVING WAARNEMER - ITP: dualisme , duidelijke scheiding wereld buiten en representaties binnen - DTP: ecosysteem, waarnemer en omgeving vormen één functioneel geheel EMPIRISCH ONDERZOEK - ITP: reductie van de stimulus, je maakt de stimulus simpel/controleerbaar zodat je interne processen kan isoleren - DTP: onderzoek van stimulus zelf, je bestudeerd hoe rijk de echte stimulus is