H5 Flashcards

(64 cards)

1
Q

Wat is mental imagery?

A
  • Mentale verbeelding
  • proces van denken in beelden of beelden oproepen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat is de mental imagery debate?

A
  • debat over wat mentale beelden eigenlijk zijn, niet of we ze hebben of niet, maar hoe ze in het brein gerepresenteerd zijn
  • Zijn mentale beelden PICTURAAL (beeldachtig) of PROPOSITIONEEL (taal/codeachtig?)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Welke 2 visies zijn er binnen het mental imagery debate

A

1) IMAGERY BENADERING:
- vooral verdedigd door Kosslyn
- zeggen dat mentale beelden visueel zijn
- gestructureerd zoals echte beelden
- ruimtelijk georganiseerd
- deels gebaseerd op dezelfde hersengebieden als visuele perceptie

2) PROPOSITINELE REPRESENTATIES
- vooral verdedigd door Pylyshyn
- mentale beelden zijn symbolische beschrijvingen
- abstract en taal achtig
- beeldervaring is een bijproduct van interpretatie
- het brein rekent dus en jij ERVAART het als een beeld

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Welke bekende experimentele evidenties zijn er voor de imagery positie binnen het mental imagery debate

A
  • Mentale rotatie
  • Scan-tijden
  • Neuro-imagining
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat is de mentale rotatie experiment

A
  • klassiek exp van Shepard en Metzler
  • gevraagd aan proefpersonen om zo vlug mogelijk beslissen of complexe blokkenpatronen gelijk waren of niet
    ->degene die als niet gelijk bestempeld waren waren gespiegeld zodat ze niet op elkaar gelegd konden worden
  • resultaat = tijd die proefpersonen nodig hadden voor hun beslissing een mooi lineaire functie van het hoekverschil tussen de beide te vergelijken blokkenpatronen zowel wanneer ze enkel in het beeldvlak van elkaar verschilden als wanneer ze in de diepte van elkaar verschilden
  • suggereerd dat proefpersonen de blokkenpatronen mentaal roteren om ze te doen overlappen
  • net zoals bij een echte fysische rotatie duurt de mentale rotatie langer naarmate over een grotere hoek gedraaid moet worden
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Hoe werd die mentale rotatie later experimenteel bevestigd?

A

In de klassieke mentale-rotatietaak nam de reactietijd sterk toe naarmate het hoekverschil groter was. Later bevestigde men dat dit kwam door mentale rotatie zelf door eerst per proefpersoon de rotatiesnelheid te meten en hen het object vooraf mentaal te laten roteren. Wanneer het tweede object werd gepresenteerd op het moment dat de mentale rotatie voltooid zou moeten zijn, bleek de reactietijd veel sneller en onafhankelijk van het hoekverschil. Dit toont aan dat de eerder tragere reactietijden veroorzaakt werden door het rotatieproces zelf. Dit toont mentale rotatie aan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Niet alleen mentale rotatie-experimenten, maar ook andere studies tonen aan dat we objecten in het geheugen voorstellen op een manier die hun vorm en grootte behoudt, en dat deze mentale voorstellingen zich gedragen zoals echte objecten in ruimte. Welke? geef die van Paivio

A
  • experiment gedaan waarbij proefpersonen het voorwerp moesten kiezen dat in werkelijkheid het grootste is uit een paar van voorwerpen die ofwel afgebeeld stonden, ofwel met een woord aangeduid waren
  • 3 belangrijke resultaten :
    1) taak was gemakkelijker met beelden dan met woorden
    2) de antwoorden werden vlugger gegeven naarmate het verschil in ware grootte tussen beide voorwerpen groter was (ppf kozen sneller auto in vergelijking met vlieg dan met hond = SYMBOLISCH AFSTANDSEFFECT)
    3) de taak kan worden bemoeilijkt door het verschil in afgebeelde grootte te doen afwijken van het verschil in ware grootte (vb als men auto kleiner tekend dan hond , vraagt het antwoorden meer tijd)
  • Dit is geen algemene bevinding want dit incongruentie effect treed niet op met verbale labels die in rootte gevarieerd waren.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat is het symbolisch afstandseffect

A

Hoe groter het verschil tussen 2 symbolische grootheden, hoe sneller en accurater mensen ze kunnen vergelijken. het gaat niet om fysieke afstand maar afstand in betekenis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat was het onderzoek van Kosslyn dat ook toonde dat objecten in het geheugen voorgesteld worden op een manier ie hun vorm en grootte behoudt en dat deze mentale voorstellingen zich gedragen zoals echte objecten in de ruimte

A
  • vroeg aan een proefpersoon om zich voorwerpen van verschillende grootte in te beelden en hij stelde dan diverse vragen over bepaalde onderdelen ervan.
  • proefps moest vb kat en olifant voorstellen in 1 conditie en kat en een mug in de andere conditie
  • in de eerste conditie zal kat veel kleiner zijn dan in tweede conditie als men aanneemt dat de gemiddelde grootte van alle visuele voorstellingen ongeveer dezelfde is.
  • Als Kosslyn dan vroeg “heeft de kat oren?” dan ging dit vele beter en sneller wanneer kat naast mug voorgesteld werd dan naast olifant
  • idee hier achter is dat onderdelen duidelijker zichtbaar zijn in grotere beelden dan in kleinere
    => MENTALE BEELDEN DELEN DUS EEN AANTAL EIGENSCHAPPEN MET ECHTE BEELDEN
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wat is één van de grootste verwantschappen tussen mentale beelden en echte beelden?

A
  • Mensen kunnen ze allebei visueel aftasten of SCANNEN
  • blijkt uit onderzoek van Kosslyn
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Geef het onderzoek van Kosslyn waarbij hij aantoont dat mensen zowel mentale beelen als echte beelden visueel kunnen aftasten of SCANNEN

A
  • proefpersonen kregen lijnen te zien waarop telkens drie letters stonden
    -> de afstanden tussen de letters varieerden, soms stonden letters dicht bij elkaar en soms ver
    -> De letters konden ook in verschillende volgordes staan
  • Proefpersonen moesten ze goed inprenten want nadien werden ze verwijderd
  • Werd aan proefpersonen gevraagd om zich goed te concentreren op 1 uiteinde van de lijn en om te bepalen of een bepaalde letter in hoofdletters stond of klein
  • 2 onafhankelijke variabelen gemanipuleerd:
    1) De afstand van de “focus” punt tot de bedoelde letter
    2) Aantal tussenliggende letters tussen de focus en de “target”-letter
  • Resultaat = beide variabelen hadden een significant effect op de reactietijd: nam toe naarmate er meer tussenliggende letters voorkwamen en naarmate de tussenliggende afstand groter werd
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Waarom zijn de verbeeldingsprocessen zeker niet identiek aan de visuele perceptieprocessen

A

Want de effecten die gevonden zijn bij de studies komen niet voor bij verbeelding door mensen die blind zijn vanaf de geboorte

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat is priming

A
  • verwijst naar alle fenomenen waarbij de aanbieding van een eerste prikkel effect heeft op de verwerking van een tweede prikkel of op later gedrag
  • Kan ook optreden zonder bewuste ervaring wat maakt dat het fenomeen potentieel grote impact kan hebben op het gedrag
  • Priming berust op impliciete geheugen ipv expliciete geheugen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat is de directe of repetition priming

A
  • een prikkel wordt hier gewoon herhaald.
  • Latere aanbiedingen van eenzelfde prikkel worden dan sneller verwerkt
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat zijn perceptuele priming en conceptuele priming

A

= beide waarin de tweede prikkel geen exacte kopie is van de eerste prikkel
- Perceptuele priming
->er is een perceptuele gelijkenis tussen “prime” en “target” (vb klank, lettertype,…) zodat de perceptuele verwerking sneller kan verlopen door gebruik te maken van gelijkaardige verwerkingscomponenten of het reactiverevan eerder geactiveerde representaties

  • Conceptuele priming
    -> geen perceptuele gelijkenis maar wel verwantschap op betekenisniveau
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Welk onderscheid kan men nog maken tussen conceptuele en perceptuele priming

A
  • Semantische priming ifv aard van de betekenisrelatie
  • Associatieve priming ifv aard van de betekenisrelatie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Wat is semantische priming

A

“prime” en “target” komen uit eenzelfde semantische categorie of delen ze veel semantische eigenschappen (vb wolf en hond)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Wat is associatieve priming

A
  • sterke associatie tussen “prime” en “target” maar niet noodzakelijk doordat ze uit eenzelfde semantische categorie komen (vb koe en melk)
  • deze priming berust op activatiespreiding in neurale netwerken waarin beide items in tal van eerdere ervaringen samen voorkwamen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Wat is context priming

A

Door associaties kan men ook een representatie van een context activeren waarin “target” met grote waarschijnlijkheid voorkomt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Wat is affectieve priming

A

emotionele waarde (valentie) van eerdere stimulus beinvloed onbewust hoe snel en positief of negatief je een volgene stimulus verwerkt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Wat is responspriming

A
  • iets waarvoor je moet oppassen
  • Een prime kan namelijke niet alleen de verwerking van de target beinvloeden, maar ook al een antwoord activeren , gebeurt vaak wanneer prime en target sterk op elkaar lijken en wanneer ze tot dezelfde responscategorie horen
  • de snellere reactietijd kan dus deels komen doordat de respons al klaarligt, niet omdat de target sneller wordt herkend => responsfacilitie
  • belangrijk dus goedebasislijnconditie te hebben : een geen voorafgaande aanbieding of een neutrale prime conditie vb
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Wat is masked priming

A
  • de prime zó kort en zó goed gemaskeerd wordt aangeboden dat de proefpersoon zich er niet bewust van is, maar waarbij die prime toch het gedrag beïnvloedt.
  • Iets wat je niet bewust ziet kan toch je reactie sturen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Wat is subliminale priming

A

priming waarbij de prime onder de bewustzijnsdrempel wordt aangeboden zodat de proefpersoon zich niet bewust is van de stimulus, maar die toch invloed heeft op gedrag of verwerking

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Wat was de perceptuele priming studie van Biederman en Cooper

A
  • wou zijn recognition by components theorie over voorwerpsherkenning toetsen door priming studie
  • poefpersonen zagen lijntekeningen van alledaagse objecten
  • voor elk voorwerp in de set waren er 3 soorten gefragmenteerde afbeeldingen:
    -2 gefragmenteerde versies die perfect complementair waren
    -ook gefragmenteerde lijntekening van een ander exemplaar van hetzelfde voorwerp
  • Proefpersonen moesten de gefragmenteerde lijntekeningen zo snel mogelijk benoemen met de naam van de basiscategorie
  • Een object werd dus eerst getoond als prime en later opnieuw als target: Soms was dat identiek of complement van de ene of dezelfde categorie maar een ander exemplaar
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Wat waren de resultaten van de priming studie van Biederman en Cooper?
- Zowel op de reactietijd als op de performantie kon een priming-effect vastgesteld worden: ze antwoorden sneller en correcter - Dit wel ALLEEN VOOR objecten waarvan ze eerder al een variant gezien hadden: -> identieke lijntekeningen: prime dus exact hetzelfde lijntekening als de target. Alles hetzelfde. Logisch dat je het snel herkent -> Complementaire lijntekeningen: prime toont dus deel A van object en target toon deel B. Geen overlap in lijnen -> Priming is hier toch even sterk als in de identieke conditie. Ook al word er geen enkele lijn herhaald -> Bij conditie met eenzelfde naam maar verschillende exemplaar ook priming-effect maar kleiner => het brein gebruikt dus niet specifieke lijnen maar een abstracte structurele representatie van het object
26
Wat concludeerde Biedermans uit die studie
-Bij voorwerpsherkenning gebruikt het brein geen lage-level visuele details zoals exacte lijnen of pixels, omdat priming even sterk is bij complementaire fragmenten die geen enkele visuele overlap hebben. Het kan dus niet gaan om herhaling van visuele kenmerken. -Tegelijk gaat het ook niet om hoge-level semantische representaties, omdat de priming optreedt bij zeer korte en puur perceptuele primes, zonder dat proefpersonen het object bewust hoeven te herkennen of benoemen. -Daarom concludeert Biederman dat objectherkenning steunt op mid-level structurele representaties, bestaande uit de belangrijkste objectdelen (geons) en hun ruimtelijke relaties, die geactiveerd worden door zowel identieke als complementaire fragmenten.
27
Wat is short term priming en hoe werd die onderzocht
- priming waarbij prime en target kort na elkaar worden aangeboden (klein interval) - Wouden testen of je objectherkenning kan faciliteren door HEEL kort een deel van dat object te tonen, zo ja welk soort deel werkt dan? - Gaat hier om ONLINE PRIMING : effect dat onmiddelijk optreedt terwijl je nog aan het kijken bent - De proefpersonen kregen heel kort deel van een lijntekening te zien. Dat deel kon een goed , slecht deel zijn of een neutrale baseline - Onmiddelijk daarna verschijnt een volledige lijntekening van een object. Het is de bedoeling het object zo snel mogelijk te benoemen adhv reactitijd - GOED DEEL= structureel informatief - SLECHT DEEL = weinig structurele info
28
Wat waren de resultaten rond de studie bij short term priming
- Significante reductie in reactietijd ALLEEN wanneer de prime een goed deel was - Veel minder effect bij slechte delen of bij neutrale baseline => mensen herkennen dus het volledige object sneller als ze net daarvoor een structureel informatief deel hebben gezien => ONLINE FACILITATIE
29
Wat is online facilitatie?
Vergemakkelijking van objectherkenning doordat een voorafgaande stimulus onmiddellijk gevolgd wordt door de target, waardoor perceptuele verwerking online gefaciliteerd wordt.
30
Wat is de studie waarbij ze LSF-gefilterde beelden als "prime" gebruikte en manipuleerde het interval tussen de prime en de target
- Vonden ook priming-effecten die afhankelijk waren van het aantal en de selectiviteit van de LSF- primes? -> meer consistente LSF-informatie = sterkere priming -> minder consistente LSF informatie = slechtere priming - vb hoge selectiviteit : LSF die bijna alleen bij een piano past = sterke priming b lage selectiviteit: LSF die bij veel objecten zou kunnen passen = zwakke/geen priming - de prime werkt niet als geheugensteun, maar als vooraf geactiveerde verwachting. - ook wel genoemd als "online short term perceptuele priming" = omdat de prime onmiddelijk effect heeft, er geen lange tijd tussen prime en target is, het effect tijdens de perceptie zelf gebeurt en niet via langdurig geheugen
31
wat is LSF gefilterde beelden
beelden waarin alle hoge ruimtelijke frequenties zijn weggefilterd, zodat alleen de globale, grove structuur overblijft.
32
Wat is onbewste semantische priming
een priming-effect waarbij de betekenis van een stimulus (het semantische niveau) de verwerking van een volgende stimulus beïnvloedt, zonder dat de eerste stimulus bewust wordt waargenomen. De betekenis wordt geactiveerd ook al zie je de prime niet bewust
33
Wat wou Marcel onderzoeken onder het thema van onbewuste semantische priming
- Hoe kort kan een woord worden aangeboden, zodat het brein het nog kan verwerken, zelfs als je het niet meer bewust ziet?
34
Geef het onderzoek van Marcel
- kernvraag: kan het brein de betekenis van een woord verwerken zonder dat je je bewust bent dat je het woord hebt gezien - Hij bepaalde eerst per proefpersoon hoe kort het interval mag worden totdat de persoon nog maar 60% correct kon zeggen " was er een woord of niet?" ->50% is puur gokken en 100% is perfect bewust zien -> 60% omdat het iets beter dan gokken is maar duidelijk onzeker ->dit is het grensgebied waar bewust detectie begint weg te vallen - Verlengde dan dat interval met 5ms en vekortte het ook in stappen van 5ms tot 20ms onder het vertrekpunt. Zo kreeg hij stimuli net boven, op en onder het bewustzijnsdrempel. - Vroeg vervolgens aan de proefpersonen om voor alle woorden, ook als ze die niet meer konden zien, aan te geven of ze grafisch of semantisch zwak of sterk leken op een vooraf gegeven standaardwoord. vb. standaardwoord = HUIS, dan krijgen ze MUIS heel kort . Zeggen of grafisch of semantisch sterk of zwak is RESULTAAT = proefpersonen waren nog in staat om dit te doen voor woorden die ze niet meer bewust konden detecteren en zelfs nog aan kortere aanbiedingstijdens voor de semantische dan voor de grafische verwerking. Mensen konden dus betekenis beoordelen van woorden die ze niet bewust konden detecteren.
35
Wat concludeerde Marcel vooral uit zijn experimenten
Zijn resultaten zijn evidenties voor automatische en onbewuste verwerking van alles prikkels, ongeacht hoe kort ze aangeboden zijn en dat tot op alle niveaus van verwerking inclusief semantisch. Volgens hem zijn alle representaties die door verwerking van prikkels opgebouwd worden , beschikbaar voor verder gebruik door daaropvolgende processen van informatieverwerking, los van de vraag welke representaties toegankelijk zijn voor het bewustzijn. Ook als je je niet bewust bent van de aanwezigheid van een bepaale prikkel, zal het perceptueel en cognitief systeem die wel verwerkt hebben en kan dit een onbewust invloed hebben op de verdere verwerking van daaropvolgende prikkels
36
Wat is dan de operationele definitie van onbewuste semantische priming
een statistisch significant indirect effect van eerste prikkel op het verwerkingsproces van een daaropvolgende prikkel (op basis van semantische relaties tussen prime en target), in afwezigheid van directe effecten op beuwst detectie van de prime.
37
Wat is negatieve priming
de vertraging op de verwerking van een target stimulus doordat een voorafgaande gerelateerde prikkel eerst onderdrukt moet worden in condities met selectieve aandacht.
38
Wat was het onderzoek van Tipper rond negatieve priming
- Tipper bood telkens 2 overlappende lijntekeningen van alledaagse voorwerpen aan -> 1 in het groen, die men moest benoemen -> 1 in het rood die men moest negeren - RESULTAAT= proefpersonen hadden meet tijd nodig voor benoeming van een voorwerp dat eerst genegeerd had moeten worden, dan zonder voorafgaandelijke presentatie. - reden; de proefpersonen hebben de rode lijntekeningen moeten onderdrukken om te vermijden dat ze die zouden benoemen. Hiervan blijft een geheugenspoor hangen dat ongedaan gemaakt moet worden indien het "distractor"-object nadien het "target"-object wordt
39
Wat vroegen Treisman en Deschepper zich af rond negatieve priming
- vroegen zich af of negatieve priming afhankelijk is van bestande object of betekenis of kan het ook optrede bij volledig nieuwe vormen (betekenisloze vormen dus maar geen willekeurige krabbels) - zou kunnen betekenen dat ook vormen die genegeerd moeten worden, die uiteindelijk toch voldoende verwerken om er een interne representatie van te maken die in het geheugen wordt opgeslagen - wat ik negeer kan dus wel degelijk verwerkt en opgeslagen worden, maar wordt daarna actief onderdrukt
40
Geef het onderzoek van Deschepper en treiman rond negatieve priming
De stimulusopstelling: - Telkens twee overlappende vormen -links: -> één groene (doelstimulus) -> één rode (irrelevante stimulus) -rechts: -> één witte vorm - De proefpersoon moest zeggen of de groene vorm links dezelfde als de witte vorm rechts is ->moesten dus selectief aandacht richten op de groene vorm ->rode vorm moesten ze negeren - In een volgende proefbeurt KON de rode vorm groen worden en dus DOELSTIMULUS WORDEN - Resultaat = de onderzoekers vonden een significant negatief priming effect, de reactietijd waren veel trager wanneer de huidige doelvorm eerder een genegeerde vorm was.
41
Wat is het vreemde aan de bewustzijnsresultaten van de proefpersonen bij de negatieve priming studie van Deshepper en Treisman?
De proefpersonen hadden geen bewust herinnering aan die vormen. Er was dus geen bewuste herinnering maar wel een meetbaar effect op gedrag
42
Wat was kritiek dat Allen Newell gaf op hoe (cognitieve) psychologie soms wordt onderzocht
zegt dat veel psychologisch onderzoek lijkt op 20 Questions: we stellen steeds verfijndere experimentele vragen om te achterhalen “welk onderscheid het brein maakt”, maar we bouwen geen theorie over hoe het systeem werk 20 question game= iemand denkt aan één object, jij mag ja/nee vragen stellen, elke vraag halveert de mogelijkheid. Na ong 20 goede vragen weet je wat het is. Je leert WELK object maar niet HOE iemand eraan dacht
43
Welke 2 adviezen geeft Newell?
1) streef naar geintegreerde , overkoepelende theorieen 2) probeer inzicht te verwerven in hoe deelprocessen samenwerken in complexe alledaagse vormen van psychologisch functioneren
44
Wat is volgens Newell de grootte uitdaging?
het uitwerken van een grand unified theory, één grote geunificeerde theorie
45
Wat is het ACT-R
- Door John R Anderson - Cognitieve computerarchitectuur die alle perceptuele en cognitieve operaties kan uitvoeren die nodig zijn bij het uitvoeren van alledaagse cognitieve taken - LISP geprogrammmeerd - R = rational , anders wou benadrukken dat cognitie optimaal adaptied wil zijn, met gebruik van cognitieve operaties die maximaal rekening houden met de statistische eigenschappen van de omgeving - ACT-R bestaat uit MODULES, het is geen 1 groot, homogeen systeem
46
Wat is de centrale aanname in ACT-R
dat menselijke kennis gebaseerd is op 2 soorten representaties: 1) Declaratieve kennis 2) Procedurele kennis
47
Wat is declaratieve kennis
- De feitelijke kennis: feiten, concepten, herinneringen - Die feitelijke kennisen worden opgeslagen in chunks -> chunk : basiseenheid van kennis, een bundel van concept + eigenschappen -> gestructureerde kennis (vb een piano heeft toetsen) - die chunks worden via buffers tijdelijk beschikbaar gemaakt wordt zodat het systeem ermee kan werken
48
Wat is procedurele kenis
- zijn acties en regels die tussenkomen bij het oproepen van kennis zoals hoe letters typen, hoe optellen en hoe met een auto rijden
49
Welk geheugensysteem is het oudste binne de ACT-R
Declaratieve geheugensysteem, dus ook het best uitgewerkte kan heel veel geheugeneffecten stimuleren
50
Wat is SPAUN?
- Recente poging tot grootschalig model van het functioneren van het menselijke brein - Semantic Pointer Architecture Unified Network dor Chris Eliasmith - Spaun is één groot, biologisch geinspireerd neuronaal model dat veel verschillende cognitieve taken kan uitvoeren met hetzelfde brein - model bestaat uit 2,5 miljoen neuronen die allemaal individueel kunnen vuren. Het is gebaseerd op neuroanatomie (welke hersengebieden) en neurofysiologie (hoe neuronen vuren) - Daardoor kan je het model vergelijken met beschikbare neurale gegevens op verschillende niveaus - Het model kan een grote variëteit aan gedragsrelevante functies vervullen - het model werd diepgaand getest met 8 verschillende taken die allemaal met hetzelfde ongewijzigde model uitgevoerd werden
51
Leg het functionele architectuur van de SPAUN uit
- Bestaat uit 2 systemen voor hierarchische compressie en expansie met daartussen 5 subsystemen 1) INPUT: hierarchisch systeem voor compressie van de input: -overeenkomstig met de corticale hiërarchie voor visuele verwerking -visuele input wordt verwerkt zoals in het echte brein -V1 -> V2 -> V4 -> inferotemporale cortex -steeds minder details, meer abstractie en meer betekenis = COMPRESSIE 2) MIDDEN: de 5 subsystemen -doen de eigenlijke cognitieve informatieverwerking uit: -vertrekken van het visuele activatiepatroon -detecteren relatie tussen elementen -gaan concepten activeren -geheugen raadplegen -beloningswaarde inschatten -beslissingen voorbereiden 3) OUTPUT: hiërarchische expansie, van een simpel motorisch idee naar complex gedrag -vb teken een 6 -vereist armbewegingen, timing, spiercoordinatie - van abstract commando naar gedetailleerd motorisch patroon
52
Wat maakt SPAUN zo bijzonder
Niet zozeer de architectuur maar hoe hij getest werd Het voerde 8 verschillende taken uit : - beeldherkenning - seriele reproductie uit KTG - tellen - vragen beantwoorden - beloningsleren, - Intelligentietest Dat allemaal met hetzelfde model zonder het te veranderen. De modelbouwstenen van spaun zijn niet taakspecifiek - ze worden op verschillende manier gecombineerd om de verschillende taken uit te voeren - betekent dat eenzelfde functionele component zich ook anders kan gedragen in de context van verschillende functionele netwerken - vb soms parallel, soms serieel, soms automatisch, soms gecontroleerd, soms meer bottom up en soms meer top down, soms meer perceptueel en sosm meer conceptueel
53
Wat is autisme
Een pervasieve ontwikkelingsstoornis: - het ontstaat tijdens de ontwikkeling - het kan verschillende ontwikkelingstrajecten volgen ( er is niet 1 manier waarop autisme eruit ziet) die voorkomt uit een complexe wisselwerking tussen genetisch en omgevingsfactoren - het dringt door in alle aspecten van het leven - het is blijvend
54
wat is een pervasieve ontwikkelingsstoornis
Ontwikkelingsstoornissen die in de loop van de ontwikkeling ontstaat
55
Wat is DSM-IV
bijbel van psychiatrie waarin de diagnotische criteria van alle psychiatrische ziektebeelden en psychologische disfuncties vastgelegd zijn
56
Hoe word volgens de DSM-IV autisme ook wel gekenmerkt
Door drie clusters van kernsymptomen: kwalitatieve beperkingen in sociale interactie, kwalitatieve beperkingen in communicatie en beperkte, repetitieve stereotype patronen van gedrag, belangstelling en activiteiten (ook zichtbaar als een gebrek aan flexibiliteit)
57
Van wat spreekt man vooral in plaats van de termn "autisme"
ASS of autismespectrumstoornissen , om aan te geven dat eenzelfde klinische diagnose gepaard kan gaan met verschillende patronen van disfunctie
58
Wat zijn de 4tal dimensies van perceptueel cognitief functioneren die ons helpen te begrijpen hoe en waarom mensen met ASS anders functioneren
1) Joint attention 2) Theory of mind 3) Executieve functies 4) Centrale coherentie
59
Wat is joint attention
Joint Attention : gedeelde aandacht als sociaal fundament - Joint attention = het vermogen om te zien waar iemand anders aandacht aan besteedt en je eigen aandacht daarop af te stemmen - doe je normaal automatisch via oogcontact, lichaamshouding, wijzen - Mensen met ASS ->hebben moeite om uit iemands blik of gedrag af te leiden wat die ander bedoelt ->volgen minder spontaan de blik van anderen (gaze following) ->making minder oogcontact => bij sociale situaties al een achterstand doordat gedeelde aandacht ontbreekt
60
Wat is Theory of Mind
- Mentalisatie - Vermogen om gedachten, intenties, verlangens en emoties toe te schrijven aan anderen en vanuit die mentale toestanden te redeneren - dit is de alledaagse intuitieve psychologie die we gebruiken om gedrag te begrijpen - Bij ass is dit vaak vertraagd, minder spontaan of minder betrouwbaar => MIND-BLINDNESS of MENTALISATIEPROBLEEM - gevolg = sociaal gedrag van anderen voelt onvoorspelbaar of onbegrijpelijk
61
Wat zijn executieve functies
- functies zoals responsinhibitie (niet automatisch reageren) , set shifting (kunnen schakelen) , plannen, bijsturen - mensen met ASS kunnen blijven vastzitten in één aanpak, blijven doorgaan ook als iets niet werkt en hebben moeite met verandering - gevolg = repetitief gedrag en nood aan routines
62
Wat is de centrale coherentie
- Centrale coherentie heeft de neiging om losse prikkels spontaan te integreren tot een betekenisvol geheel met context en met top down verwachtingen - Bij ASS hebben ze een zwakke centrale coherentie - De interpretatie van losse prikkels is zwakker, blijven meer op zichzelf staan en de context wordt minder automatisch meegenomen - gevolg = meer gefragmenteerde kijk op de wereld
63
wat zijn de concrete grote gevolgen van die 4 dimensies van perceptueel cognitief functioneren bij ASS
- overweldigd worden door prikkels - socialesituaties zijn extre moeilijk: teveel info tegelijk en teveel impliciete rgeels - minder gist perception (globale betekenis) - minder top down invloed op perceptie = in zeker zin hebben mensen met ASS een verstoorde Gestalt waarneming
64
Waarom zijn mensen met ASS minder onderhevig aan sommige illusies? en presteren ze beter op de Embedded figure test?
- Omdat ze analytischer ingesteld zijn - de delen zijn bij hen minder sterk opgenomen in het geheel en dus beter toegankelijk voor het visuele bewustzijn