H4 Flashcards

(34 cards)

1
Q

Wat is het verschil tussen gewaarwording en waarneming?

A

Gewaarwording = omzetting van prikkels naar een neuraal signaal, waarneming = interpreteren en begrijpen van die gewaarwording

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat is visuele vormagnosie?

A

Gewaarwording is intact maar interpretatie van visuele stimuli is aangetast

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wie is patiënt DF?

A

Kon natekenen en uit het hoofd maken maar kon niet benoemen wat iets was, ondanks intact zicht en geheugen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Welke features herkent het visuele systeem?

A

Oriëntatie, kleur, diepte

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Welke features detecteert het auditieve systeem?

A

Frequenties, amplitudes

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat is perceptuele constantie?

A

Voorwerpen blijven gelijk ondanks veranderingen in retinale beeld (grootte, vorm, lichtheid, kleur)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat is proximale stimulus?

A

Geheel van fysieke energie dat de receptoren stimuleert

is de stimulus die we daadwerkelijk waarnemen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat is distale stimulus?

A

Voorwerp in de buitenwereld dat de fysieke energie produceert

de stimulus die we willen hebben, maar niet hebben

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat is een illusie?

A

Verkeerde perceptie doordat de veronderstelling waarop interpretatie is gebaseerd niet klopt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wat is de primaire schets in perceptie?

A

Detectie van:
* randen
* helderheidsovergangen,
* oriëntatie
* onderscheid belangrijk vs toevallig

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat is perceptuele organisatie?

A

Proces waarbij randen uit retinale beeld gestructureerd worden tot gehelen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat zijn Gestaltprincipes?

A

die beschrijven hoe mensen visuele elementen automatisch groeperen en organiseren tot een groter geheel, waardoor ze patronen en betekenis kunnen herkennen in complexe beelden:

  1. Nabijheid,
  2. gelijkheid,
  3. gemeenschappelijke beweging,
  4. geslotenheid,
  5. continuïteit,
  6. Prägnanz

die beschrijven hoe mensen visuele elementen automatisch groeperen en or

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat is template matching?

A

Object wordt herkend als retinale beeld voldoende overeenstemt met opgeslagen template in geheugen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat is recognition-by-components theory van Biederman?

A

Objecten worden herkend via 36 basisvormen (geons)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat is prosopagnosie?

A

Specifiek probleem met gezichtsherkenning ondanks intact zicht

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat is het other-race effect?

A

Mensen herkennen en discrimineren beter gezichten van het eigen ras

17
Q

Wat is top-down verwerking?

A

Invloed van hogere orde kennis op lagere stadia van verwerking

18
Q

Wat is priming?

A

Vooraf activeren van representaties zodat herkenning sneller verloopt

19
Q

Wat is het woord-superioriteitseffect?

A

Een letter wordt sneller herkend als deze in een woord staat

20
Q

Wat is het model van Rumelhart & McClelland (1981)?

A

Interactive activation model verklaart woord-superioriteitseffect met top-down feedback

21
Q

Wat is fourieranalyse in perceptie?

A

Lage spatiele frequentie = globale info, hoge spatiele frequentie = details en randen

informatie met een lage spatiele frequentie komt sneller beschikbaar, dan info met hoge spatiele frequentie

22
Q

Wat is binoculaire dispariteit?

A

Verschil tussen beelden van beide ogen gebruikt voor dieptewaarneming

23
Q

Wat is convergentie?

A

Oogspieren draaien ogen naar binnen bij dichtbij, naar midden bij ver weg

24
Q

Wat is amblyopie?

A

Lui oog dat niet goed convergeert, behandeling door afplakken sterkere oog

25
Wat is strabisme?
Scheelzien waarbij beelden van zwakste oog onderdrukt worden → slechter dieptezien
26
Wat is bewegingsparallax?
Voorwerpen dichtbij verschuiven sneller over retina bij beweging van waarnemer dan verre voorwerpen
27
Noem drie diepte-illusies
Ponzo illusie, Müller-Lyer illusie, Ames-kamer, maanillusie
28
Wat is akinetopsie?
Bewegingsblindheid door schade aan V5
29
Wat zijn de twee visuele routes van Ungerleider & Mishkin?
Wat-route = objectherkenning, Waar-route = lokalisatie en beweging
30
Wat stelt de perceptie-actietheorie van Milner & Goodale?
Perceptie- en actiesystemen zijn gescheiden in het brein
31
Wat is het verschil tussen actie en perceptie bij illusies?
Actie minder onderhevig aan illusies dan perceptie
32
Wat toont de visuele klip van Gibson & Walk (1960)?
Baby’s vanaf 6 maanden zien diepte en vermijden hoogte
33
Wat toonde Meltzoff & Moore (1977)?
Baby’s van 12-21 dagen kunnen gezichtsuitdrukkingen imiteren
34
Wat toonde DeCasper (1980)?
Baby’s hebben voorkeur voor de stem van de moeder, prenataal geleerd