Hoorcollege 2 Flashcards

(69 cards)

1
Q

Wat zijn neuronen?

A

Eukaryote cellen met een kern die communiceren via elektrochemische signalen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Waaruit bestaat het celmembraan?

A

Fosforkoppen (hydrofiel) en lipide staarten (hydrofoob).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat is de functie van het celmembraan?

A

Scheiden van interne en externe omgeving en reguleren van transport via eiwitkanalen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat gebeurt er als een ligand zich aan een receptor bindt?

A

Een actie wordt uitgevoerd, zoals het openen van een ionenpoort.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Uit welke 3 hoofdcomponenten bestaat een neuron?

A

Dendrieten (ontvangst), cellichaam/nucleus (DNA & mitochondriën), axon (doorgeven signaal).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat is de functie van het endoplasmatisch reticulum (ER)?

A

Eiwitproductie (ruw ER met ribosomen), vetzuren/steroïden en calciumopslag (glad ER).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Hoe geven dendrieten informatie door?

A

Via de axonheuvel naar het axon → elektrisch signaal naar terminale knoppen → chemische transmissie in synaptische spleet.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Welke ionen zijn het belangrijkst voor neuroncommunicatie?

A

Natrium (Na+) en kalium (K+).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat is een ion?

A

Een atoom met een elektrische lading (bijv. K+).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wat doen ionotrope receptoren?

A

Beïnvloeden ionenstroom voor depolarisatie en repolarisatie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat doen metabotrope receptoren?

A

Activeren G-eiwitten → tweede boodschappers → aanpassen ionkanaalactiviteit.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Welke 3 soorten celverbindingen bestaan er?

A

Desmosomen (los), strakke verbindingen (dicht), gap junctions (ionuitwisseling, snel).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat is de belangrijkste functie van het ER?

A

Eiwitten verzamelen en doorsturen naar Golgi-apparaat.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat doen mitochondriën?

A

Produceren ATP (energie), hebben eigen DNA, erven via moeder.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat is ATP?

A

Adenosinetrifosfaat, energie-opslagmolecuul.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat is de functie van lysosomen?

A

Afbreken van afvalstoffen in de cel.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Waaruit bestaat het cytoskelet?

A

Microfilamenten (beweging), intermediaire filamenten (stevigheid), microtubuli (transport).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Welke cellen maken myeline?

A

Schwann-cellen (PZS) en oligodendrocyten (CZS).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Wat doen radiale gliacellen?

A

Leiden migrerende zenuwcellen en axon-groei tijdens ontwikkeling.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Welke 5 hoofdtypen gliacellen zijn er?

A

Astrocyten, microglia, ependymale cellen, oligodendrocyten, Schwann-cellen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Wat is de functie van de myelineschede?

A

Isoleren van axonen en versnellen van signaalgeleiding (knopen van Ranvier).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Wat is multiple sclerose (MS)?

A

Auto-immuunziekte waarbij myeline wordt afgebroken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Wat zijn symptomen van MS?

A

Vermoeidheid, gevoelloosheid, wazig zicht, balansproblemen, spierzwakte.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Wat is een multipolair neuron?

A

Neuron met veel dendrieten (meest voorkomend).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Wat is een bipolair neuron?
Neuron met één dendriet.
26
Wat is een unipolair neuron?
Neuron met één uitloper (axon/dendriet-achtig).
27
Wat betekent afferent?
Signaal naar CZS.
28
Wat betekent efferent?
Signaal vanuit CZS naar lichaam.
29
Wat is rustpotentiaal?
-70 mV, door Na/K-pomp (3 Na+ uit, 2 K+ in).
30
Wat gebeurt er bij depolarisatie?
Na+ stroomt in → cel positief (+30 mV).
31
Wat gebeurt er bij repolarisatie?
Na+ kanalen sluiten, K+ stroomt uit → cel negatief.
32
Wat is hyperpolarisatie?
Te veel K+ uit, cel negatiever dan -70 mV.
33
Wat is absolute refractaire periode?
Cel kan niet vuren.
34
Wat is relatieve refractaire periode?
Cel kan vuren, maar alleen bij sterke prikkel.
35
Hoe verloopt geleiding in gemyeliniseerde axonen?
Sprongsgewijs via knopen van Ranvier (saltatorisch, snel).
36
Wat is een EPSP?
Exciterende post-synaptische potentiaal (Na+ in → grotere kans actiepotentiaal).
37
Wat is een IPSP?
Inhiberende post-synaptische potentiaal (K+ uit → kleinere kans actiepotentiaal).
38
Wat is temporele sommatie?
Optellen van signalen die kort na elkaar komen.
39
Wat is ruimtelijke sommatie?
Optellen van signalen dicht bij elkaar in ruimte.
40
Welke stappen doorloopt synaptische transmissie?
Neurotransmitterproductie → opslag in vesicles → afgifte bij Ca2+ influx (exocytose) → binding postsynaptisch → inactivatie/heropname.
41
Wat is exocytose?
Afgeven neurotransmitters in synaps (volledige fusie of kiss-and-run).
42
Hoe verdwijnen neurotransmitters uit de synaps?
Enzymafbraak of heropname.
43
Aan welke eisen moet een stof voldoen om neurotransmitter te zijn?
Synthese in neuron, vrijkomen, effect in andere cel, heropname mogelijk.
44
Welke 3 soorten neurotransmitters zijn er?
Kleine moleculen (ACh), neuropeptiden (endorfine), oplosbare gassen (NO, CO).
45
Wat is het verschil tussen ionotrope en metabotrope receptoren?
Ionotrope: direct ionkanaal (snel). Metabotrope: via G-eiwitten/second messengers (langzamer).
46
Wat zijn hormonen?
Chemische stoffen geproduceerd in gespecialiseerde klieren, verspreid via bloed.
47
Noem de drie chemische klassen van hormonen.
Monoaminen, peptiden/eiwitten, steroïden.
48
Wat maken de bijnieren?
Medulla → adrenaline/noradrenaline; Cortex → cortisol.
49
Welke hormonen scheidt de hypofyse af?
Voorkwab: FSH, LH, TSH, ACTH, prolactine, GH. Achterkwab: oxytocine, ADH.
50
Wat zijn functies van oxytocine?
Weeën, melkproductie, transport sperma.
51
Wat is de rol van de schildklier?
Stofwisseling en ontwikkeling hersenen/zenuwstelsel.
52
Welke hormonen produceert de alvleesklier?
Insuline (glucose → glycogeen), glucagon (glycogeen → glucose).
53
Wat is de functie van steroïdhormonen?
Reguleren ontwikkeling, stress (cortisol), geslachtsfuncties (testosteron, estradiol, progesteron).
54
Wat zijn lokale hormonen?
Hormonen die paracrien of autocrien werken (lokaal, niet via bloedbaan).
55
Wat doen cytokinen?
Zorgen voor communicatie tussen immuuncellen.
56
Wat doen lokale groeifactoren?
Stimuleren celdeling en herstel.
57
Wat doet stikstofmonoxide (NO)?
Veroorzaakt vaatverwijding bij zuurstoftekort.
58
Waaruit worden prostaglandinen gemaakt en wat doen ze?
Uit omega-3/6; betrokken bij bevalling, koorts en ontsteking.
59
Waaruit zijn alle steroïdhormonen afgeleid?
Uit cholesterol.
60
Welke functie heeft cholesterol in celmembranen?
Houdt de celwand soepel en flexibel.
61
Wat is steroïdogenese?
Het proces waarbij enzymen cholesterol omzetten in steroïdhormonen.
62
Wat gebeurt er bij een tekort aan enzymen in steroïdogenese?
Bepaalde hormonen kunnen niet gemaakt worden → abnormale ontwikkeling.
63
Welke steroïdhormonen ontstaan uit de gonaden?
Testosteron, estradiol en progesteron.
64
Wat betekent dat steroïdhormonen lipofiel zijn?
Ze lossen op in vet en verlaten de producerende cel makkelijk via diffusie.
65
Waaruit bestaan eiwitten?
Uit gevouwen ketens van aminozuren.
66
Waar komen belangrijke aminozuren vandaan?
Uit eiwitten in voedsel.
67
Hoe kun je DNA vergelijken in relatie tot eiwitten?
Als een kookboek met recepten (genen) voor aminozuren.
68
Noem drie voorbeelden van eiwithormonen.
Insuline (glucose-opname), groeihormoon (celregulatie), LH/FSH (gonadotrofinen).
69
Wat zijn glycoproteïnehormonen?
Eiwitten met koolhydraten eraan gehecht, zoals LH, FSH en TSH.