come
gekomen (komen)
got off
uitgestapt (uitstappen)
walking
lopend
school
school (de)
gone
gegaan (gaan)
lasted
duurde (duren)
did it take
erover gedaan (erover doen)
took
gedaan (doen)
faster
sneller
besides that
bovendien
sit
zitten
delay
vertraging
annoying
vervelend
well
nou
rains
regent (regenen)
rain
regen (de)
ride your bike
fietst (fietsen)
get
word (worden)
wet
nat
disadvantage
nadeel (het)
take
neem (nemen)
rather
liever
car
auto (de)
little
kleine (klein)