MBOC1 Flashcards

(39 cards)

1
Q

Hoeveel procent van het gewicht van een cel wordt ingenomen door macromoleculen?

A

26%

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Hoe wordt het RNA-molecuul genoemd dat de aminozuurvolgorde van een eiwit specificeert?

A

mRNA (Messenger RNA)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat is de algemene term voor een eiwit dat een chemische reactie katalyseert?

A

Enzym

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Hoe wordt de belangrijkste categorie levende cellen genoemd die zich onderscheidt door de afwezigheid van een celkern?

A

Prokaryoten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

De totale biomassa van de aarde bevat naar schatting 550 gigaton koolstof. Welke soort organisme is verantwoordelijk voor het grootste deel van de totale biomassa?

A

Planten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Hoe versnellen enzymen reacties?

A

Door de overgangstoestand te stabiliseren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat meet de ‘dissociatieconstante’

A

Hoe sterk een ligand bindt aan een eiwit

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat doet het geneesmiddel Infliximab?

A

Het bindt aan TNF alfa en remt ontstekingsreacties

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat is de rol van SH-2 domein?

A

Het bindt aan fosfotyrosine in andere eiwitten -> herkenning

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Waarom zijn bepaalde aminozuren sterk geconserveerd in een eiwitfamilie?

A

Omdat ze in het actieve centrum of bindingsplaats cruciaal zijn -> dit verandert niet door evolutie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat bepaalt de specificiteit van een eiwit voor zijn ligand?

A

De oppervlakteconformatie en chemie van de bindingsplaats

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Welke vier niet-covalente bindingen bepalen ligandbinding en eiwitvouwing?

A
  1. Waterstofbruggen
  2. Ionische bindingen
  3. Vanderwaals krachten
  4. Hydrofobe interacties
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat is de basis voor alle eiwitfuncties?

A

Alle eiwitten binden aan andere moleculen, zonder binding kan een eiwit geen functie uitvoeren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat is de juiste volgorde van de vier niveaus van eiwitstructuren?

A

Primair -> secundair -> tertiair -> quaternair

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat is een eiwitdomein?

A

Een onafhankelijk vouwende eenheid binnen een eiwit

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Waarom zijn eiwitstructuren vaak beter geconserveerd dan aminozuurvolgorde?

A

Omdat structuur belangrijker is voor de functie dan exacte volgorde

17
Q

Welke niet-covalente interactie speelt geen rol bij eiwitvouwing?

A

Peptidebindingen

18
Q

Wat is een veelvoorkomend patroon in de secundaire structuur van eiwitten?

A

Alfa helix en Beta Sheet

19
Q

Welke vorm van aminozuren komt in natuurlijke eiwitten voor (Ik vermoed dat ze 3D structuur bedoelen hier)

20
Q

Welke bouwsteen vormt de basis van alle eiwitten?

21
Q

Hoe repliceren alle cellen hun DNA?

A

Via templated polymerization

22
Q

Wat ontdekte W&C in 1953?

A

Structuur van dubbele helix

23
Q

Waaruit bestaat een nucleotide?

A

Base + Suiker + Fosfaat

24
Q

Waarom zijn zwakke niet-covalente interacties essentieel in de cel?

A

Omdat ze sterk genoeg zijn om structuur te geven, maar zwak genoeg om dynamiek toe te kennen

25
Wat is een liposoom?
Een kunstmatig membraanblaasje
26
Wat bepaalt of een vetzuur vast of vloeibaar is bij kamertemperatuur?
De verzadigdheid (Wel/Geen dubbele bindingen)
27
Wat ondersteunt de endosymbiosetheorie?
Mitochondriën en chloroplasten hebben hun eigen DNA (wijst erop dat ze ooit zelfstandige bacteriën waren)
28
Welk modelorganisme gebruik je voor snelle groei en DNA-replicatie?
E. Coli
29
Wat liet het Stanley Miller experiment zien?
Dat onder oer-aarde omstandigheden organische moleculen konden ontstaan
30
Waarom zijn modelorganismen nuttig?
Ze zijn eenvoudig te bestuderen en geven inzichten die vaak ook gelden voor mensen
31
Wat is de belangrijkste functie van het plasmamembraan?
Selectieve barriere tussen cel en omgeving
32
Waarvoor dienen liposomen?
Liposomen dienen als transportmiddel om actieve stoffen zoals vitaminen, mineralen en medicijnen te beschermen en effectief af te leveren in het lichaam of de huid.
33
Wat is een iso-elektrisch punt?
Het iso-elektrisch punt (pI) is de pH-waarde waarbij een molecuul, zoals een eiwit, een netto elektrische lading van nul heeft en daardoor niet beweegt in een elektrisch veld.
34
Wanneer wordt RNA polymerase gebruikt en wanneer DNA polymerase?
RNA Polymerase: Wordt ingezet tijdens transcriptie DNA Polymerase: Wordt ingezet tijdens DNA-replicatie
35
Wat is het eindproduct van transcriptie?
(m)RNA molecuul
36
Wat is het eindproduct van translatie?
Een eiwit
37
Welk type RNA polymerase wordt hier beschreven: Verantwoordelijk voor de transcriptie van messenger-RNA (mRNA), dat de instructies voor eiwitsynthese bevat. Het transcribeert ook microRNA's (miRNA's) en enkele kleine nucleaire RNA's (snRNA's).
RNA Polymerase II
38
Wat wordt voorkomen door DNA Topoisomerase?
Dat het DNA zich opkrult tijdens transcriptie en DNA replicatie, en het verwijdert knopen en klitten die door deze processen worden veroorzaakt
39
In welke richting worden nucleotide sequenties afgelezen?
Van 5' naar 3'