MBOC2 Flashcards

(56 cards)

1
Q

Hoeveel procent van de eiwitten in een mens zijn transmembraan eiwitten?

A

20%

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Welke ankers zijn betrokken bij C14, C16, en C15 bindingen

A

C14: Myristoyl anker
C16: Palmitoyl anker
C15: Farnesyl anker

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Hoe kun je onderzoeken of een eiwit een transmembraan eiwit is?

A

Door de aminozuur sequentie te onderzoeken (met hydropathy plotting) en te kijken of er een sequentie is van ~20 hydrofobe aminozuureenheden, aangezien hydrofobe aminozuren binnen het membraan zitten. Positieve waarden in zo’n plot komen van hydrofobe eenheden en negatieve van hydrofiele eenheden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Welke bindingen maken eiwitten met C14, C16, en C15?

A

C14: Amidebinding
C16: Thio-ester binding
C15: Thio-ether binding

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat vormen de meeste Beta-Barrels in een membraan?

A

Een porie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Waar zijn de suikereenheden gekoppeld als een eiwit in het membraan zit?

A

Altijd buiten de cel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Binnenkant van de cel: Reducerende/Oxiderende omgeving

Buitenkant van de cel: Reducerende/Oxiderende omgeving

A

Binnenkant van de cel:
Reducerende omgeving

Buitenkant van de cel:
Oxiderende omgeving

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat is de functie van de suikerlaag op cellen?

A

Het zorgt voor cel-cel communicatie; cellen kunnen elkaar herkennen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Hoe werkt het zuiveren van een Natrium Kalium Pomp uit een membraan?

A
  1. Je voegt detergentie toe, waardoor de lipidemoleculen worden opgelost
  2. Door kolomchromatografie, dat plaatsvindt in aanwezigheid van detergentie, zuiver je de pomp. Je houdt het eiwit continu opgelost in detergentie
  3. Je voegt fosfolipiden toe en haalt langzamerhand de detergentia weg. Dit kan tegenwoordig door nano deeltjes toe te voegen, waar de detergentia deeltjes aan vast gaan zitten
  4. De fosfolipiden gaan spontaan een bilaag vormen. Van het eiwit dat je hebt haal je de detergentie eruit weg. Dat eiwit wilt niet in water zitten, dus gaat die in de bilaag zitten, waardoor je dus een functionele Na-K pomp hebt in een fosfolipide vesicle
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Welke twee detergenties worden het meest gebruikt?

A

SDS en Triton X-100

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat is het verschil tussen een liposoom en een proteoliposoom?

A

Een liposoom bevat geen eiwitten en een proteoliposoom wel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Rangschik de volgende vier groepen op basis van hoe goed een membraan hen doorlaat (1. het meest, 4. het minst):
-Grote, ongeladen, polaire moleculen
-Kleine, ongeladen, polaire moleculen
-Ionen
-Hydrofobe moleculen

A
  1. Hydrofobe moleculen (gaan spontaan door het membraan heen)
  2. Kleine, ongeladen, polaire moleculen (gaan langzaam door het membraan heen)
  3. Grote, ongeladen, polaire moleculen (gaan niet/erg langzaam door het membraan heen)
  4. Ionen (gaan niet door het membraan heen)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat zijn de twee hoofd soorten membraaneiwitten?

A

Transporteiwitten en kanaaleiwitten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Beschrijf de werking van een transporteiwit

A

Een transporteiwit bindt een substraat molecuul aan één kant van membraan, dan ondergaat het eiwit conformationele verandering, waarbij hij opengaat aan andere kant van membraan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Beschrijf de ‘werking’ van een kanaaleiwit

A

Eiwit in membraan dat een porie vormt (zoals beta barrel) en een molecuul dat bindt kan hier doorheen zonder dat het kanaal eiwit een conformationele verandering moet aangaan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Als een ion door een membraaneiwit wordt getransporteerd in dezelfde richting als de concentratiegradiënt, is dit dan actief of passief transport

A

Dit is passief transport.

Je spreekt pas van actief transport als het ion tegen de concentratiegradiënt in zou gaan, waarbij ATP nodig zou zijn (dit kan alleen bij transport eiwitten, niet bij kanaaleiwitten)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Van welke twee factoren hangt de elektrochemische gradiënt van een membraan af?

A
  1. De concentratiegradiënt (het verschil in concentratie van een stof tussen binnen en buiten de cel)
  2. De ladingscomponent (het verschil in elektrische lading over het membraan)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Wat is de drijvende kracht bij diffusie door een kanaaleiwit?

A

De concentratiegradiënt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Wat zijn de drie verschillende manieren waarop actief transport kan verlopen? (Noem ook bij elke de type pomp)

A

-Gekoppelde transporter: Je maakt gebruik van de concentratiegradiënt van een ander molecuul dat naar binnen wilt. De concentratiegradiënt van één molecuul drijft de concentratiegradiënt van een ander molecuul

-ATP gedreven pomp: Dit is de meest voorkomende pomp. Met behulp van ATP kan het te transporteren molecuul tegen de concentratiegradiënt in bewegen.

-Licht gedreven pomp: Je hebt hierbij licht energie nodig. Dit type energie wordt dan gebruikt om bijvoorbeeld ionen zoals H+ door het membraan te pompen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

In welke twee onderdelen kun je ‘gekoppeld transport’ splitsen?

A

-Symport: Beide moleculen gaan zelfde kant op, maar eentje tegen de concentratiegradiënt in en andere met de concentratiegradiënt mee

-Antiport: De moleculen gaan verschillende kanten op

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Wat is de drijvende kracht voor het transporteren van glucose naar de binnenkant van een cel?

A

Natrium

De natriumgradiënt is gericht naar de binnenkant (cytosol) van de cel, terwijl die van glucose is gericht naar de buitenkant (extracellulaire ruimte) van de cel. De concentratiegradiënt van natrium geeft dus energie voor het transport van glucose tegen zijn eigen concentratiegradiënt in. Door gekoppeld transport gaan een natrium ion en een glucose molecuul dus door een transport eiwit heen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Waarom gaan de meeste glucose moleculen die de cel ingaan, niet via dezelfde route naar buiten?

A

Omdat er binnen de cel weinig natrium is dat in het transport eiwit kan om het glucose naar buiten te brengen (gekoppeld transport).
Dit komt omdat het binnengebrachte natrium door een natrium-kalium pomp weer uit de cel wordt getransporteerd, waarbij kalium de cel ingaat en natrium de cel uit (ATP-gedreven transport)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

In het geval van 1 ‘pomping’, hoeveel kalium ionen betreden de cel en hoeveel natrium ionen verlaten de cel?

A

3 Natriumionen verlaten de cel, 2 kaliumionen betreden de cel

24
Q

Als glucose vanuit de cel naar de extracellulaire ruimte wilt gaan om zo in het bloed te komen, welk type transport is hier dan bij betrokken?

A

Passief transport

De concentratiegradiënt van glucose is van binnen naar buiten gericht, dus er is geen energie nodig om glucose vanuit de cel naar de extracellulaire ruimte te transporteren.

25
Wat zijn de twee typen ATP-gedreven pompen? (die relevant zijn voor tentamen) Beschrijf deze pompen
P-type pomp: P staat voor fosfor. Deze pomp fosforyleert zichzelf tijdens de pompcyclus, waardoor de vorm van de pomp verandert. Deze klasse omvat veel van de ionenpompen die verantwoordelijk zijn voor het opzetten en in stand houden van gradiënten van Na+, K+, H+ en Ca2+ door celmembranen. ABC transporter: Bestaat uit twee identieke delen. Deze transporter is gekoppeld aan een ATP bindend domein, waardoor het ATP kan binden en het ATP kan hydrolyseren. ATP levert de energie om allerlei stoffen te transporteren.
26
Waar zitten ABC transporters altijd?
In het plasmamembraan (binnenste membraan)
27
Waarom zitten ABC transporters op de plek waar ze zitten?
(Ze zitten in het plasma-/binnenmembraan) Omdat ze altijd ATP nodig hebben. ATP vind je in het cytosol, wat aan de kant van het binnenmembraan zit.
28
Wat voor type pomp is een Natrium-Kalium pomp?
Een P-type pomp
29
Waarom worden Bacteriën snel resistent tegen antibiotica?
Ze worden resistent doordat ze veel ABC transporters aanmaken. Deze pompen herkennen de antibiotica en pompen de antibiotica de cel uit, zodat dit geen effect zal hebben op de bacterie.
30
Hoe wordt taaislijmziekte veroorzaakt?
Dit wordt veroorzaakt doordat de ABC transporters niet goed functioneren. Normaalgesproken transporteert het eiwit chloride ionen naar buiten naar de luchtwegen, waar deze stof naar buiten wordt gepompt. Hierdoor wordt water aangetrokken, wat het slijm dunner maakt Als de transporter niet goed functioneert, is er geen/weinig sprake van chloride transport, waardoor water ook niet/minder wordt aangetrokken. Je krijgt dan taai slijm.
31
Wat is de meest voorkomende mutatie bij patienten met cystische fibrose/taaislijmziekte?
Bij veel patiënten is er een mutatie op positie 508. Hier heeft deletie plaatsgevonden. Dat aminozuur zit normaal gesproken in het ABC-domein. Door de mutatie vouwt het eiwit niet meer goed in het ER. Het eiwit komt dan ook niet bij het plasmamembraan terecht, omdat een eiwit pas het ER verlaat als het goed gevouwen is.
32
Hoe wordt een malariaparasiet gedood?
Door middel van chloroquine (zolang de parasiet niet al resistent is) De parasiet heeft een voedselvacuole, waar hij voedsel afbreekt (hemoglobine). Chloroquine remt de omzetting van heme naar hemoglobine. Als heme niet goed wordt afgebroken, is het schadelijk voor de parasiet, waarbij de voedselvacuole wordt afgebroken en de parasiet doodgaat
33
Hoeveel procent van het totale celvolume wordt ingenomen door het cytosol?
54%
34
Hoeveel procent van het totale celvolume wordt ingenomen door de mitochondria?
22%
35
Hoeveel procent van het totale celvolume wordt ingenomen door het ER? (zowel ruw als glad)
15% (9% ruw, 6% glad)
36
Wat is de theorie achter het ontstaan van een eukaryote cel?
Een eukaryote cel is ontstaan uit een archaeon (eencellige) Een archaeon heeft een celwand en een plasmamembraan. De celwand is ooit verloren gegaan, waardoor DNA moleculen makkelijker opgenomen konden worden door het membraan. Vermoedelijk heeft de voorloper van een eukaryoot al meerdere 'horizontal gene' stappen genomen om meer DNA te krijgen. Toen ontstond er een kern envelop om het DNA goed te beschermen tegen (bijvoorbeeld) indringers van buiten. Uit die envelop is het ER gegroeid. Door opname van aerobe bacterie kreeg de cel een promitochondrium. Na ontwikkeling van meerdere mitochondria kon er energie ontstaan voor de evolutie van andere membraansystemen en grotere cellen.
37
Wat zijn de vier categorieën waarin intracellulaire compartimenten zijn verdeeld?
1. Kern en cytosol 2. Alle organellen die een rol spelen in uitscheidings- en opnamingsroutes in de cel (ER, golgi, endosomen, lysosomen, transport vesicles, en deel van peroxisomen) 3. Mitochondria 4. Plastiden (alleen in planten)
38
Met welke 'compartimenten' is het ER direct verbonden?
Cytosol, Golgi, en peroxisomen
39
Met welke 'compartimenten' is het cytosol direct verbonden?
Kern, Plastiden, Mitochondria, ER, en peroxisomen
40
Met welke 'compartimenten' is het Golgi apparaat direct verbonden?
Endosomen, Secretieblaasjes, en de buitenkant van de cel
41
Van wat voor signaalsequentie is er altijd sprake bij een eiwit dat geïmporteerd wordt naar een mitochondrium?
Een N-terminale sequentie.
42
Van wat voor signaalsequentie is er sprake bij een eiwit dat terugkeert naar het ER?
Een KDEL (Lys-Asp-Glu-Leu) sequentie met C-terminus
43
Moleculen betreden de kern via actief of passief transport, afhankelijk van hoe groot ze zijn Tot aan hoeveel aminozuureenheden zal een molecuul passief de kern betreden? En vanaf hoeveel actief?
Moleculen tot aan 400 aminozuureenheden kunnen vrij naar binnen Moleculen van groter dan 900 aminozuureenheden gaan via actief transport de kern in. Alles tussen 400 en 900 aminozuureenheden is een 'grijs gebied' (soms passief, soms actief)
44
Waar vindt modificatie van gesecreteerde eiwitten plaats in een eukaryote cel?
Het ER en het Golgi netwerk
45
Worden eiwitten die getransporteerd worden tussen de kern en het cytosol in een gevouwen of ongevouwen toestand vervoerd?
Een gevouwen toestand
46
Wat is de functie van een SRP? (Signal recognition particle)
De functie van het SRP (Signal Recognition Particle) is om ervoor te zorgen dat eiwitten die bestemd zijn voor het endoplasmatisch reticulum (ER) ook echt daar terechtkomen tijdens hun synthese.
47
Waar bindt de KDEL receptor eiwitten met een KDEL sequentie met hoge affiniteit?
Het Golgi Apparaat
48
Welk molecuul wordt gebruikt als electronendonor tijdens de lichtreacties van de fotosynthese?
Water
49
Wat houdt gated transport in?
transport door kernporiën tussen cytoplasma en kern, waarbij selectief wordt toegelaten wat erdoor mag. (Uit aantekeningen: selectieve porieen die grote moleculen via actief transport naar binnen brengen en kleine moleculen passief)
50
Hoe kunnen perifere membraaneiwitten die via ionische interacties aan transmembraaneiwitten gebonden zijn, worden verwijderd?
Met een hoge zoutconcentratie
51
Waar bevinden disulfidebruggen zich typisch in een cel?
Aan de buitenkant van de cel
52
Wat is de rol van de membraanpotentiaal bij het transport van eiwitten?
Het aantrekken van de signaalsequentie
52
Wat is de functie van het Signal Recognition Particle (SRP)?
Het stopt de translatie van eiwitten bestemd voor het ER
53
Welke pH-waarde wordt verwacht in een lysosoom?
5,0
54
Wat is autofagie?
Autofagie is het proces waarbij membranen van het plasmamembraan worden afgesplitst om oude moleculen, zoals mitochondria, af te breken.
55
Wat is het verschil tussen de cis- en trans-zijde van het Golgi-apparaat?
De cis-zijde is waar de blaasjes het Golgi-apparaat binnenkomen, terwijl de trans-zijde is waar de blaasjes het apparaat na verwerking verlaten.