NIPT
Prenatale screening valt onder de Wet op het Bevolkingsonderzoek en is derhalve onderhevig aan bepaalde spelregels. Eén daarvan is dat een counselinggesprek dient plaats te vinden door een gecertificeerd counselor prenatale screening op een apart spreekuur.
Het belangrijkste doel van het screeningsprogramma is de ‘geïnformeerde keuze’, oftewel het in staat stellen van de zwangere tot het maken van een persoonlijke reproductieve keuze. Zwangere vrouwen hebben de mogelijkheid een prenatale screeningstest te laten doen naar mogelijke foetale chromosoomafwijkingen. De zwangere kan dan kiezen voor een NIPT (Non-invasieve Prenatale Test). De NIPT test overigens niet direct foetale chromosoomafwijkingen, waarover later meer.
De NIPT test … het foetale DNA.
niet
De NIPT kwantificeert niet-celgebonden DNA-fragmenten in moederlijk bloed. Zo’n 7% van de DNA-fragmenten zijn afkomstig uit de placenta, de rest is van maternale oorsprong.
welke afwijkingen test de NIPT?
De NIPT screent op chromosoomafwijkingen van de autosomen, specifiek op autosomale trisomieen van chromosoom 21, 18 en 13 en structurele chromosoomafwijkingen (deleties en duplicaties) van alle autosomen.
welke afwijkingen test de NIPT niet?
welke afwijkingen test de NIPT wel
worden alle chromosomen met de NIPT getest?
Nee, de geslachtschromosomen worden niet onderzocht. Een geslachtschromosoom is overigens geen autosoom.
Wat is de kans op een afwijkende NIPT uitslag?
7/1000
Een afwijkende NIPT uitslag is niet hetzelfde als een afwijkend chromosoompatroon bij de foetus: daar is genetisch vervolgonderzoek voor nodig. Dit kan met behulp van een vlokkentest of vruchtwaterpunctie.
De NIPT detecteert DNA afkomstig uit de … en … het DNA van de foetus.
cytotrofoblast (specifieke cellen van de placenta)
niet
Soms komt de NIPT uitslag niet overeen met het DNA van de foetus. De reden hiervan is dat er sprake kan zijn van een placentair mozaïek, een zogenaamd confined placental mosaicism. Dit verschijnsel komt vooral voor bij de zogenaamde zeldzame autosomale trisomieën. Een deel van het zwangerschapsproduct kan dan afwijkend zijn
Er zijn twee verschillende oorzaken van dit fenomeen, namelijk een mitotische of meiotische oorzaak.
mitotische oorzaak
De meest voorkomende oorzaak is een zg. ‘postzygotische mitotische non-disjunctie’ in zich delende placentaire of embryonale cellen. Hierdoor kunnen in een in origine diploïd embryo en/of placenta cellijnen ontstaan met een trisomie van een bepaald chromosoom. Het is dus goed mogelijk dat een foetus géén trisomie heeft, terwijl een deel van de cellen in placenta dat wel heeft. Ook kan fout in een mitotische deling leiden tot structurele chromosoomafwijkingen (deleties en duplicaties).
meiotische oorzaak
De tweede oorzaak is ingewikkelder. De belangrijkste oorzaak van trisomieën in zwangerschappen betreft een ‘meiotische segregatiefout’ bij de vorming van kiemcellen. Dit kan vooral optreden bij de vorming van eicellen. De kans dat dit gebeurt neemt toe met de leeftijd van een vrouw. Deze segregatiefout kan leiden tot diploïde eicellen. Bevruchting van deze eicellen door een haploide spermacel kan leiden tot een trisomie. Dit is bijvoorbeeld de meest voorkomende oorzaak voor het ontstaan van een foetus met een trisomie 21, leidend tot het downsyndroom. Deze trisomie kan echter ook (deels) ‘gerepareerd’ worden. Bij de volgende celdelingen kan namelijk één van de extra chromosomen door de cel uitgestoten worden. Er ontstaan dan verschillende cellijnen in de conceptus (=voorstadium van de placenta en het embryo). Bij een doorgaande zwangerschap kunnen dan in weefsels verschillende chromosoompatronen voorkomen. Er kan dan bijvoorbeeld sprake zijn van cellen met een afwijkend chromosoompatroon in de placenta, terwijl dat afwijkende chromosoompatroon niet aanwezig is in de foetus. Dit fenomeen noemen we een ‘trisomic rescue’.
Bij een trisomie is er sprake van twee chromosomen van vader of moeder en daarnaast één chromosoom van resp. moeder of vader. Bij een trisomic rescue wordt één chromosoom ‘uitgestoten’. Het kan dan zijn dat twee moederlijke of vaderlijke chromosomen over blijven. Dit fenomeen heet een Uniparentale Disomie (UPD). Dit kan bij een aantal chromosomen leiden tot specifieke, vaak ernstige aandoeningen bij de foetus. Als voorbeeld kan genoemd worden een UPD15 (Uniparentale Disomie van chromosoom 15).
trisomie 18
edwards syndroom
trisomie 13
patausyndroom
De betrouwbaarheid van de NIPT voor de aanwezigheid van trisomie 21, 18 en 13 bij het ongeboren kind is hoog.
In resp. 90% (trisomie 21), 75% (trisomie 18), 50% (trisomie 13) en 40% (structurele chromosoomafwijking) van de casus waarbij er sprake is van een afwijkende NIPT wordt de afwijking bevestigd bij het ongeboren kind.
complex afwijkend patroon
Is de NIPT een diagnostische test?
Wordt bij de NIPT een geslachtsbepaling gedaan?
nee
waar of niet waar?
Gerichte screening gericht op het foetale geslacht, zonder medische noodzaak is wettelijk verboden in Nederland.
De testeigenschappen van de NIPT voor geslachtschromosomen zijn aanmerkelijk minder betrouwbaar dan voor trisomie 21, 18 en 13.
Het fenotype van de meeste geslachtschromosomale afwijkingen is mild (b.v. het klinefeltersyndroom).
Screening op geslachtschromosomen is technisch niet mogelijk met een NIPT.
waar
waar
waar
niet waar
een deletie is een voorbeeld van een
Een structurele, autosomale chromosoomafwijking
Welke van onderstaande bevindingen kunnen passen bij deze NIPT uitslag: 5p- deletie?
Wat is de kans dat de foetus van patiënte een 5p- heeft en waarom geeft de NIPT géén zekerheid?
40%
De NIPT detecteertnooit
foetale afwijkingen.
De NIPT detecteert afwijkingen van de placenta (en in zeldzame gevallen van de moeder)
bij 15 weken is een vlokkentest … nog mogelijk
niet
Wat vertel je de zwangere over de uitvoering (1) en het risico (2) van een vruchtwater punctie?