Perfusie Flashcards

(50 cards)

1
Q

Wat is een perfusie?

A

Toediening van vloeistoffen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat betekent parenterale toediening?

A

Toediening buiten het spijsverteringsstelsel om.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Noem drie doelen van een perfusie.

A

Toedienen van vocht

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat is venoclyse?

A

Intraveneuze perfusie (in een ader).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat is hypodermoclyse?

A

Subcutane perfusie (onder de huid).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat is osmose?

A

De verplaatsing van vloeistof door een semi-permeabel membraan.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat is de normale osmolariteit van bloedplasma?

A

Ongeveer 303 mOsm/L.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat gebeurt er bij hemolyse?

A

Rode bloedcellen barsten door teveel wateropname.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat betekent ‘isotone oplossing’?

A

Oplossing met dezelfde osmotische druk als bloedplasma.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wat is een kation?

A

Positief geladen ion.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat is de osm. druk van een hypotoon middel?

A

Minder dan 278 mOsm/L.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat gebeurt er bij een hypertone oplossing?

A

Water verlaat cellen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Noem een voorbeeld van een isotone oplossing.

A

NaCl 0

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Waarom geen hypertonische oplossing perifeer toedienen?

A

Kans op flebitis en weefselnecrose.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat gebeurt er met RBC’s in een hypotone oplossing?

A

Ze zwellen op en kunnen barsten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat is osmolariteit?

A

Het totaal aantal opgeloste deeltjes in een oplossing.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Wat betekent “mEq/L”?

A

Milliequivalent per liter

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Wat is de osm. druk van NaCl 0

A

9%?

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Wat is het effect van een isotone oplossing op het lichaam?

A

Geen netto vochtverplaatsing tussen cellen en bloed.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Wat kan een te sterke hypertonische oplossing veroorzaken?

A

Necrose van weefselcellen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Wat zijn elektrolytenoplossingen?

A

Oplossingen met ionen zoals Na+

22
Q

Wat bevatten suikeroplossingen?

A

Alleen glucose

23
Q

Wat is het doel van water voor injectie?

A

Medicatie oplossen

24
Q

Wat zijn plasmavolume-expanders?

A

Middelen die het bloedvolume verhogen.

25
Wat betekent ‘met calorieaanvoer’?
Bevat energie
26
Wat gebeurt bij toediening van aqua distillata IV?
RBC barsten door hemolyse.
27
Welke oplossing wordt gebruikt bij dehydratie?
Isotone elektrolytenoplossing.
28
Welke oplossing mag je niet rechtstreeks IV toedienen?
Aqua ad injectabila.
29
Waarom glucose 5% isotoon noemen?
Osmotische druk is ongeveer gelijk aan die van plasma.
30
Wat gebeurt er bij hypertonische glucose 20%?
Water verlaat cellen
31
Wanneer gebruik je intra-osseuze perfusie?
Bij noodtoegang
32
Wat betekent PCEA?
Patient Controlled Epidural Analgesia.
33
Waarom centrale toediening bij hypertonisch middel?
Hogere bloedflow zorgt voor verdunning.
34
Wat is interstitieel vocht?
Vocht tussen cellen en weefsels.
35
Wat gebeurt er bij vochttoediening aan hartpatiënt?
Opletten voor overvulling.
36
Wat is een IV-bolus?
Een snelle injectie in één keer.
37
Wat is het voordeel van continue perfusie?
Gelijkmatige toediening over tijd.
38
Wat is een intermitterende perfusie?
Wordt periodiek toegediend.
39
Waarvoor dient NaCl 0
9% meestal?
40
Wat is het risico van hypotone oplossingen IV?
Cellys of oedeem.
41
Wat betekent ‘venoclyse’ letterlijk?
‘Ven’ = ader
42
Wat is de eenheid van osmolariteit?
mOsm/L of mosmol/L.
43
Wat doet osmose met een halfdoorlaatbaar membraan?
Laat alleen water passeren
44
Wat gebeurt als osm. druk stijgt in bloed?
Water verplaatst zich uit cellen naar bloed.
45
Wat is een anion?
Negatief geladen ion.
46
Wat is een voorbeeld van een hypertonisch middel in geneeskunde?
Glucose 20%.
47
Wat gebeurt bij toediening van te veel vocht?
Overhydratie leidt tot oedeem of hartbelasting.
48
Wat betekent “isotoon” letterlijk?
‘Gelijke spanning’ of ‘gelijke druk aan beide zijden’.
49
Waarom osmose belangrijk bij perfusie?
Bepaalt richting van vochtverplaatsing.
50
Wat moet je altijd controleren bij perfusie?
Soort oplossing