I have read an interesting book.
Ik heb een interessant boek gelezen.
Yesterday, you had a small, black cat.
Gisteren had jij een kleine, zwarte kat.
He did the difficult work very quickly.
Hij deed het moeilijke werk erg snel.
She said hello, but he didn’t hear it.
Zij zei hallo, maar hij hoorde het niet.
We will get a nice gift tomorrow.
Wij zullen morgen een leuk cadeau krijgen.
They are making a colorful drawing together.
Zij maken samen een kleurrijke tekening.
I go to school because I want to learn.
Ik ga naar school, omdat ik wil leren.
You saw a beautiful bird in the garden.
Jij zag een mooie vogel in de tuin.
He is coming home later this evening.
Hij komt vanavond later thuis.
We wanted an apple, so we went to the store.
Wij wilden een appel, dus we gingen naar de winkel.
They work here from Monday to Friday.
Zij werken hier van maandag tot en met vrijdag.
I asked a question, and the teacher answered.
Ik stelde een vraag en de leraar antwoordde.
You helped me with my heavy bags.
Jij hebt mij geholpen met mijn zware tassen.
He often plays outside with his friends.
Hij speelt vaak buiten met zijn vrienden.
She has lived there for many years.
Zij woont daar al vele jaren.
We are learning Dutch, but it is difficult.
Wij leren Nederlands, maar het is moeilijk.
They ate bread with cheese for lunch.
Zij aten brood met kaas voor de lunch.
I drank a large glass of cold water.
Ik dronk een groot glas koud water.
You must write a long letter to your grandmother.
Jij moet een lange brief aan je oma schrijven.
He speaks slowly because he is tired.
Hij spreekt langzaam, omdat hij moe is.
She wants to buy a new, red car.
Zij wil een nieuwe, rode auto kopen.
We paid the bill after dinner.
Wij betaalden de rekening na het avondeten.
They traveled far to visit their family.
Zij reisden ver om hun familie te bezoeken.
I heard beautiful music coming from the house.
Ik hoorde mooie muziek uit het huis komen.