Small talk Flashcards

(58 cards)

1
Q

Gute Besserung

A

Veel beterschap!

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Tut mir leid

A

Wat jammer!
Het spijt me!

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Keine Angst!

A

Moet niet bang zijn!

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

manchmal

A

soms,
af en toe

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Forderung (en)

A

de eis, eisen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

“schwer von Begriff sein”

A

traag van begrip zijn

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

in der Nähe , nahe bei

A

in de buurt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Messer
Gabel

A

het mes,
het vork

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Teller

A

het bord

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Unsinn, Blödsinn

A

de onzin, de nonsens

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Besteck

A

het bestek

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Gepäck

A

de bagage

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Koffer (pl)

A

de koffer(s)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

überhaupt nicht,
alles andere als

A

helemaal niet, allesbehalve

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

beinahe, nahezu

A

vrijwel, bijna

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

eine ganze Reihe von…

A

een hele rits…

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Feigling

A

de lafaard

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

dieser Vergleich hinkt

A

deze vergelijking gaat mank

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Unsinn, Quatsch

Unsinn reden

A

de flauwekul,
de kul

flauwekul verkopen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

in Kraft treten, sich einbürgern lassen, wirksam werden

A

in voege komen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Anwendung, Zutreffend

…nicht anwendbar, nicht zutreffend

A

de toepassing,

… niet van toepassing (n.v.t.)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

einen Widerwillen/Abneigung haben gegen …

A

een hekel te hebben aan…

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

jetzt mal langsam/sachte

A

ho eens even

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

nach langem hin und her,
nach reiflicher Überlegung

A

na lang wikken en wegen

25
er fällt von einem Extrem ins andere
het is met hem hollen of stilstaan
26
ahnungslos sein, nichts Böses denken
van geen kwaad weten
27
in Hinsicht auf, hinsichtlich
ten opzichte van...
28
sich die Finger lecken (Sprichwort)
naar iets likkebaarden
29
"Leute jeden Schlages" (Sprichwort) Vögel jeden Gefieders
vogels van diverse pluimage
30
...von Pontius nach Pilatus...
van het kastje naar de muur sturen "
31
Pimmel, Penis, Schwachkopf, Idiot
de lul
32
Vergangenheit
het verleden
33
jedes Mass überschreiten, jede Dimension sprengen
alle perken te buiten gaan
34
Es ist nicht leicht, ...
Het valt niet mee, ...
35
hinter jemand her sein verfolgen
achter iemand aan zitten
36
für kurze Zeit, übergangsweise
tot voor kort Hij is tot voor kort bondscoach van het elftal
37
gegen Windmühlen ankämpfen
vechten tegen de bierkaai (tegen de sterke mannen)
38
etwas kommt gelegen
iets komt van pas
39
ob es passt oder nicht
te pas en te onpas Hij zou, te pas en te onpas zijn mening laten weten
40
Informant, Whistleblower
de klokkenluider
41
Verhältnis verhältnismässig, im Verhältnis zu..
de verhouding, naar verhouding, in verhouding tot...
42
jmd. auf die Nerven gehen
iemand werkt op je zenuwen
43
jmd um den kleinen Finger wickeln
iemand om de tuin leiden
44
Ein Schläfchen machen
een dutje doen/ tukje doen
45
Sehr erfreut!
Aangenaam!
46
Das steht ausser Frage, zweifellos, ohne Frage
Het staat buiten kijf
47
viel Aufhebens machen
breed uitmeten
48
nicht drankommen, unterkommen, "kein Bein auf den Boden kriegen"
niet aan de bak komen
49
auf Gerade wohl, auf gut Glück
op de bonne foi
50
über die Runden zu kommen ... den Gürtel enger schnallen...
de tering naar de nering zetten Ik moet de tering naar de nering zetten. Om de tering naar de nering te zetten moet je zuinig zijn
51
kurzen Prozess machen mit ...
korte metten maken met...
52
das Tor ist offen, es gibt kein Halten mehr
het hek is van de dam
53
Gequassel, Gefasel Schwachsinn
het geouwehoer
54
Scheisse, auch Muschi, Möse
het kut
55
dickköpfig sein, trotzig, sich stur stellen wie ein Esel
koppig zijn, "de kont tegen de krib gooien"
56
sich festfahren, Sand im Getriebe haben
spaak lopen, een spaak in het wiel steken
57
Spitzname
de geuzennaam
58
kaput gehen, zerbrechen ( z.b. Beziehung) Meine Beziehung ist kaputt gegangen!
stuk lopen, liept, liepen, zijn gelopen Mijn relatie liep stuk