Verben Flashcards

(228 cards)

1
Q

promovieren

A

tot Dokter promoveren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

(er-) scheinen

A

lijken, leek, heeft geleken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

haben

A

hebben, ik heb, jij hebt, hij heeft, wij/jullie/zij hebben
had, hadden
gehad

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

(unter-)stützen

A

steunen, steunde, heeft gesteund

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

ziehen,
reisen

A

trekken, trokken, getrokken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

abnehmen (Gewicht),
AUCH:
reduzieren , runterfallen,
ausscheiden, ausfallen (Sport)

A

afvallen, viel af, ben/zijn afgevallen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Recht haben

A

Gelijk hebben in iets

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

sich bewerben

A

solliciteren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

fahren
1. (auf Rädern, Pferd)
2. Schiff

A
  1. rijden
    hij rijdt, ik rijd
    reed,
    heeft of is gereden
  2. varen (met het schip)
    voer, heeft of is gevaren
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

verlieren

A

verliezen,
verloor, heeft verloren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

treffen,
verabreden

A

ontmoeten,
ontmoette,
heeft ontmoet

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

wählen,
aussuchen,
selektieren

Wahlen– Wiederwahlen

A

kiezen
Hij kiest…
koos,
gekozen

de verkiezing - herverkiezing

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

zu jemanden sprechen

A

tegen iemand spreken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

etw. los werden

A

iets kwijt (willen) raken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

bereuen

A

spijten,
speet,
heeft gespeten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

hören,
(genau hinhören)

A

horen, hoorde, gehoord
luisteren, luisterde, heeft geluisterd

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

kommen

A

komen,kwam(en),
zijn gekomen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

wissen, kennen

A

weten, wist(en),
geweten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

gehen

A

gaan, ging(en),
zijn gegaan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

werden

A

word(en), werd(en), is geworden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

betrügen,
ums Geld prellen

A

oplichten, lichtte op, opgelicht

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

aufspüren, entdecken, auffinden

Ermittlung, Fahndung

A

opsporen, spoorde op,
heeft opgespoord

de opsporing

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

verschmutzen

A

vuil, vervuilen,
vervuilde, vervuild

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

verschwinden

A

verdwijnen, verdween,
is verdwenen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
zweifeln
(be-) twijfelen, twijfelde, heeft getwijfeld
26
angeben (show off)
opscheppen, schepte op, heeft opgeschept
27
suchen- finden
zoeken, zocht, heeft gezocht - vinden, vond, heeft gevonden
28
bestimmen, anordnen, vorschreiben, festsetzen
bepalen, bepaalde, heeft bepaald de voorzitter bepaalde wat er in de vergadering besproken werd
29
(be-) schützen, fördern
beschermen, beschermde, heeft beschermd
30
erreichen, ans Ziel kommen
bereiken, bereikte, heeft bereikt
31
jäten ( Garten)
wieden, wiedde, heeft gewied
32
entfernen, entsorgen
verwijderen, verwijderde, heeft verwijderd
33
fordern
eisen, eiste, heeft geëist
34
wiederholen
herhalen, herhaalde, heeft herhald
35
meinen, beabsichtigen, bezwecken
bedoelen, bedoelde, heeft bedoeld Ik bedoel...
36
bedeuten, heißen, kennzeichnen Zeichen, auch Hinweis
beteken, betekende, heeft betekend het teken
37
versprechen, zusagen, geloben Das verspricht was, könnte was werden ! Versprechung, Verpflichtung
beloven, beloofde, heeft beloofd Dat belooft wat! de belofte
38
aufzählen, addieren, zusammen zählen
optellen, telde op, hebt opgeteld
39
auffordern, bitten
(dringend) verzoeken , verzocht, heeft verzocht
40
jmd. etwas vorwerfen
iemand verwijt(-en) iemand iets, verweet, heeft verweten
41
entlassen, kündigen aus den Amt ausscheiden
ontslaan, ontsloeg, heeft ontslagen ontslag nemen
42
duschen
douchen, douchte, gedoucht
43
waschen
wassen, waste, gewassen
44
zur Miete wohnen
gehuurd wonen
45
tun
doen, deed, heeft gedaan
46
speichern (Computer, Vorräte)
opslaan, sloeg op, heeft opgeslagen
47
probieren
proberen, probeerde, heeft geprobeerd
48
testen, prüfen, (Telefonnummer) eingeben, wählen
toetsen, toetste, heeft getoetst
49
(sich-)unterwerfen, unterziehen, beugen Aber auch: etw. vorlegen, unterbreiten, thematisieren
onderwerpen, onderwierp, heeft onderworpen
50
übertreffen, besser als erwartet sein
overtreffen, overtrof, heeft overtroffen
51
sich erholen von...
bekomen van ..., bekwam van, is bekomen van .. Ik moet mij nu bekomen van het ongeluk
52
bekommen, erhalten, kriegen (als Geschenk)
krijgen, kreeg, heeft gekregen
53
(fort-, weg)-gehen, (zurück-, ab)-treten, Auch: einsteigen (Bus, Tram, Zug) aufsteigen(Fahrrad)
opstappen, stapte op, opgestapt
54
ausschalten, abstellen (Strom), auch Sport
uitschakelen, schakelde uit, heeft uitgeschakeld
55
(be-)nutzen
benutten, benutte, heeft benut
56
schreiben
schrijven, schreef, heeft geschreven
57
rennen, laufen
hardlopen, liep hard, heeft hardgelopen
58
werden, würden, sollen, müssen, könnten, auch: wäre, hätte typ. Hilfsverb
zullen, zouden, heeft gezouden ik, hij, zij zal, je zult wij, jullie, zij zullen bijvoorbeeld: -Hij zal het wel vergeten hebben -je zult niet te veel eten - dat zou niet gebeurd zijn
59
brauchen, benötigen
nodig hebben, had nodig, heeft nodig gehad
60
schicken, senden, steuern
sturen, stuurde, heeft gestuurd
61
zusagen, zustimmen
toezeggen, zegte toe, heeft toegezegd
62
logisch folgern, argumentieren schlussfolgern
redeneren, redeneerde, heeft geredeneerd
63
bringen
brengen, bracht, heeft gebracht
64
geben
geven, gaf, heeft gegeven
65
bestellen
bestellen, bestelde, heeft besteld
66
sich erinnern
zich herinneren aan, herinnerde, heeft herinnerd
67
gelten, galt, gegolten
gelden, gold, heeft gegolden
68
(auf-)hetzen
ophitsen, hitste op, heeft opgehitst
69
stattfinden - nicht stattfinden
plaatsvinden, plaatshebben, gebeuren -- niet doorgaan
70
steuern, leiten (Fahrzeug, Unternehmen)
besturen, bestuurde, heeft bestuurd
71
hoffen Hoffnung (Groll) hegen
hopen, hoopte, heeft gehoopt Hoop (wrok) koesteren
72
(auf-) lösen (z.b. eine Aufgabe, auch chemisch, sich...
oplossen, loste op, heeft opgelost
73
einreichen, vorlegen, abgeben
indienen, diende in, heeft ingediend
74
benachrichtigen
inlichten, lichtte in, heeft ingelicht Iemand bericht geven
75
können
kunnen, kon, heeft gekund
76
(be-)merken
merken, merkte, heeft gemerkt
77
sehen, schauen
zien, zag, heeft gezien
78
pinkeln
plassen, plaste, heeft geplast
79
kacken, sch...
poepen, poepte, heeft gepoept
80
stehlen, klauen
stelen, stal, heeft gestolen
81
sich beeilen, vorwärts kommen
opschieten, schoot op, is opgeschoten
82
beschränken, einschränken, eingrenzen unbeschränkt
beperken, beperkte, heeft beperkt onbeperkt
83
gut aufpassen, achtgeben Pass auf was Du sagst
opletten, lette op, heeft opgelet "Let op uw worden" oppassen, paste op, heeft opgepast
84
etw. erlassen, verhängen, ausformulieren
uitvaardigen, vaardigde uit, heeft uitgevaardigd
85
beweisen
bewijzen, bewees, heeft bewezen
86
Angst haben, fürchten
vrezen, vreesde, heeft gevreesd
87
bedrohen, Bedrohung
bedreigen, bedreigde, heeft bedreigd de dreiging
88
an die Arbeit gehen
aan de slag gaan
89
behaupten
beweren, beweerde, heeft beweerd
90
vernichten
vernietigen, vernietgde, heeft vernietigd
91
werfen
gooien, gooide, heeft gegooid
92
(an-)lehnen
leunen, leunde, heeft geleund
93
schieben, ziehen, rucken, gleiten
schuiven, schoof, is/heeft geschoven
94
missbilligen, beanstanden, ausmerzen Ich missbillige Gewalt
afkeuren, keurde af, heeft afgekeurd Ik keur geweld af
95
brauchen, bedürfen Bedarf, Bedürfnis
(be)hoeven, (be)hoefde, heeft (be)hoefd de behoefte
96
vertreten, ersetzen als Ersatz für..., Vertretung
vervangen, verving, heeft vervangen ter vervanging van..., de vervanging
97
erklären, deuten, erläutern, seinen Standpunkt deutlich machen Erklärung
verklaren, verklaarde, heeft verklaard (zich), zich nader verklaren de verklaring
98
verwechseln, durcheinander bringen, zerzausen, verwirren
verwaaren, verwarde, heeft verward
99
verletzen (durch Worte)
kwetsen, kwetste,heeft gekwetst Zij kwetste mij als zij twijfelte!
100
verletzen (körperlich)
blesseren, blesserde, heeft geblesseerd
101
gewährleisten, verbürgen
waarborgen, waarborgde, heeft gewaarborgd
102
benachrichtigen, im Sinne von warnen, mahnen, verständigen, in Kenntnis setzen, Sei gewarnt! Ich warne dich
waarschuwen, waarschuwde, heeft gewaarschuwd! "Wees gewaarschuwd!"
103
1. treffen, berühren (auch sprichwörtlich) 2. zusammen mit Adjektiv: werden, wurden viele Sprichwörter
raken, raakte, heeft geraakt is geraakt 1. " de speler kon geen bal raken" 2. " zwanger raken, gewend raken, gewond raken "
104
sich trauen, wagen, den Mut haben
durven, durfde, heeft gedurfd
105
dürfen
mogen, mocht, heeft gemogen
106
hinken, lahmen
mank gaan
107
(ver-)tauschen, wechseln, austauschen
verruilen voor
108
vergessen
vergeten, vergaat, Is/heeft vergeten
109
sich täuschen, irren aus Versehen
(zich) vergissen, vergiste, heeft zich vergist bij vergissing
110
demonstrieren, darlegen, argumentieren
betogen, betoogte, heeft betoogd
111
(wert-) schätzen, würdigen Sie fühlte sich nicht gewertschätzt
waarderen, waardeerde, heeft gewaardeerd Zij voelde zich niet gewaardeerd!
112
herausfordern Er forderte mich heraus den Berg zu besteigen
uitdagen, daagde uit, heeft uitgedaagd Hij daagde me uit de berg te klimmen
113
siegen, überwinden
overwinnen, overwon, heeft overwonnen
114
sich ausdenken, ersinnen, sich einfallen lassen, überlegen
verzinnen, verzon, heeft verzonnen
115
bezeugen 1. z.b. vor Gericht 2. bestätigen
1. getuigen, getuigde, heeft getuigd 2. betuigen, betuigde, heeft beuigd
116
bekämpfen Die Krankheit kann nicht bekämpft werden
bestrijden, bestreed, heeft bestreden De ziekte kan niet bestreden worden
117
zögern, schwanken das Zögern Zögere nicht mich anzurufen
aarzelen, aarzelde, heeft geaarzeld de aarzeling Aarzel niet om me te bellen
118
rennen, davon stürmen, ein durchgehendes Pferd hereinstürmen
hollen, holde, heeft gehold een hollend paard binnen komen hollen
119
lernen, lehren
leren, leerde, heeft geleerd
120
taugen
deugen, deugde, heeft gedeugd
121
vorhersagen, voraussagen, prophezeien Sie kann die Zukunft vorhersagen
voorspellen, vorspelde, heeft voorspeld Zij kan de toekomst voorspellen
122
verneinen, (ab-, be-)streiten, leugnen Er leugnete, dass Opfer geschlagen zu haben
ontkennen, ontkende, heeft ontkend Hij ontkende dat hij het slachtoffer had geslagen
123
schlummern, halb schlafen, halb anwesend
sluimeren, sluimerde, heeft gesluimerd
124
(ein)-sparen
bezuinigen, bezuinigde, heeft bezuinigd
125
lügen
liegen, loog, heeft gelogen
126
lecken
likken, likte, heeft gelikt
127
verarschen Willst Du mich verarschen?
voor de gek houden, verneuken, verneukte, heeft verneukt Wil je mij voor de gek houden? Wil je mij verneuken?
128
( herum-)pfuschen, -murksen
kloten
129
befürworten, verfechten, eintreten für, plädieren Sie befürwortet eine harte Hand
(be)pleiten, bepleitte, heeft bepleit Zij pleitte voor een harde hand
130
beginnen, anfangen
beginnen, begon, is begonnen aanvangen, ving aan, is aangevangen (formele)
131
sich bewusst sein, erkennen, sich im Klaren sein
beseffen, besefte, heeft beseft
132
explodieren, hochgehen vor Wut hochgehen
ontploffen, ontplofte, heeft ontploft
133
vergewaltigen
verkrachten, verkrachtte, heeft verkracht
134
enthalten, fassen auch: begreifen, fassen
bevatten, bevatte, heeft bevat
135
abwiegen (z.b. Gemüse) auch: abwägen die Abwägung, Überlegung
afwegen, woog af, heeft afgewogen ( groenten) de afweging
136
schimpfen
schelden, schold, heeft gescholden
137
schikanieren, bullying Sie wurde wegen ihrer ... schikaniert
pesten Zij werd gepest om haar...
138
(vor)-zeigen Er konnte keine Papiere zeigen Inhaber, Besitzer, Überbringer
tonen, toonde, heeft getoond Hij konde niet de papieren tonen de toonder
139
sollen, müssen, haben... zu wenn der Schmerz nicht nachlässt, sollten sie den Arzt verständigen
dienen te... indien de pijn niet verdwijnt, dient u uw arts te waarschuwen
140
übersetzen (z.b.Sprache)
vertalen, vertaalde, heeft vertaald
141
leisten, verrichten, vornehmem, tätigen
verrichten, verrichtte, heeft verricht
142
durcheinanderbringen, vermengen
door elkaar halen, haalde, heeft gehaald
143
ausgeben, aufwenden (Zeit, Geld) ... für Beachtung schenken für... Nomen: Aufwand, Aufwendung Sie verwendete viel Zeit in der Pflege ihres Vaters Das ist nichts für ihn
besteden, besteedde, heeft besteed (aan) aandacht besteden aan... de besteding Zij besteedde veel tijd aan het verzorgen van haar vader Dat is niet aan hem besteed
144
zugeben, eingestehen, bekennen
bekennen, bekende, heeft bekend
145
lachen
lachen, lachte, heeft gelachen
146
informieren, erklären, beraten
voorlichten, lichtte voor, heeft voorgelicht Zij lieten zich voorlichten over verschillende mogelijkheden..
147
ausrotten, vernichten, vertilgen
uitroeien, roeide uit, heeft uitgeroeid
148
anheben, erhöhen, seine Stimme erheben!
verheffen, verhief, heeft verheven zin stem verheffen
149
verfügen, anordnen, VS. ablehnen
beschikken, beschikte, heeft beschikt afwijzend beschikken
150
lüften
luchten, luchtte, heeft gelucht
151
zaubern
toveren, toverde, heeft getoverd
152
gelten
gelden, gold, heeft gegolden iets geldt
153
ausharren, beharren, durchhalten, bleiben bei
volharden, volhardde, heeft...
154
(offiziel) übertragen
overdragen, droeg over, heeft overgedragen
155
absetzen entmachten, auch: befreien
ontzetten, ontzette, heft ontzet
156
tauchen, (ab, auf)
duiken, dook, is/ heeft gedoken
157
anhalten, anbehalten ( Kleidung), auch: festnehmen, einhalten, aufschieben, aussetzen
aanhouden, hield aan, heeft aangehouden Zij hield me aan, oom... Je kunt je jak aanhouden De politie heeft hem aangehouden De regen heeft lang aangehouden
158
schlagen, hämmern
bonzen, bonsde, heeft gebonsd
159
erbrechen, kotzen
braken, braakte, heeft gebrakt
160
streiken, Streik
staken, staakte, heeft gestaakt de staking
161
wiederaufnehmen
hervatten, hervatte, heeft hervat Ik heb het leren van de taal hervat, als ik de cursus heb aangevraagd
162
drucken, drucken ausser: Schuh, Hose drückt sich vor etwas drücken
drukken, drukte, heeft gedrukt knellen, knelde, heeft gekneld Ik moet minder eten, want mijn broek knelt Ik zou maar liever trachten de ontsnappen aan de taak
163
beifügen, anhängen
bijvoegen, voegde bij, heeft bijgevoegd
164
löschen -Feuer -Licht -Daten -Durst -Ladung -Schulden -Konto
-het vuur blussen, bluste, heeft geblust -de tv, het licht uitdoen, deed uit, heeft uitgedaan -het computerbestand wissen, wiste, heeft gewist - de dorst lessen, leste, heeft gelest - de vracht lossen, loste, heeft gelost - de rekening opheffen, hief op, heeft opgeheven
165
fehlen, unterscheiden, differieren, Ist mir egal/schnuppe/gleich/einerlei , kümmert mich nicht, pfeif ich drauf Was fehlt ihnen?
schelen, scheelde, heeft gescheld kan mij niet schelen Wat schelt er U?
166
liefern, ergeben, bringen, abwerfen
opleveren, leverde op, heeft opgeleverd
167
annehmen, vermuten auch stellen , aufstellen behaupten Stell dir vor dass... angenommen dass ... gesetz dem Fall dass...
stellen, stelde, heeft gesteld Stel dat je... gesteld (het geval) dat...
168
eine Sitzung haben, tagen
vergaderen, vergarderde, heeft vergarderd
169
näher kommen, herantreten an, annähern Sie sind an sie herangetreten um ...
benaderen, benaderde, heeft benaderd Zij hebben haar benaderd om ...
170
entfalten, entwickeln Er entfaltete neue Aktivitäten
ontplooien, ontplooide, heeft ontplooid Hij ontplooide nieuwe aktiviteiten
171
entbinden, gebären Entbindung, Geburt
bevallen, beviel, is bevallen de bevalling
172
kapieren, verstehen, begreifen
snappen, snapte, heeft gesnapt
173
beachten (wahrnehmen) beachten (befolgen)
- letten op, op lette, heeft opgelet - nakomen, kwam na, is nagekomen Hij kwam zijn belofte niet na!
174
wischen, fegen, auch löschen (Daten)
wissen, wiste, heeft gewist hij wiste het zweet van zijn gezicht
175
sein
zijn, was/waren, is geweest Informeel: wees, wezen?
176
durchleuchten, genau untersuchen
doorlichten, lichtte door, heeft doorgelicht
177
vorschlagen, äussern, vorbringen
opperen, opperde, heeft geopperd hij opperde het plan om iets te gaan drinken na het werk
178
schneiden (schere), auch: knipsen, klicken, lochen, entwerten, blinzeln, zwinkern
knippen, knipte, heeft geknipt
179
- fallen - darunter fallen (=dazu gehören) - gefallen (gerne haben) - missfallen - auch donnern, poltern
- vallen, viel, is gevallen - vallen onder Dat valt eigenlijk onder... - vallen op Zij valt op oudere mannen -vallen over hij viel over de toon van de brief donderen, donderde, heeft gedonderd
180
versetzen, umstellen, verlegen auch: sich widersetzen, auflehnen gegen...
verzetten, verzette, heeft verzet zich verzetten tegen...
181
besessen sein von, nicht loslassen können
obsederen, obsedeerde, heeft geobsedeerd Hij is helemaal geobsedeerd van zijn nieuwe vriendin
182
beleidigen Beleidigung
beledigen, beledigde, heeft beledigd de belediging
183
biegen, beugen auch sprichwörtlich: sich verbiegen, sich.. beugen
buigen, buigde, heeft gebuigd men zou buigen voor dezelfde destructieve tactieken als...
184
überzeugt werden, sein
van overtuigd raken zij rakte van overtuigd dat...
185
durch-, ausführen
uitvoeren, voerde uit, heeft uitgevoerd
186
bleiben bei... ihnen gegenüber bleibe ich bei meiner Neigung...
houden op ... tegenover hen houdt ik mijn neiging op ...
187
verwöhnen
verwennen, verwendte, heeft/zijn verwend
188
bestätigen, bekräftigen, bejahen, bescheinigen Bestätigung, Bescheinigung
bevestigen, bevestigde, heeft bevestigd de bevestiging
189
schreien
schreeuwen, schreeuwde, heeft geschreeuwd Zij schreeuwden letterlijk...
190
weinen
huilen, huilde, heeft gehuild
191
verwenden, gebrauchen, anwenden
bezigen, bezigde, heeft gebezigd
192
verstehen, begreifen
versta(at, an), verstond (en), heeft verstaan begrijpen, begreep, hebben begrepen
193
behindern, einschränken
belemmeren, belemmerde, heeft belemmerd
194
(be-, vor-)herrschen Herrscher Beherrschung
overheersen, heerste over, hebben overheerst overheerser overheersing
195
Geld - abheben - überweisen
het geld - opnemen - overmaken
196
nachahmen, -bilden
nabootsen, bootste na, heeft nagebootst
197
ertragen, erlösen, abwerfen (finanz.), Auch: festnehmen ( Polizei), großziehen ( Kinder, Tiere) Ertrag, Erlös
opbrengen, brachte op, heeft opgebracht de opbrengst
198
gelingen, glücken, Erfolg haben bestehen (Prüfung) Aussicht auf Erfolg haben
slagen, slaagde, heeft geslagd slagen voor kans op/van slagen
199
schlagen, hauen, prägen (Münzen) an die Arbeit gehen, zu Boden schlagen, krankenhausreif schlagen sich überschlagen Nägel mit Köpfen machen ausser Acht lassen
slaan, sloeg, heeft geslagen aan het werk slaan tegen de vlakte slaan het ziekenhuis in slaan over de kop slaan spijkers met koppen slaan geen acht slaan op...
200
sammeln, erreichen
vergaren, vergaarde, heeft vergaard Zij vergaarde een collectie van... Hij probeerde kennis te vergaren...
201
verwirklichen
verwezenlijken hij verwezenlijkte zijn droom
202
verschaffen, vergeben, bereitstellen (Geld) Sie geben uns keine Kredite/ Darlehen
verstrekken, verstrekte, heeft verstrekt zij verstrekken geen leningen voor ons
203
verschiessen, verfeueren, Auch: erschrecken, erblassen
verschieten, verschot heeft verschoten
204
unterdrücken
te kop indrukken
205
überbewerten, überbewertet
overwaarden, overgewaardeerd
206
(sich) erfreuen (über, auf) sehr erfreut
(zich) verheugen (over, op), verheugde, verheugd
207
vermindern, sinken, im Wert abnehmen Verminderung, Senkung, Rückgang bei einer Wertverminderung...
dalen, daalde, heeft gedaald, de daling bij een waardedaling...
208
sich zeigen, herausstellen, erweisen Es stellte sich als falsch heraus
blijken, bleek, heeft gebleken het bleek verkeerd te zijn
209
erneut erwägen, sich erneut besinnen Ich überlege es noch einmal
heroverwegen Ik heroverweeg
210
auflösen (z.b. eine Vereinigung, Treffen etc )
opdoeken, doekte op, heeft opgedoekt
211
eifern
ijveren, ijverde, heeft geijverd
212
empfehlen Empfehlung Es empfiehlt sich
aanbevelen, beveelt aan, heeft aanbeveelt aanbeveling Het verdient aanbeveling
213
verfeinern Verfeinerung, Raffinement
verfijnern, verfijnerde, heeft verfijnerd de verfijndheid
214
(sich) qualifizieren, ausbilden, vervollkommnen Ich bin eine qualifizierte Mitarbeiterin
(zich) bekwamen, bekwaamde, heeft zich bekwaamd Ik bekwaam meewerker
215
entkräften
ontkrachten, ontkrachtte, heeft ontkracht
216
entsagen, leugnen, abschwören seinen Glauben abschwören seine Pflicht verletzen seine Versprechen nicht einhalten
verzaken, verzaakte, heeft verzaakt zijn geloof verzaken zijn plicht verzaken zijn belofte verzaken
217
abhauen , Auch absteigen,
ophoepelen, hoepelde op, heeft opgehoepeld
218
schrumpfen (Wirtschaft) das Schrumpfen
inkrimpen, krimpte in, zijn ingekrompen de inkrimping
219
schaffen, errichten, hervorbringen, schöpfen
scheppen, schepte , heeft geschept
220
erlassen (Schulden, Strafe)
kwijtschelden, schold kwijt, heeft kwijt gescholden
221
wechseln, säubern ( Kleidung, Bettwäsche) auch: entschuldigen, verbitten sich etwas verbitten
verschonen van iets verschoond wensen te blijven
222
überschreiten, übertreten, überziehen Überschreitung
overschrijden, hij overschreed, hij heeft overschreden
223
sich erschöpfen,verausgaben bei/ in
zich uitputten (put uit), putte uit, is uitgeput
224
Schluss machen mit
ermee kappen Ik heb met de relatie gekapt Ik heb ermee gekapt!
225
beengen, beklemmen eng, beklommen, Auch: stickig, schwül -es mit der Angst zu tun bekommen - mir wird schlecht
benauwen, benauwd het benauwd krijgen Ik krijg het benauwd
226
zügeln, bändigen
intomen
227
zurück schrecken,
terugdeinzen Ik deins terug, jij deinst terug, ... ik, wij...deinsde(n) terug, zijn teruggedeinsd
228
wollen
willen, wilden, heeft gewild