Tussenstop 2 Flashcards

(71 cards)

1
Q

behoudend, vasthoudend aan het vertrouwde

A

conservatief

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

jongste zoon

A

benjamin

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

ziekenhuis vooral voor militairen

A

hospitaal

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

wanneer je als volwassene moeite hebt met lezen, schrijven en rekenen

A

laaggeletterdheid

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

heftig uitvaren

A

fulmineren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

tot in het oneindige, eindeloos

A

ad infinitum

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

in razende woede ontstoken vrouw; razende woede

A

furie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat is een isolerende taal?

A

extreemste geval van analytische taal (plaats en intonatie bepalen de betekenis)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

inlijven bij; opnemen in iets

A

incorporeren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

aantal woorden dat een begrip uitdrukt, een zinsdeel of zin

A

frase

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

grote ramp

A

calamiteit

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

geheel van competenties om informaties te verwerven, verwerken en gericht te gebruiken (omgaan met taal, cijfers, grafische gegevens, ICT en multimedia)

A

geletterdheid

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

woordenschat

A

vocabulaire

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

hartaanval, hartinfact

A

attackske

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat is een synthetische taal?

A

taal waarbij woorden veelvuldig vervoegd of verbogen kunnen worden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

staatsgreep

A

coup

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

gericht tegen de persoon; op de man af

A

ad hominem

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

ernstige taalstoornis waarbij taal en spraak niet goed begrepen worden en zinnen niet goed geformuleerd worden

A

afasie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

voortzetten, een rechtszaak uitstellen

A

continueren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

wanneer je
- meer dan één taal kunt begrijpen, schrijven of spreken
- regelmatig meer dan één taal gebruikt

A

meertaligheid

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

ontploffen

A

exploderen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

proces van taalverwerving, gericht op de ontwikkeling van lees- en schijfvaardigheid

A

alfabetisering

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

taal die iemand tijdens het opgroeien op een natuurlijke manier heeft geleerd

A

moedertaal

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

jeugdig, m.b.t. de jeugd

A

juveniel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
reageren; kopiëren, herhalen
repliceren
26
overgang naar een nieuwe periode
wende
27
zich bewust zijn van iets
realiseren
28
(medisch) verontreiging of besmetting met chemische stof of bacterie; (taalkundig) onjuiste samenvoeging van twee woorden of uitdrukkingen
contaminatie
29
schijnbaar, als het ware, zogenaamd
quasi
30
verhoogde gevoeligheid voor stoffen
allergie
31
taal die je thuis met je vrienden of je ouders gebruikt om over alledaagse dingen te praten
thuistaal
32
op staande voet, onmiddellijk
stante pede
33
bezigheid die je voor je pleizer doet, onbeduidende activiteit
spielerei
34
twee talen beheersen
tweetaligheid
35
aanhoudend gezeur, gezanik, geklaag
gejeremieer
36
versnellen, optrekken
acceleren
37
uitwisselen van informatie, in verbinding staan, spreken
communiceren
38
innen, gedwongen zijn te ondergaan
incasseren
39
aangeven, verklaren
declareren
40
winnen van de sympathie van het toegesproken publiek
captatio benevolentiae
41
in het jaar des Heren
anno domini
42
Wat is een analytische taal?
taal waarin de extra informatie in losse lidwoorden, voorzetsels en bepalingen gegeven wordt
43
voorzichtig, listig uitvoeren, tot stand brengen
manoeuvreren
44
stoken, branden; met enige moeite afleiden uit
distillleren
45
verdedigend
defensief
46
bevestigen, bekrachtigen
confirmeren
47
(auto) totaal stuk na ongeval, niet meer te herstellen; (ruimer) opgebrand, pompoaf, doodop
total loss
48
overwicht van het Engels in onze cultuur
anglificatie
49
Leg uit: het Nederlands evolueerde van een synthetische naar een analytische taal.
- analytische talen zijn versleten synthetische talen - het Nederlands van de vorige eeuw kende nog woorden als 'den', 'hets', 'ter'
50
volharden
persisteren
51
samenvoegen, monteren, ineenzetten
assembleren
52
stoornis bij de ontwikkeling van taal waarbij je veel moeite hebt met praten of met het begrijpen van taal
taalontwikkelingsstoornis
53
neurocognitieve stoornis waarbij de hersenen niet goed taal verwerken
taalstoornis
54
tot een besluit komen
concluderen
55
hoe dan ook, in elk geval
sowieso
56
wrok, haat, rancune
ressentiment
57
ziekenwagen, verplaatsbaar veldhospitaal
ambulance
58
beslissing afdwingen, openbreken, te veel van zichzelf vragen
forceren
59
tot walgens toe, tot misselijk wordens toe
ad nauseam
60
sterk verlangen om te reizen, uit de eigen leefwereld te treden
wanderlust
61
meedogenloos, zonder pardon, zonder medelijden, nietsontziend
rücksichtlos
62
theoloog (def.)
een beoefenaar van de theologie (= wetenschap die God en de godsdienst bestudeert)
63
perfectionisme (def.)
het stellen van (te) hoge eisen aan jezelf of aan anderen, wat leidt tot faalangst en stress
64
faalangst (def.)
angst om te falen (= je doel niet bereiken)
65
meritocratisch (def.)
betrekking hebbend op een meritocratie (= samenleving waarin belangrijk wordt gevonden wat je individueel hebt gepresteerd)
66
de waan van de dag (def.)
wat iedereen op een bepaald moment bezighoudt, maar ook snel kan veranderen
67
posttraumatisch (def.)
na een trauma (= psychische aandoening of stoornis als gevolg van een schokkende ervaring)
68
promovendus (def.)
wetenschapper die zijn of haar proefschrift verdedigt waarop hij of zij wil promoveren (om 'doctor' te worden)
69
beproeving (def.)
- onaangename gebeurtenis - test
70
gedijen (def.)
zich goed ontwikkelen
71
privilege (def.)
het recht op iets bijzonders dat je mag of krijgt