Tussenstop 3 Flashcards

(71 cards)

1
Q

in de problemen zitten

A

in nauwe schoentjes zitten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Die spoort niet helemaal.

A

Daar is een hoek af.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

aan dezelfde kwaal lijden

A

in hetzelfde bedje ziek zijn

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

het moeilijk hebben

A

het niet onder de markt hebben

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

zware pech hebben

A

gesjareld zijn

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

De wereld draait niet om jou.

A

D’n evenaar loopt niet door uw gat.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Daar komt ruzie van.

A

Daar komen vodden / brokken van.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

een brok in de keel hebben

A

een krop in de keel hebben

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

met je neus in de boter gevallen zijn

A

met je gat in de boter gevallen zijn

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Dat kost een rib uit m’n lijf!

A

Dat kost stukken van mensen!

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

dubbel en dwars verdiend

A

dubbel en dik verdiend

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

De kat op het spek binden.

A

De kat bij de melk zitten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

een zwak voor iemand hebben

A

een boontje voor iemand hebben

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

uitgeput zijn

A

je bobijntje is af

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

een bok schieten

A

een kemel schieten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

De huid van de beer niet verkopen voor hij geschoten is.

A

Het vel van de beer niet verkopen voor hij geschoten is.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

op een steenworp

A

op een boogscheut

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

iemand voor de gek houden

A

iemand voor de zot houden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Dat zet geen zoden aan de dijk.

A

Dat zet geen aarde aan de dijk.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Opzouten!

A

Bol het af!

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

in je vuistje lachen

A

in je baard lachen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

mosterd na de maaltijd

A

vijgen na Pasen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

uit de school klappen

A

uit de biecht klappen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

wat anders aan zijn hoofd hebben

A

andere katten te geselen hebben

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Dat is andere koek.
Dat is een ander paar mouwen.
26
ten einde raad zijn
niet meer weten van welk hout pijlen te maken
27
helemaal in de rats of in de put zitten; het niet meer zien zitten
in zak en as zitten
28
met het blote lichaam, naakt
in adamskostuum rondlopen
29
ineens begrijpen hoe iets in elkaar steekt
de schellen die van de ogen vallen
30
een hinderlijk/ergerlijk iets of iemand
steen des aanstoots
31
iemand die anderen niet op hun woord gelooft
een ongelovige Thomas
32
een prachtig oord, het 'beloofde land'
het land van melk en honing
33
Kwaad dat je een ander wilt berokkenen, overkomt jezelf.
Wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in.
34
terecht of onterecht de schuld krijgen voor alles wat fout gelopen is, terwijl ook anderen mee verantwoordelijk waren
de zondebok zijn
35
een teken van naderend onheil of een aankondiging dat er iets belangrijks of ergs gaat gebeuren
een teken aan de wand
36
vijftig jaar worden
Abraham (of Sara) zien
37
Loop niet te koop met je goedheid.
Laat uw linkerhand niet weten wat uw rechterhand doet.
38
Iemand met een grote mond spoedig inbinden.
Hoogmoed komt voor de val.
39
je talenten goed gebruiken
met je talenten woekeren
40
mensen gelijk en dus eerlijk behandelen
met dezelfde maat meten
41
je tijd en energie niet verspillen aan wie het niet waard is
parels voor de zwijnen gooien
42
de oorzaak of schuld bij jezelf zoeken
de hand in eigen boezem steken
43
Wat je bezighoudt, daar praat je over.
Waar het hart van vol is, loopt de mond van over.
44
benadrukken dat je nergens schuld aan hebt
de handen in onschuld wassen
45
een moeilijke klus of taak ontlopen
de (drink)beker aan je voorbij laten gaan
46
Vel geen oordeel over iemand anders, want we hebben allemaal onze fouten.
Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen.
47
iets dat stiekem of oneerlijk wordt gedaan
het daglicht niet verdragen
48
een periode van voorspoed die wordt gevolgd door een tijd van tegenspoed
zeven vette en zeven magere jaren
49
een huichelaar; iemand die zich anders voordoet dan hij in werkelijkheid is
een wolf in schaapskleren
50
de kleine fouten van een ander opmerken, maar je eigen grote fouten niet zien
de splinter in andermans ogen zien, maar niet de balk in eigen oog
51
helemaal in de rats of in de put zitten; het niet meer zien zitten
de zwaarden omsmeden tot ploegscharen
52
wanneer iemand een besluit genomen heeft genomen waarop die later onmogelijk kan terugkomen
Alea iacta est. (De teerling is geworpen.)
53
je concurrenten tegen elkaar uitspelen door de ene meer rechten te geven dan de andere om zo zelf de macht te behouden
Divide et impera. (Verdeel en heers.)
54
zich moeten onderwerpen aan iemand
onder het juk doorgaan
55
Hoe je je geld verdient, speelt geen rol.
Geld stinkt niet.
56
iets niet helemaal voor waarheid aannemen
met een korreltje zout nemen
57
overlijden
in Charons boot treden
58
harde maatregelen treffen
draconische maatregelen treffen
59
een overwinning die zo kostbaar is dat het eigenlijk een nederlaag is
een pyrrusoverwinning behalen
60
Stel niet uit als je iets leuk vindt.
Carpe diem. (Pluk de dag.)
61
Wat me tot mens maakt, is het feit dat ik denk.
Cogito ergo sum. (Ik denk, dus ik ben.)
62
Een leugentje kan wanneer de bedoeling goed is.
een leugentje om bestwil
63
De wet moet gehoorzaamd worden, want het is nu eenmaal de wet.
Dura lex, sed lex. (De wet is hard, maar het is de wet.)
64
Iets te snel doen, resulteert vaak in iets dat slecht gedaan is.
Haast en spoed is zelden goed.
65
De mens is hard voor de andere; de mens is zelfzuchtig.
Homo homini lupus (est). (De mens (is) voor de mens een wolf.
66
De tijd gaat snel voorbij; zorg ervoor dat je die goed gebruikt.
De tijd vliegt snel (, gebruik hem wel.
67
Het gevaar zit pas aan het einde; het boosaardige zit in het slot.
Het venijn zit in de staart.
68
Dronken mensen zeggen vaak waar het op staat.
In vino veritas. (In wijn zit waarheid.)
69
Denk eraan dat je ooit zult sterven.
Memento mori. (Gedenk je sterfelijkheid.)
70
(letterlijk) In wat voor tijden leven we toch, met wat voor gewoonten! = Waar moet het heen met de wereld?
O tempora, o mores! (Wat een tijden, wat een zeden!)
71
Gemaakte afspraken moeten worden nagekomen.
Pacta sunt servanda. (Overeenkomsten moeten nagekomen worden.)