Vitale parameters Flashcards

(73 cards)

1
Q

Antipyretisch

A

Koortswerend

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Atherosclerose

A

Vaataandoening met bloedvatvernauwingen op verschillende plaatsen als gevolg van plaquevorming

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Contractiliteit

A

het vermogen zich samen te trekken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Axilla

A

Okselholte

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Cardio-

A

Betrekking hebbend op het hart

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Cardiogeen

A

Afkomstig van of veroorzaakt door het hart

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Diastole

A

de ontspanningsfase van het hart waar het zich terug vult met bloed, hartspieren ontspannen en de kleppen opengaan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Febriel

A

koortsig/achtig
subfebriele koorts tot 37,9°

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Fibrilatie

A

onregelmatige, asynchrone elektrische activiteit die niet of nauwelijks tot contractie leidt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

hartcyclus

A

de volledige periode van een contractie: van het begin van een contractie tot het begin van een volgende contractie, opengaan kleppen, pompen bloed vanuit ventrikels tot sluiten kleppen en vullen atria

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

HMV

A

hoeveelheid bloed die in één minuut door een ventrikel wordt uitgepompt
SV X HF

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

hypertensie
(gevolgen)

A

vastgestelde verhoogde bloeddruk
lange termijn slecht voor hart, nieren, vaten, hersenen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

hyperthermie

A

verhoogde lichaamstemperatuur die onder fysiologische omstandigheden optreedt bv lichamelijke inspanning of hoge omgevingstemperatuur

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Koorts

A

(>38°C): Een verhoogde lichaamstemperatuur, vaak een reactie op een infectie (bv. bacteriële of virale infectie), ontsteking of sepsis.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Hypervolemie

A

te groot bloedvolume

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Hypotensie
wijst op?

A

te lage bloeddruk
kan wijzen op shock of bloed/volumeverlies

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Hypothermie
(+oorzaak)

A

kerntemperatuur lager dan 36°
oorzaak: blootstelling koude, shock, uitputting, een te traag werkende schildklier (hypothyreoïdie)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

hypovolemie

A

te laag bloedvolume

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

infraroodthermometer

A

digitale thermometer de zonder fysiek contact met de ptn diens temperatuur meet dmv infraroodtechniek

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

ischemie

A

plaatselijk en tijdelijk zuurstoftekort doordat bloedtoevoer naar lichaamsdeel is geblokkeerd

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

kerntemperatuur

A

temperatuur van inwendige van het lichaam

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

korotkovtonen

A

de tonen die je bij bloeddruk meten hoort auscultatie vd arterie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

mm Hg

A

millimeter kwik eenheid van druk (bloeddruk)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

palperen (palpatie)

A

onderzoek door tast/voelen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
percussie
bekloppen om geluiden te horen
26
pilo-erectie
het rechtop staan van haren
27
pyrogeen
koortsverwekkend
28
sfygmomanometer
instrument waarmee arteriële bloeddruk indirect kan worden gemeten (Riva Rocci)
29
shock
levensbedreigende toestand na een ernstig letsel of ziekte, als gevolg van ontoereikende bloedstroom
30
systole
hartcontractie periode wanneer de ventrikels samentrekken
31
thermoregulatie
warmteregeling, functie het handhaven van een constante inwendige lichaamstemperatuur
32
vasoconstrictie
vernauwen van de BV waardoor minder warmte wordt afgegeven en verhoogt de BD
33
vasodilatatie
verwijding van de BV waardoor warmte wordt afgegeven en BD verlaagd
34
bradycardie oorzaken?
hartslag lager dan 60/min oorzaken: goedgetrainde sporter, hypothyreoïdie, of geleidingsstoornis hart
35
tachycardie (+oorzaak)
hartslag hoger dan 100/min oorzaken: stress, angst, shock, uitdroging, bloeding
36
wat betekent zwakke pols
polsdruk is afgenomen, zegt iets over druk waarmee het bloed door het hart wordt gepomd
37
Verschillende soorten anamnese?
* **speciële anamnese** vragen over de hoofdklachten * **algemene anamnese** vragen naar alle belangrijkste orgaanstelsels (AH, BD, spijsvertering,...) * **familiale anamnese** vragen over ziekten in familie * **vroegere anamnese** medische voorgeschiedenis * **hetero anamnese** buren of omstaanders vragen * **auto-anamnese** de patient zelf kan beantwoorden
38
Wat zijn de vitale functies?
levensnoodzakelijke functies (bij uitval onmiddellijk levensbedreigend) * bewustzijn * AH * bloedcirculatie
39
Wat zijn de vitale parameters?
meetbare indicatoren die we gebruiken om de vitale functies te beoordelen: * lichaamstemperatuur * pols * AH * BD
40
Normaalwaarden: Lichaamstemperatuur Polsfrequentie Ademhalingsfrequentie Bloeddruk (systolisch/diastolisch)
ca. 36°C - 37°C - 36°C - 38°C (pasgeborenen) 60 - 100 slagen/minuut - 90 - 140 slagen/minuut 14 - 18 ademhalingen/minuut - 30 - 80 ademhalingen/minuut 100-120/ 60-80 mmHg -
41
wat is lichaamstemperatuur (hoe werkt dit? receptor/ control center/effectors)
het resultaat tss evengewicht warmteproductie en - verlies wordt in de hypothalamus (ism hypofyse) geregeld via thermoreceptoren in huid en hypothalamus met vasoconstictie en -dilatatie, zweten, rillen skeletspieren
42
wat zijn factoren die invloed hebben op onze vitale parameters?
* leeftijd * geslacht * etniciteit * circadiaanse ritme * geneesmiddelen * pijn
43
Hoe meet je lichaamstemperatuur?
* rectaal (nt bij rectale problemen) * oraal (niet bij bewusteloze ptn) * axillair * tympanisch (oor) * arteria temporalis
44
Waar meet je de pols?
arteria radialis (binnenkant duim), arteria femoralis (dijbeen) arteria carotis (hals) arteria poplitea (knieholte) arteria dorsalis pedis (voet)
45
Hoe meet je de BD?
* indirect met sfygmomanometer en stethoscoop * direct intra arterieel met katheter bij intensieve care ptn
46
Het lichaam verliest warmte aan de omgeving via vier mechanismen:
*straling/radiatie: uitstralen zndr direct contact * evaporatie/verdamping: uitzweten/-ademen * conductie/geleiding: via direct contact met een kouder oppervlak * convectie/stroming: luchtlaagje om de huid, door bewegende lucht of water
47
wat is deltatemperatuur?
verschil tss kerntemperatuur en huidtemperatuur
48
Tachypneu (+oorzaak)
(>24/min): Een versnelde ademhaling, vaak gezien bij koorts, angst of zuurstoftekort.
49
Bradypneu (+oorzaak)
(<10/min): Een vertraagde ademhaling, wat kan worden veroorzaakt door het gebruik van opiaten of andere medicatie die het ademhalingscentrum onderdrukt.
50
de vier technieken die gebruikt worden bij lichamelijk onderzoek
I: inspectie - kijken algemene toestand ptn bv huidskleur cyanotisch, adem = aceton, lichaamshouding, AH P: palpatie - voelen: zwellingen, oedeem, pols voelen, temperatuurverschillen P: percussie: kloppen/tikken op weefsel om te luisteren A: auscultatie - luisteren naar lichaamsgeluiden: bv. harttonen, AH, darmperistaltiek, BD
51
Bij het palperen van de pols kunnen vijf verschillende aspecten worden beoordeeld:
* frequentie: hoeveel slagen per minuut * ritme: regelmaat van slagen * slagvolume: hoe krachtig de polsslagen zijn * gelijkmatigheid: of alle slagen even krachtig aanvoelen * spanning: de druk die nodig is om de arterie dicht te drukken = wijst op bloeddruk
52
Verschillende factoren beïnvloeden de bloeddruk:
* totale perifere weerstand * elasticiteit bloedvaten * bloedvolume: totale hoeveelheid bloed * viscositeit bloed: stroperigheid * HMV: HF x SV * hormonen/enzymen: renine/epinefrine hebben invloed op BD * chemoreceptoren: sensoren die reageren op O2 en CO2 in bloed
53
leg uit hoe de ademhaling in zijn werk gaat
Persoon neemt actief adem door spieren diafragma en mm intercostales, passief door deze te ontspannen. Lucht gaat via trachea naar longen waar gasuitwisseling plaatsvind O2 gaat in bloed en CO2 gaat in de longen
54
Wat is bewustzijn? Wat zijn de niveaus
het neurologische vermogen om op externe prikkels te reageren bewust: ptn alert verminder bewustzijn: ptn suf of verward, reageert traag bewustloos: ptn reageert nt op aanspreken maar wel pijnprikkels of harde geluiden diep bewustloos: ptn reageert niet op pijnsprikkels of hard geluiden
55
apnoe
ademhalingstilstand
56
dyspnoe
bemoeilijkte AH of kortademigheid
57
dyspnoe d'effort
inspanningskortademigheid
58
orthopnoe
kortademigheid in rust verbetert bij het rechtopzitten
59
Hypoventilatie
onvoldoende AH met te weinig zuurstof
60
hyperventilatie
te snelle en te diepe AH teveel zuurstof
61
expiratoire stridor
piepend geluid bij uitademing obstructie onderste luchtwegen
62
inspiratoire stridor
piepende inademing = aspiratie voorwerp obstructie bovenste luchtwegen
63
gasping
happen naar lucht, lucht komt niet in longen terecht
64
cheyne-stokes AH
afwisselend in diepte en snelheid en perioden van apnoe bv. in stervensfase
65
Kussmaul AH
zeer diep, gelijkmatig en frequentie verhoogd bij acidose
66
biotademhaling
onregelmatig schoksgewijze AH met langere periode apneu
67
sputum
sputum is slijm vermengd met speeksel die opgehoest wordt uit de diepe luchtwegen
68
verschil tss hypoxie hypoxemie
zuurstof tekort in bloed (hypoxemie) vs tekort in weefsel (hypoxie)
69
hoe bereken je zuurstofcilinder
(volume cilinder x druk) / zuurstofstroom (l/m)
70
hoe meten van zuurstofsaturatie met pulse-oximeter?
transcutaan meten van arteriële zuurstofsaturatie SaO2 van hemoglobine 96%-100% normaalwaarden 92%-100% acceptable COPD
71
hoe voer je oriëntatie in trias uit
Desoriëntatie in tijd: welke dag is het Desoriëntatie in plaats: waar zijn we Desoriëntatie in personen: herkent personen niet meer
72
wat is de AVPU schaal
Alert: ptn is alert Verbal: ptn reageert op aanspreken Pain: reageert alleen op pijnprikkels Unresponsive: reageert in het geheel niet op prikkels van buitenaf
73
Wat is Glasgow coma schaal of EMV
Eye: openen van de ogen Motorische reactie Verbale reactie