suus, -a, -um
zijn, haar (bezittelijk voornaamwoord)
descendo (descendere)
afdalen
respondeo (respondere)
antwoorden
cupio (cupere)
begeren, willen, verlangen
nuntius
te (acc)
jou, je
interficio (interficere)
doden
iubeo (iubere)
bevelen
nam
want, namelijk
numquam
nooit
timidus, -a, -um( +gen.)
bang, angstig (voor)
semper
altijd
custodio (custodire)
bewaken, passen op
paro (parare)
gereedmaken, voorbereiden
gladius
zwaard
que
en
deinde (bijw.)
vervolgens
capio (capere)
pakken, in nemen
primum
eerst
ago (agere)
appropinquo (appropinqaure) +dat.
naderen