De Verlichting
Invloed:
De Verlichting bracht nieuwe ideeën over gelijkheid, vrijheid en individuele rechten.
Deze denkwijze ondermijnde het oude standenstelsel, waarin mensen ongelijk waren door afkomst (adel, clerus, derde stand).
De Franse Revolutie (1789)
Invloed:
De Revolutie brak daadwerkelijk met het ancien régime en de bijbehorende standenmaatschappij.
De privileges van adel en clerus werden afgeschaft.
De Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger (1789) legde de basis voor gelijke burgerrechten voor iedereen.
De Industriële Revolutie
Invloed:
De industriële revolutie bracht een grote economische omwenteling: van landbouw naar industrie.
Veel boeren verlieten het platteland om in fabrieken te werken — ze werden loonarbeiders.
Tegelijkertijd ontstond een groep industriëlen en ondernemers die rijk werd door productie en handel.
Bougeoisie Typische beroepsgroepen:
Industriëlen (fabriekseigenaars)
Bankiers
Grootgrondbezitters
Investeerders in nieuwe technologieën of ondernemingen
Bougeoisie Leefomstandigheden:
Ze leefden zeer luxueus: grote huizen of landgoederen met tuinen en bedienden.
Toegang tot de beste medische zorg, onderwijs en cultuur.
Vrije tijd werd besteed aan reizen, opera’s, kunst, bals en diners — vaak om hun status te tonen.
Ze hadden veel politieke en economische invloed.
Deze periode (1870–1914) wordt ook wel Belle Époque genoemd vanwege hun weelde en comfort.
Bougeoisie Uiterlijke kenmerken / kledij:
Rijke stoffen (zijde, fluweel), dure jurken en pakken.
Mannen droegen vaak hoge hoeden, wandelstokken en nette pakken.
Vrouwen droegen korsetten, lange jurken, sieraden en hoeden met veren.
Over het algemeen verzorgd, elegant en statussymbool-gericht.
Middenklasse (kleine burgerij)
Typische beroepsgroepen:
Winkeliers, kantoorpersoneel, leraren, artsen, advocaten
Kleine zelfstandigen zoals bakkers, slagers, drukkers, boeren
Ook priesters hoorden vaak tot deze klasse
Middenklasse (kleine burgerij)
Leefomstandigheden:
Stabiel en comfortabel leven; ruime huizen met een tuin, soms gasverlichting.
Hechten veel waarde aan gezinsleven, opvoeding en onderwijs.
Probeerden de levensstijl van de bourgeoisie na te bootsen, maar met minder luxe.
Vrije tijd: theater, lezen (kranten), kerkbezoek, familie-uitstapjes op zondag.
Middenklasse (kleine burgerij)
Uiterlijke kenmerken / kledij:
Net en verzorgd, maar minder luxueus dan de bourgeoisie.
Mannen droegen pakken zonder al te veel versiering.
Vrouwen droegen nette jurken, vaak eenvoudiger van snit en stof.
Uiterlijk toont degelijkheid en respectabiliteit, niet rijkdom.
Proletariaat (arbeidersklasse)
Typerende beroepsgroepen:
Fabrieksarbeiders
Mijnwerkers
Dienstpersoneel
Vrouwen en kinderen werkten vaak ook mee
Proletariaat (arbeidersklasse)
Leefomstandigheden:
Zware arbeid: werkdagen van meer dan 12 uur, 6 dagen per week.
Lage lonen, hele gezinnen moesten meewerken.
Kinderarbeid was normaal, weinig of geen onderwijs.
Wonen in cités of beluiken: kleine, overbevolkte huizen zonder stromend water of hygiëne.
Veel ziekten, hoge kindersterfte, armoede en slechte gezondheidszorg.
Vrije tijd schaars: ontspanning in cafés, volksfeesten of kerkbezoek.
Deze problemen worden samengevat als de sociale kwestie of het arbeidersvraagstuk.
Proletariaat (arbeidersklasse)
Uiterlijke kenmerken:
Eenvoudige, vaak versleten werkkleding.
Vuile handen, onverzorgde of verweerde uitstraling door zwaar werk.
Geen luxe accessoires of sieraden.
Uiterlijk toont armoede en hard werken.