3A1 Deel 2 Flashcards

(36 cards)

1
Q

Normale baring: Wat wordt er onderzocht bij vaginaal toucher, ofwel, waar staat POVIAS voor?

A

P = portio
- De positie in het bekken (sacraal, mediosacraal of centraal)
- Aanwezigheid van verstrijking= door de toegenomen contracties van het myometrium wordt de cervix korter
- De consistentie van de portio (stug, matig week of week)
O = ontsluiting
- 1 cm per uur
-volledige ontsluiting (10 cm)-> geen portio meer voelbaar, alleen caput
V = vliezen
I = indaling
Vlakken van Hodge
Hodge 1: bovenrand symfyse
Hodge 2: onderrand symfyse
Hodge 3: interspinaallijn= is tijdens uitdrijving van belangrijke waarde
Hodge 4: bekkenbodem

A = aard voorliggend deel (caput of cauda)
S = stand voorliggend deel (Aav en Aalv)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat is een episiotomie? Welke indicatie heeft het?

A

Een schuine incisie van de vagina, het perineum en de onderliggende spieren, uitgevoerd met een schaar (of mes), tijdens een baring om de baring te bespoedigen.

De episiotomie wordt op indicatie geplaatst. De enige harde indicatie is foetale nood.

Hoek van 60 graden van anus (valt namelijk uit op 45 graden na baring)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat is menopausal transitie (overgang)? En wat is perimenopauze?

A

Menopauze is de laatste menstruatie (as achteraf na 1 jaar te stellen, tenzij je eierstokken verwijdert)
Menopauzale transititie: hormonen worden onregelmatig ( FSH stijgt en oestrogeen afgifte wordt onregelmatig)
- oestrogeen zorgt voor de hot flushes| post menopauzaal—> lage oestrogenen
Perimenopauze= menopauzale transitie + 1 jr na de menopauze

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Leg de fysiologie van een opvlieger uit. Waar ontstaat het en door wat en hoe herstel je het?

A

De thermo neutrale zone in de Hypothalamus wordt smaller door de fgifte van noradrenaline als gevolg van daling van oestrogenen. Daarnaast vindt er perifere vasodilatatie, transpiratie en bibberen (kern tem onder normaal waarde) plaats.
- Door oestrogenen te geven herstelt deze zone weer. Ook Serotonine kan deze zone verbreden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat zijn voordelen en nadelen van HST? En welke indicatie en contra indicaties zijn er?

A

Voordelen: overgangs klachten verdwijnen, goed voor osteoporose, vagina slijmvlies
Nadeel: soms weer ongesteld, gespannen boobs, misselijk, vocht vasthouden, hogere risico op mammacarcinoom

Indien: <46 jr, ernstige klachten en ernstige botontkalking onder 50jr
Contra-indicatie: mammacarcinoom, endometriumcarcinoom, trombose

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Welke hormoon substituties zijn er?

A

Geen baarmoeder: oestrogenen (oestradiol)
Wel baarmoeder: oestrogeen + progestagenen (“ natuurlijk)
- cyclys: dus een week geen progesteron (vaak ontrekkingsbloeding)
- sequentieel: hele maand beide gebruiken

Ook een mirena, levonorgestrel spiraaltje is mogelijk (wel oestrogeen slikken ernaast)

Step up: begin met lage dosis E2–> verhoog als klachten blijven
Hoe lang? Tot 50 jr—> daarna opnieuw evalueren en alleen gebruiken bij ernstige klachten

Alternatief: yoga, sport, acupunctuur

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Welke vormen van urine incontinentie zijn er? Wat kan je vragen?

A
  1. Stress incontintentie: inspannings gerelateerd, hoesten, niezen
    - oorzaken: hypermobiliteit urethra en instrinsieke sfincter deficientie, zwakke bekkenbodem spieren
  2. urge incontinentie: aandrang, onvoorspelbaar
    - oorzaken: detrusor overactiviteit, urineweginfectie en blaasstenen
  3. gemengde incontinentie
  4. overloop incontinentie
    - oorzaak: detrusor onderactiviteit

In anamnese: Voiding dysfunctie (=verstoord plassen)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat zijn risicofactoren voor incontinentie? En welke testen zou je willen doen? Behandelingen?

A

Vaginale bevalling, hoge BMI, leeftijd, hysterectomie, roken, obstructieve long lijden
2. Bij stress: stress test. Verder gevalideerde vragenlijst, mictiedagboek, echo
- bij gemengde: urodynamisch onderzoek—> vullingsfase en mictiefase
- indirect druk van detrusor meten: binnenkant blaaswand en buitenkant rectum
3. Sress incontinentie—> Lifestyle (afname gewicht), Bekkenbodem fysio of operatie (urethra suspensie of Burch)
- nadeel: de novo urge
Urge—> lifestyle (geen caffeine), fysio, anticholinergica

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Stress vs urge incontinentie

A

Stress: hoesten en niezen, jong, hypermobiele urethra, BB fysio, operatie
Urge: aandrang, ouder, detrusoroveractiviteit, BB fysio, medicatie, botox, neuromodulatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Risicofactoren Prolapse

A

Vaginale bevalling
Groot kind (>4000 gram)
> pariteit
> BMI
Zwaar lichamelijk gewicht
+ FA
Hysterectomie
Roken
Obstructieve long lijden
Eerdere prolapse chirurgie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Welke bodemspier is het belangrijkste?

A

M. Levator ani: m. Pubococcygeus, m. Puborectalis (bij uitdrijving het meest oprekken) en m iliococcygeus

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Symptomen van prolapse en de vormen?

A

Symptomen: zwaar gevoel, zichtbaar, toename aan eind van de dag, dyspareunie, stress incontinentie, lage rugpijn
Vormen:
1. Voorwandprolapse= Cystocele(blaas)
2. Topptolapse (geen baarmoeder meer, vagina verzakking)
3. Enterocele
4. Achterwandprolapse= Rectocele

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Classificatie van prolapse: POP Q

A

St 0= geen
St 1= distale punt prolapse >1 cm hymen
St 2= distale punt <1 cm boven hymen en <1 cm onder (significante prolapse)
St 3= distale punt prolapse > 1 cm onder hymen
St 4= volledig

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Behandeling prolapse

A

Geen, conservatief (BB fysio, pessarium (=ring)), operatief (1. voorwand of achterwand plastiek 2. Suspensie (burch) 3. Fasciesling

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat zijn risicofactoren voor ovarium carcinoom en endometriumcarcinoom

A

Ovariumca:
- vaak hebben ouderen dit
- BRCA mutatie
- minder ovulaties (de pil in eerste 3 jaar en meerdere zwangerschappen)

Endometriumca:
- oestrogenen (de pil)
- late overgang
- leeftijd
- diabetes en hypertensie (ook PCOS)
- radiotherapie bekken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Hoe wordt de diagnose gesteld voor ovarium -en endometriumcarcinoom?

A

Ovarium
Lab prikken (CA125= niet specifiek, zegt vooral iets over extra-uteriene ziekten), echo, CT
Histologie!
- laaggradig (reageert minder op chemo) en hooggradig (serus ovarium carcinoom| reageert goed op chemo)

Endometrium
Lab prikken, echoscopie, MRI/CT op indicatie, weefsel verkrijgen (pipelle, curretage)
- na diagnose—> moleculaire markers (MMR, p53 of POLE) en

17
Q

Ovariumcarcinoom: vertel over de laag stadium, hoog stadium en prognostische factoren

A

Laag stadium: chirurgie en stagering zijn cruciaal| tumorgraad is belangrijkste prognostische factoren
- adjuvante chemo verbetert de overleving van patienten met onvolledige stagering

Stageringsoperatie: vaststellen of er uitzaaiingen zijn

Hoog stadium: IIIb uitbreiding in kleine bekken, IV afstandsmetastasen (inclusief sister mary joseph nodule—> in navel)

Prognostische factoren
- conditie, tumorgraad, chemotherapie, BRCA status, FIGO stadium, grootte restlaesie na chirurgie

18
Q

Behandeling ovarium -en endometriumcarcinoom

A

Ovarium:
Chirurgie, HIPEC als optimale debulking niet mogelijk is, chemo (6 kuren —> operatie of 3 kuren—> operatie—> 3 kuren)
- PARP remmer

Endometrium:
Bijna altijd chirurgie, aanvullend—> bestraling of hormoon bij hormoongevoellige tumoren (vaak palliatief)

19
Q

Wat zijn klachten bij cervix carcinoom?

A

Bloedverlies, afscheiding buikpijn of geen (ontdekt bij screening!)

20
Q

Diagnostiek cervix carcinoom

A

Cytologie (uitstrijkje—>Pap smear)
Colposcopie: beoordelen of er afwijkend weefsel zit en bepalen welke plaats biopt

Aanvullend onderzoek:
- lab: SCC (plaveiselcelcarinoom) en Ca125 (adenocarcinoom)
- Screening Hiv
- Beeldvorming: pet ct thorax en abdomen of MRI

21
Q

Behandeling cervix carcinoom

A

CIN- laesies (voorstaidum= cervicale intraepitheliale neoplasie)—> LLETZ
Stadium Ia–> conus (kegel vormig verwijderen van cervix voor biopt), simpele hysterectomie
Stadium IIB1 en 2 en IIa—> bij infiltratie > 5 mm en tumor <4 cm—> radicale hysterectomie(met dus eierstokken en weefsel ernaast erbij
Hogere stadium—> in en uitwendig radiotherapie in combi met chemo
- bij werking RT: vermoeid

Uterus sparend behandeling (trachelectomie= verwijdering cervix met parametria)
- bij kinderwens
- niet als tumor > 2 cm

22
Q

waar staat KOPAC voor en wat is normaal/afwijkend?

A

KOPAC = Kwaliteit (kompositie) – Ontsteking – Plaveiselcelepitheel – Andere afwijkingen – Cilinderepitheel afwijkingen.

Normaal: K1–2, O0–1, P0–1, A0–1, C1–2
Afwijkend: K3, O2–3, P2–3, A2–3, C3–5

23
Q

Welke fasen kent de seksuele responscyclus en welke problemen kunnen in elke fase optreden?

A
  1. Wanting (Desire & Arousal)
    Problemen: verminderde zin in seks (HSDD), geen opwinding, solo‑verlangen
  2. Liking (Arousal & Plateau)
    Problemen: lubricatieverlies, erectiele dysfunctie, dyspareunie, vaginisme
  3. Orgasm
    Problemen: anorgasmie, aspermie, retrograde ejaculatie, premature/vertraagde ejaculatie, climacturie
  4. Learning (Refractory & Hedonic set‑point)
    Problemen: dissatisfactie, pijn, priapisme, PSAD
24
Q

wat zijn de criteria voor seksuele dysfunctie?

A
  1. adequate stimulatie
  2. > 6 mnd aanwezig
  3. lijdensdruk (emotioneel moeilijk)
25
rond week 3 wordt de primitief streek aan gemaakt. in welke laag en waar? en de AVE? wat is daar de belangrijkste functie voor
primitief streek: in epiblast (ectoderm) caudaal (primitief knoop, knopen van Hensen) - belangrijk voor patroonvorming romp AVE (anterior visceraal endoderm): belangrijke signaal centrum, geeft aan wat anterior is en belangrijk voor hoofdregio (incl hersenen) en hart
26
1. somieten worden vanaf ... naar ... aangelegd in week .. tot ... 2. primitieve wervelkolom is ontstaan uit ... 3. wat worden somieten? 4. hoeveel cervicale wervels en zenuwen heb je?
1. craniaal--> caudaal| 19 tot 33 2. sclerotomen 3. dermatomen, myotomen en sclerotomen 4. 7 wervels en 8 zenuwen
27
vroege somieten= craniaal/caudaal= lage/hoge HOX code late somieten= craniaal/caudaal= lage of hoge HOX code HOX 6--> start van .... wervels HOX 10--> start van .. wervels Dus geen HOX 10? ... tranformatie te vroeg HOX 10? ... transformatie - fun fact: paraloge hox genen (HOXA3 en HOXB3) kunnen elkaar functies overnemen
craniaal- lage caudaal- hoge thoracale wervels (met rib) lumbale wervels (zonder rib) anterieure homeotische transformatie posterieure homeotische transformatie
28
Welke cellagen moeten maternale voedingsstoffen passeren alvorens deze het embryonale bloed bereiken?
De cellagen die doorkruist moet worden door zuurstof en nutriënten hangt af van de mate van rijping van de placenta. De diffusieafstand van het moederlijke bloed naar het embryonale bloed wordt steeds korter. Bij aanleg zitten er tussen het moederlijke en embryonale bloed vier cellagen: de syncytiotrofoblast, de cytotrofoblastcellen, bindweefsel en de endotheelcellen van het embryonale bloedvat. Vanaf 4 maanden begint de cytotrofoblast laag te verdwijnen, en is vanaf 5 maanden op veel plaatsen verdwenen. De vaten gaan steeds dichter tegen de syncytiotrofoblast aanliggen. Uiteindelijk blijven er 2 cellagen over die de placenta- bloedbarrière vormen: de syncytiotrofoblast en de endotheelcellaag. De basale lamina van deze cellagen kunnen bovendien ook nog fuseren. Zo blijft er in een rijpe placenta nog slecht een geringe afstand (< 5 μm) over die doorkruist moet worden.
29
Wanneer komt de uteroplacentaire circulatie op gang?
na de 8-10de week na conceptie als de villi zich beginnen te ontwikkelen. Tot die tijd worden de spiraalarteriën afgesloten door extravilleuze cytotrofoblast proppen.
30
Wat zijn de gevolgen later in de zwangerschap als de modulatie van de spiraalarteriën door de trofoblastcellen niet goed verloopt?
Pre-aclampsia: Cytotrofoblast cellen spelen een belangrijke rol in het aanpassen van de spiraalarteriën aan hun functie tijdens de zwangerschap: afbraak van het gladde spiercellen, vervangen endotheel door cytotrofoblast cellen, aanleg extracellulaire matrix met fibronectine (zie rechter plaatje) Deze mechanismen zorgen voor noodzakelijke vaatverwijding. Door onvoldoende invasie van spiraalarteriën door cytotrofoblast cellen met als gevolg te nauwe spiraalarteriën, leidend tot onvoldoende doorbloeding van de intervilleuze ruimte en een zuurstof tekort in de placenta. Als gevolg hiervan komen diverse factoren vrij, die de functie van de van de endotheelcellen in de bloedvaten van de moeder verstoren. Twee van deze mogelijke factoren zijn sFlt-1 en endoglin
31
1. wat is maternale sterfte en vanaf wanneer heet het late sterfte? 2. wat is directe, indirecte en toevallige sterfte?
1. maternale sterfte: sterfte door directe of indirecte reden rond de geboorte - late sterfte vanaf 42 dagen tot 1 jr postpartum 2. Directe: oorzaak gerelateerd aan zwangerschap - bijv. pre eclamsia. sepsis, trombose/embolie - is gedaald, door gebruik van magnesiumsulfaat Indirecte sterfte: onderliggende ziekte die werd verergert door de zwangerschap omdat er meer van je lijf werd gevraagd - cardiovasculair - is gestegen toevallige sterfte: oorzaak niet gerelateerd - bijv. carcinoom. trauma
32
1. wat zijn kenmerken van pre-eclampsia en hoe onderscheidt dit zich van zwangerschaphypertensie (ZH)? 2. wat is er aan de hand bij vroege PE en bij late PE?
diagnose PE: hypertensie + proteinurie (heeft ZH niet): orgaanfalen en/of IUGR (intrauterienegrowthrestriction), oedeem (gelaat, been handen) 2. na maladaptie, ziekte van placenta| late: cardiovasculaire reserves laag bij grote placentaire bulk (meerling bijv.)
33
klachten pre-eclampsie
Hart en vaat systeem: 160/110 hypotensieve crisis bij jonge vrouwen-->verhoogd risico hersenbloeding/trombose Longoedeem: capillaire lek, diastolische cardiale dysfunctie Cerebraal: Hoofdpijn - Visusstoornissen - Hyperreflexie Eclampsie (s) insult: (verstijven, en tong bijten) - Tonisch-clonisch: Convulsie in zwangerschap iseclampsie tot tegendeel bewezen CVA: - Ischemisch - Haemorrhagisch - Systolische hypertensie >160mmHg Lever: HELLP (syndroom) - Hemolyse - Elevated Liverenzymes - Low Platelets - Epigastische pijn, bandgevoel - Leverruptuur
34
behandeling van pre-eclampsia
1. antihypertensivas: labetalol 2. magnesiumsulfaat om consulten te voorkomen 3. <34 wk: steroiden voor longrijping ENIGE BEHANDELING IS PARTUS Moeder eerst! lange termijn risico op cardiovasculaire ziekten
35
1. noem maternale ziekten op 2. waar is een foetus de eerste 20 wk erg afhankelijk van en waarom?
1. 1)hypothyreoidie (hashimoto) - TSH te hoog en T4 te laag - 25 % extra LT4 2) hyperthyreoidie (graves) - vaak zwangerschaps hyperthyreoidie door hoog HCG - evt m. graves: stroma? visusklachten?--> heeft veel risicos (PR, miskraam, etc) + altijd behandeling met antischildklierhormoon - 3) diabetes gravidarum vaak asymptomatisch daarom screenen bij risicofactoren (DM, PCOS, obesitas, tweeling) - verandering van insuline gevoeligheid - diagnose met OGTT riisco op vaatschade (PE, vroeggeboorte), schouder dystocie) - behandeling: dieet, insuline, metformine 2. maternale T4 want het is belangrijk voor hersenontwikkeling en het schilt dus echt IQ punten
36
welke schildklierantistoffen zijn er en bij welke ziekten komen ze voor?
1. Thyreoperoxidase antistoffen (TPOAbs) - Niet functioneel, marker voor hypothyreoïdie, risicofactor postpartum thyreoïditis* - Pathognomisch voor Hashimoto’s thyreoïditis (95% of hypothyroidism) - dus TPOAbs zorgt voor de daling van FT4 *Postpartum thyreoiditis: schildkliercellen gaan stuk, veel T4 komt vrij (hyperthyreoidie klachten) in deze fase niks te doen - hierna gaat hij traag werken (dus hypo fase)--> T4 geven 2. TSH receptor antistoffen (TRAbs) - Functionele antistoffen, passeren de placenta, kunnen stimuleren of blokkeren - Pathognomisch voor Morbus Graves, héél soms oorzaak hypothyreoïdie 3. Thyreoglobuline antistoffen (TgAbs) - Niet functioneel, aspecifiek - Alternatieve marker voor Hashimoto, maar ook hoog bij Graves