kind: week 9 Flashcards

(35 cards)

1
Q

Welke drie schedelvormen onderscheidt je bij een geboorte?

A
  1. Caput succedaneum = een bij de geboorte aanwezige zwelling van het zachte weefsel met wondvocht op dat deel van de schedel dat het eerst geboren wordt.
    - Het ontstaat meestal door ligging, langdurige uitdrijving, maar kan ook ontstaan bij een vacuumextractie
    - kenmerken: ongecompliceerde bevalling, bij palpatie een zachte zwelling die niet begrensd wordt door schedelnaden, verdwijnt binnen dagen
  2. Cefaal hematoom = bloeding onder het botvlies van het schedelbot.
    - Het ontstaat meestal door ligging, langdurige uitdrijving, maar kan ook ontstaan bij een vacuumextractie.
    - Deze bloeding wordt niet zo snel groot omdat de bloeding beperkt wordt door het botvlies.
    - kenmerken: verdwijnt binnen enkele weken-maanden
  3. Subgaleale bloeding =een bloeding in de ruimte tussen het peesblad van de voorhoofdspieren en het botvlies van het schedelbot.
    -Deze bloeding is zeldzaam, maar kan zeer ernstig verlopen, omdat hij ongemerkt makkelijk uitbreid.
    - Als er veel bloedverlies is, kan het kind in de problemen komen omdat de doorbloeding van de rest van het lichaam, inclusief de hersenen tekort schiet.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Er zijn drie verschillende vormen van een platte hoofd bij baby’s die ten gevolgen van voorkeurshouding kan ontstaan (deformatieve schedelvervorming) of als gevolg van synostotische schedelvervorming (craniosynostose).

A
  1. Plagiocefalie: er is sprake van een afplatting aan één kant van het hoofdje (het hoofd wordt asymmetrisch).
  2. Brachycefalie: de afplatting zit centraal op het achterhoofd.
  3. Scafocefalie: de schedel is lang van voor- naar achterhoofd en smal van oor naar oor.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Welke vier vormen van craniosynostose zijn er en wat voor soort naad hoort erbij?

A
  1. trigonocefalie–>sutura metopica
  2. brachycefalie–>sutura coronaria
    - kan autosomaal dominant overervingspatroon hebben (FGFR)
  3. scafocefalie–>sutura sagitalis
  4. plagiocefalie–>sutura lambdoiae
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

wat is een hemangioom (aardbeivlek)?
wanneer groeit het het hardst?
wanneer behandel je (met betablokkers)?

A

Benigne proliferatie van endotheliale cellen, die een vasculaire plaque of tumor vormen met een afwijkende vasculaire architectuur.

Groeit het hardst–>Vanaf 1-2 weken na de geboorte tot ca. 4 mnd

Behandeling bij:
Locatie:
- Centraal in het gelaat en oor
- Buiten het hoofdhalsgebied, maar groter dan 4 cm
- In de mammaregio bij meisjes
- In een doorgaans zichtbaar gebied, in overleg met de ouders
- Genitale en/of lumbosacrale (midline) lokalisatie
Aantal:
- Meer dan 10 infantiele hemangiomen op het lichaam (maak echo abdomen!)
- Snel groeiend infantiel hemangioom
- Ulceratie, ook indien er alleen necrotische korstjes zichtbaar zijn
- Bij het ontstaan van een stridor (vanaf een leeftijd van 5-6 weken)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

wat is naevus flammeus (wijnvlek)?

A

Een capillaire malformatie met een afwijkende vasculaire architectuur

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Als een neavus flammeus hebt … gebied moet je denken aan …

A

Bij een neavus flammeus in het N. trigeminus gebied moet je altijd denken aan het Sturge Weber Syndroom. Hierbij is de capillaire malformatie niet alleen maar in de huid aanwezig, maar is er een risico op hersenafwijkingen en oogafwijkingen.
- Verwijzing naar de oogarts, in verband met het risico op glaucoom, en de neuroloog i.v.m. het risico op hersenafwijkingen met epilepsie, is essentieel.
- Met een MRI kan worden onderzocht of er aanwijzingen voor hersenafwijkingen zijn.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Hoe wordt de ductus arteriosus open gehouden bij een TGA?

A

TGA= transitie grote vaten

De ductus arteriosus wordt farmacologisch opengehouden met prostaglandine‑E1 (PGE1).
Dit medicijn voorkomt dat de ductus sluit na de geboorte en zorgt ervoor dat er toch wat menging van bloed kan plaatsvinden, wat essentieel is totdat een definitieve behandeling (zoals een Rashkind‑procedure of arteriële switchoperatie) kan worden uitgevoerd.
- belangrijk om ook de kransslagaders mee te nemen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat kan een SNP-array niet opsporen?

A

Gebalanceerde translocatie, want niks te veel of te weinig. Hiervoor moet je dus wel een karyogram gebruiken

SNP-array–> alleen copy-number variations, dus wel de ongebalanceerde translocaties!

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat zijn kenmerken van de Fetal Alcohol Syndrome (FAS)?

hoe stel je de diagnose?

A
  • klein
  • aangeboren hartafwijkingen
  • groeiachterstand
  • nier/hersen/skelet afwijkingen
  • Gezicht dysmorfien: korte oogspleten en lang/vlak philtrum

diagnose op basis van anamnese

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Waar zegt de principes van Wilson iets over? Wat zijn de eindpunten?

A

Teratogeen effect
Zo is het afhankelijk van:
- werkingsmechanisme stof
- dosis en duur blootstelling
- mogelijkheid foetus te bereiken
embryonale periode! (zo is de gevoeligheidsperiode voor de onderste extremiteiten eerder dan de bovenste(armen).

Eindpunten–> dood, malformatie, groeiretardatie ne functionele afwijkingen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Welke teratogene blootstellingen zijn er?

A
  • geneesmiddelen (maternale ziekten)
  • beroepsblootstellingen
    -intoxicaties
  • infecties
  • maternale ziekten
  • straling
  • voeding: te veel Vit A (gevoelig 3e-53 week–>hartafwijkingen), te weinig foliumzuur (neurale buis defecten)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

welke twee infecties kennen een teratogeen effect?

A
  1. toxoplasmose (kattenpoep)–> 3e trimester 60% ernstige verschijnselen
  2. congenitale rubella: in utero kan resulteren in glaucoom, hartafwijkingen mentale retardatie

pathogenese:
1. direct virale effecten: stop delen tijdens organogenese, resultaat is malformaties
2. door immuunresponse–> cel lyses, weefseldestructie–> gehoorverlies, hersenafwijkingen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

wat zijn minor en major anomalies?

A

Major anomalie: afwijking die een nadelige effect geen op lichamelijke gezondheid kan levensbedreigend zijn

Minor anomalie: een kenmerk dat bij minder dan 4 % van de personen in een bepaalde bevolkingsgroep voorkomt
- Heeft niet direct invloed op gezondheid, wel psychisch welbevinden
- Vaak handen voeten en gelaat (bijv. viervingerlijn)
- Minor anomalies geeft een grotere kans op major anomalie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

wat betekenen de volgende termen:
-deformatie
-disruptie
-malformatie
-dysplasie

A

Deformatie= afwijkende vorm of positie als gevolg van mechanische krachten welke inwerken op een aanvankelijk normale structuur
- Kracht van buiten abnormale structuur, herstel mogelijk

Distruptie: afwijkende vorm als gevolg van ernstige schade door extrinsieke factoren aan een aanvankelijk normale structuur
- Herstel niet meer mogelijk
- Hersenbloeding–>hersenen onderontwikkeling–>schedel zakt in
- Oorzaken: infectie, ischemie, zowel erfelijk als niet erfelijk

Malformatie: een afwijking van orgaan, een deel of lichaamsdeel, als gevolg van een reeds vanaf het begin afwijkend ontwikkelingsproces
- Bijv. schisis, te veel tenen
- Vaker erfelijk, niet erfelijk (bijv. softenon) of combi

Dysplasie: abnormale histiogenese (organisatie van cellen naar weefsel) en morfologische gevolgen ervan
- Vaak uiting in meerdere orgaansystemen (bindweefselaandoeningen of skeletdysplasie (osteogensis imperfectia) of een mislukte monchoutaart)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

wat zijn drie kenmerken van geisoleerde afwijkingen (2/3 van alle gevallen)?

A
  • Aanleiding om verder te kijken, want misschien bij meer afwijkingen toch syndromaal
  • Niet hetzelfde als sporadisch
  • Kunnen wel erfelijk zijn
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat is de definitie van syndroom en welke drie hoofdproblemen triggeren een vermoeden hierop?

A

Een syndroom is herkenbaar patroon van aangeboren afwijkingen die unieke combinatie van kenmerken een onderscheid mogelijk maken van alle andere patronen

Het vermoeden op een syndroom blijkt door drie hoofdproblemen getriggerd te worden:
1. het voorkomen van één of meerdere aangeboren afwijkingen
2. groeiachterstand aanwezig bij de geboorte of in de eerste levensjaren optredend
3. achterstand in verstandelijke ontwikkeling

17
Q

Penetrantie vs. variabele expressie. Noem ook voorbeelden van beide

A

Variabele expressie =verschil in kenmerken.
Maar 0% kenmerken, dan hebben we het ineens over penetrantie

  1. Marfan syndroom: hoog penetrant, zeer variabele expressie
    - Hypermobiliteit, aneurysma, lange dunne vingers
  2. Achondroplasie (vorm van dwerggroei): hoog penetrant, geringe variabele expressie
  3. Muenke syndroom ( te vroege schedel naden (coronal craniosynostosis) die dicht gaan): verminderde penetrant, geringe variabele expressie
18
Q

locus/ genetische heterogeniteit vs allelisch
noem voorbeelden

A

1 ziektebeeld kan veroorzaakt worden door meerdere genen (noonan syndroom en Bardet Biedl syndroom) vs 1 gen kan verschillende ziektebeelden veroorzaken (achondroplasie, syndroom van muenke)

19
Q

welk syndroom was eerst een associatie?

A

CHARGE syndrome

20
Q

Wat is een sequentie en welke voorbeeld ken je (benoem ook de trias)?

A

=combinatie van aangeboren afwijkingen welke in 1 of meerdere cascades voortvloeiden uit 1 enkele initiele aangeboren afwijking
- dus 1 oorzaak met cascade aan gevolgen

Bijv. Pierre Robin sequentie:
micro/retrognatie–> verplaatsing tong naar achteren–> voorkomt sluiting zachte gehemelte–> U-vormige schisis (=secundaire schisis| primaire is driehoekig)

Trias pierre robin sequentie:
1. Micro/retrognatie
2. Glossoptosis: tong ligt te hoog, kan niet indalen
3. Ademhalingsproblemen (OSAS)
- Kan onderdeel zijn van stickler syndroom

21
Q

Autosomaal dominante overerving: hoe?
- gain of function/ dominant negatief
- loss of function/ haploinsufficientie
- two hit hypothesis of Knudsen
- imprinting

A

GOF
- afwijkende eiwit verstoort werking normale eiwit (zit op de receptor)
- afwijkende eiwit is overactief

LOF
1 allel produceert niet genoeg eiwit voor normale functie

Two hit hypothesis van knudsen
1 allel is geerfd gemuteerd, andere krijgt spontane mutatie–> tumor
- vaak in tumorsupressie genen

Imprinting (zit in alle cellen van je lichaam, i.t.t two hit!)
1 allel is standaard uit andere muteerd

22
Q

wat is er bij het syndroom van Apert aan de hand?

A

Apert:
- bicoronale craniosynostose–> bracycephalie
- verhoogde hersendruk
- hypertelorisme
- complexe syndactylie handen en voeten
- ontwikkelingsachterstand

23
Q

wat is Craniofaciale microsomie en wat zijn de diagnostische criteria?

A

Craniofaciale microsomie is een aangeboren asymmetrische onderontwikkeling van kaak, oor en omliggende structuren door een stoornis in de eerste en tweede kieuwboog.

diagnose bij: 2 major; 1 major+1 minor; 3 minor

major–> mandibula hypoplasie, microtie (onderontwikkelde oor), orbita hypoplasie, zwakke n.facialis

minor–> weke delen deficientie, bijoor, macrostomie (schisis in mondhoek), schisis, hemivertebrae

24
Q

waar staat cheilo, gnato en palato voor?

welke vormen van schisis zijn er?

wat is het doel van behandeling?

A

cheilo (=lip), gnato(=kaak), palato(=gehemelte)

  1. microforme cheilo schisis (lichte deuk in lip)
  2. incomplete cheilo schisis
  3. complete cheilognato schisis
  4. complete cheilognatopalato schisis

Doel: voorkomen voedingsproblemen, mogelijk maken normale spraak en streven naar normale uiterlijk

25
cheilognatopalatoschisis vs geisoleerde palatoschisis -probleem -week van ontstaan
- de eerste ontstaat door fusie probleem tussen frontonasale en maxillaire prominentie - de palatoschisis door fusie probleem tussen palatum gewelven - eerste: week 6-9| tweede: week 13-14 -Daarnaast is het belangrijk te beseffen dat een fusie van het gehemelte van anterior naar posterior gaat
26
welke beeldvorming zou je doen bij de volgende DD's: 1. 14 jaar meisje, bewegingspijn, braken en koorts--> appendicitis 2. 2 jaar, gastro-entritis en daarna invaginatie (dunne darm schuift in dikke darm) 3. 4 jaar, erg braken, niet-gallig--> pylorushypertrofie 4. malformatie en volvolus 5. NEC
1. echo: niet plat en groter dan 6 mm? acuut - MRI kan, maar geen CT! (geen vet bij kind) 2. echo (dilatatie voor opstructie) 3. echo 4. rontgen en na braken eventueel contrast 5. rontgen: lucht in wand, soms ook lever, jejunum, duodenum
27
wat zijn basis principes van pathofysiologie hartafwijkingen?
- bloed kiest de weg met minste weerstand - bloed stroomt van hoge druk naar lage druk - menging van bloed met verschillende O2 sat. leidt tot verandering van O2 sat.
28
wanneer is er sprake van shunt? (noem 2 vb, kenmerken en behandelingen)
shunt= niet cyanotisch want bloed linker kamer (hoge druk) stroomt naar bleod rechter kamer (lage druk Ventrikel septumdefect (VSD) gevolg hart: dilatatie linker kamer en atrium--> volume belasting linkerkant van hart LO: te veel longflow (tachypneu), te weinig systeemflow(minder perifere circulatie), lekgeruid (hoogfrequent), hepatomegalie Behandeling Acuut: - geen extra vocht - geen O2: anders patiënt nog natter en nog benauwder - medicatie: diuretica Definitief: gat sluiten - kleine VSD expectatief - grote VSD: sluiting interventioneel Atriumseptumdefect (ASD) Volume belasting rechts Behandeling Acuut: niks. Geen acuut probleem, wel klachten vermoeidheid Definitief: - klein ASD= expectatief - grote of ongunstige gelegen ASD--> percutane of cardio chirurgische sluiting (patch)
29
wanneer is er sprake van obstructie?
Aorta stenose en pulmonaal stenose - Drukbelasting en geen volumebelasting - Meestal geen klachten, alleen geruis tenzij kritische vernauwing Bevindingen LO: - Ejectiegeruis laagfrequent (hoe ernstiger, hoe hoger frequentie) - Normale longflow/systeemflow, tenzij kritische obstructie, dan verminderde long. perifere circulatie - Hyperdyname ventrikel impuls - Geen hepatomegalie Definitieve behandeling: klep open maken - Hart katheterisatie+ballonnetje (dus klep beetje oprekken)
30
wat is cyanose en benoem de obstructieve problematiek
Cyanose = blauwe verkleuring van slijmvliezen, maar ook centraal zoals tong en lippen - Menging zuurstofrijk en zuurstofarm bloed en door de aderen stroomt zuurstofarme bloed 1. cyanose met verminderde longflow (obstructieve problematiek) Tetralogie van Fallot: 1)VSD, 2)pulmonalis stenose 3) rechterkamer hypertrofie 4)overriding aorta O2 saturatie= 80% door R-L shunt LO: ejectiegeruis X-thorax: opgewikte hartpunt, kale long Cave SPELLS= cyanotische wegrakingen-->hurken! (zodat vaatweerstand benen geforceerd naar rechterkamer gaat en dus door de pulmonalis kan) Acute behandeling bij SPELLS: stent in rechter ventrikel uitstroombaan Definitieve behandeling: probleem oplossen (tetralogie fallot: sluiten gat en open maken van Pulmonalis klep) - Gevolg: pulmonalis insufficiëntie
31
benoem shuntbeelden bij cyanose
cyanose met toegenomen longflow 1. Truncus arteriosus: maar 1 klep, massaal bloed naar pulmonalis (want minste vaatweerstand) -LO: shuntbeeld met tachypneu/ dec corids en celere(=heftige) pulsaties -Thorax foto: vergroot hart en toegenomen longvaattekening past bij hartafwijking met shunt beeld 2. Hypoplastische linker hart -LO: slechte systeemcirculatie, pulsaties en tachypneu -Thorax foto: te groot hart en natte longen, toegenomen longvaattekening Behandeling Biventriculaire afwijking (bij TvF): cardio chirurgische repair Univentriculaire afwijking bij HLH: - leeftijd 6 mnd: partiele cavopulmonale connectie(PCPC) - leeftijd 1.5-2 jr: totale cavopulmonale comnectie (“fontancirculatie”)
32
wat zijn voorwaarden voor een Fontan circulatie?
- lage longvaatweerstand - geen stenose in longvaatbed - goede ventrikel functie - geen belangrijke AV klep insufficiëntie Levensverwachting hierna vrij beperkt!
33
Bij Dysmorfologisch onderzoek kan je bij een foto van voor niet/wel concluderen
niet concluderen. altijd een en profil foto bekijken! laag staande oren? foto van voor--> vermoeden, en profile--> definief
34
Wat betekenen de volgende termen: - Epicantus plooien -Syndactylie -brachydacylie -polydactylie --> preaxiaal en postaxiaal -clinodactylie -camptodactylie - strabisme - telecanthus - synophrys ICD OCD IPD upslant en downslant
- Epicantus plooien: bovenste ooglid valt over de binnenste ooghoek -Syndactylie: vinger zitten aan elkaar vast (zijn niet los van elkaar gekomen) -brachydacylie: korte vingers -polydactylie: meer vingers --> - Preaxiaal: radiaire zijde - Postaxiaal: ulnaire zijde -clinodactylie: kromme vingers -camptodactylie: krom van de zijkant - strabisme: schil kijken - telecanthus: verschil in oogwit in binnenste ooghoek. lijkt op schil kijken, maar kijkend naar licht reflexen is het niet zo. - synophrys: unibrow ICD= inner canthal distance OCD= outer canthal distance IPD= innerpupillary distance upslant= outer canthus staat omhoog t.o.v inner downslant= outer canthus staat laag t.o.v inner
35
overerving en kenmerken van de volgende syndromen: 1. Waardenburg syndroom 2. 22q11 deletie syndroom 3. Smith-Lemli-Opitz syndroom (SLO) 4. Silver‑Russell‑syndroom (SRS)
1. waardenburg syndroom: Overerving: Autosomaal dominant Kenmerken: witte lok, hetereochromie, dikke neus tip, tenecanthus, synophrys, doofheid 2. 22q11 deletie syndroom (ookwel, DiGeorge syndroom): Overerving: autosomaal dominant Kenmerken: ptosis, tetralogie van fallot, hypoplasie alo nasale (neusvleugels), soms nasale spraak, kleine ronde laagstaande, afstaande oortjes, openhangende mond 3. SLO syndroom, is een cholestrolstofwisselingsziekte - wordt gekenmerkt door een tekort aan cholesterol, wat leidt tot verschillende aangeboren afwijkingen. 4. silver-russel syndrome =aangeboren groeistoornis waarbij kinderen al tijdens de zwangerschap én na de geboorte erg klein blijven. Het wordt veroorzaakt door een fout in de regulatie van genen die groei aansturen, meestal op chromosoom 11p15 of chromosoom 7. Kenmerken: S Small (kleine lengte & laag geboortegewicht) I Intra‑uteriene groeivertraging L Lage BMI & voedingsproblemen V Vorm van het gezicht (driehoekig, groot voorhoofd) E Eén kant anders (asymmetrie) R Regulatie-genen fout (11p15 / chr7) - Intelligentie meestal normaal, soms leerproblemen Diagnose via klinische kenmerken en genetisch onderzoek Behandeling bestaat uit groeihormoon