3B1 Flashcards

(117 cards)

1
Q

Waaruit bestaat het centrale gedeelte van het zenuwstelsel?

A

Ruggenmerg
Cerebellum
Cerebrum
N. opticus
Retina

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Waaruit bestaat het perifere gedeelte van het zenuwstelsel

A

Hersenzenuwen (excl. n. opticus)
Zenuwwortels
Plexus
Perifere zenuwen
Neuromusculaire overgangen
Spieren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Waarin differentieert de neurale buis?

A

Telencephalon
Diencephalon
Mesencephalon
Metencephalon
Myelencephalon
Ruggenmerg

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Welke delen van de hersenen horen bij het telencephalon?

A

Cerebrum, subcorticale kernen, lobi

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Welke delen van de hersen horen bij het diencephalon?

A

Thalamus en Hypothalamus

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Welke delen van de hersen horen bij het Metencephalon?

A

Cerebellum en pons

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Welke delen van de hersen horen bij het Myelencephalon?

A

Medulla Oblongata

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat splitst de sulcus centralis?

A

De gyrus precentralis (Motorische schors) en de gyrus postcentralis (sensibele schors)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Welke 4 lobi zijn er en door welke 2 structuren worden deze verdeeld?

A

4 Lobi:
Frontalis, parietalis, occipitalis en temporalis
Verdeeld door:
Sulcus centralis, fissura lateralis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Waaruit bestaat de hersenstam?

A

Middenhersenen, pond en medulla oblongata

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Hoe lopen en waar kruisen de banen van de vitale sensibiliteit en welke informatie gaat via deze weg?

A

Gaat via de anterolaterale baan en kruist in het ruggenmerg segment. Pijn en en temperatuur lopen via deze banen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Hoe lopen en waar kruisen de banen van de gnostische sensibiliteit en welke informatie gaat via deze weg?

A

Gaat via de dorsale kolom en kruist in de hersenstam. Trilling, aanraking en lokalisatie lopen via deze banen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Hoe noem je de informatie afkomstig uit de tractus respiratorius, digestivus, circulatorius, urogenitalis en mogelijk ook het vetweefsel?

A

Viscerosensibele informatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

De controle van het interne milieu van en het vormen van de myelinescheden rondom de axonen van de neuronen worden door speciale cellen gedaan. Welke cellen?

A

Gliacellen:
- Centraal: Oligodendrocyten
- Perifeer: Schwanncellen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Waar liggen de kernen van de motorische neuronen in het ruggenmerg?

A

De ventrale hoorn

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Waar liggen de sensibele neuronen in het ruggenmerg?

A

Dorsale hoorn

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Waar liggen de cellichamen van de sensibele neuronen?

A

Buiten het ruggenmerg in de dorsale radix.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Wat innerveert één spinale zenuw?

A

Één dermatoom

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Wat innerveert één perifere zenuw?

A

Delen van meerdere dermatomen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Hoe loopt een motorisch neuron?

A

Motorische cortex –> Capsula interna –> kruising medulla oblongata (piramidekruising) –> ruggenmerg (voorhoorn) –> perifeer motorisch neuron –> Spier

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Hoe loopt een sensibel neuron?

A

Prikkel van het ontvangend orgaan –> sensorische ganglia –> ruggenmerg (achterhoorn) –> kruising (direct of later in de medulla oblongata) –> sensorische cortex.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Wat bepaald of er in een synaps een inhiberende of exciterende werking optreedt?

A

De combinatie van neurotransmitter en receptor

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Wat is de naam, type vezel en functie van hersenzenuw I?

A

Naam: N. olfactorius
Type vezel: Somatosensibel
Functie: Reuk, loop van neusslijmvlies naar bulbus olfactorius, dan via de tractus olfactorius naar de frontaalkwab. Loopt niet via de thalamus.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Wat is de naam, type vezel en functie van hersenzenuw II?

A

Naam: N. Opticus
Type vezel: Somatosensibel
Functie: Visus, Loopt van de retina naar de thalamus, naar de visuele schors in de occipitaal kwab. De twee oogzenuwen kruisen op het chiasma opticum, hierna wordt de nervus tractus opticus genoemd.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Wat is de naam, type vezel en functie van hersenzenuw III?
Naam: N. Oculomotorius Type vezel: Somatomotorisch & Visceromotorisch Functie: Innerveert m. rectus superior, m. rectus medialis, m. rectus inferior, m. obliquus inferior. Via de nucleus oculomotorius Innerveert m. constrictor pupillae. Via nucleus van Edinger-Westphal
26
Wat is de naam, type vezel en functie van hersenzenuw IV?
Naam: N. trochlearis Type vezel: somatomotorisch Functie: Innerveert de m. obliquus superior. Via nucleus trochlearis (Enige zenuw die uittreedt dorsaal van de hersenstam)
27
Wat is de naam, type vezel en functie van hersenzenuw V?
Naam: N. trigeminus Type vezel: Somatosensibel & somatomotorisch Functie: Gevoel in gelaat in 3 takken (Ramus ophthalmicus, maxillaris, mandibularis) Innerveert een groep kauwspieren via de nucleus motorius
28
Wat is de naam, type vezel en functie van hersenzenuw VI?
Naam: N. abducens Type vezel: Somatomotorisch Functie: Innerveert de m. rectus lateralis via de nucleus abducens
29
Wat is de naam, type vezel en functie van hersenzenuw VII?
Naam: N. facialis Type vezel: Alle 4 Functie: Innerveert aangezichtsspieren en speekselklieren Gevoel in huis rondom het oor. Smaak in de voorste 2/3e van de tong
30
Wat is de naam, type vezel en functie van hersenzenuw VIII?
Naam: N. vestibulocochlearis Type vezel: Somatosensibel Functie: Gehoor via nucleus cochlearis, Evenwicht via nucleus vestibularis
31
Wat is de naam, type vezel en functie van hersenzenuw IX?
Naam: N. Glossopharyngeus Type vezel: Alle 4 Functie: Spieren van pahrynx en larynx, Speekseklieren, Info over HF, BD, chemische samenstelling van het bloed. Registreren van aanrakingen of beschadigingen aan de achterzijde van de tong en bovenzijde pahrynx.
32
Wat is de naam, type vezel en functie van hersenzenuw X?
Naam: N. vagus Type vezel: Alle 4 Functie: Spieren pharynx en larync incl. stembanden. Alle parasympatische ganglia bij thoraxorganen en veel buikorganen. Gevoel in huidgebied rondom oor en informatie van de thorax en buikorganen.
33
Wat is de naam, type vezel en functie van hersenzenuw XI?
Naam: N. accessorius Type vezel: Somatomotorisch Functie: Innerveert m. trapezius en m. sternocleidomastoideus
34
Wat is de naam, type vezel en functie van hersenzenuw XII?
Naam: N. Hypoglossus Type vezel: Somatomotorisch Functie: Innerveert tongspieren
35
Welke twee soorten heb je?
Paralyse: Helemaal geen kracht Parese: Verzwakt
36
Waar geven problemen in een hemisfeer problemen en waarom?
Problemen aan de contralaterale zijde. Door de kruising in de pyramidebaan.
37
Waar ontstaat uitval bij een dwarsleasie?
Alles onder de leasie is verlamd. Motorisch en sensibel.
38
Wanneer is er sprake van mononeuropathie?
Wanner er één perifere zenuw beschadigd is.
39
Wanneer is er sprake van polyneuropathie?
Meerder zenuwen zijn aangedaan.
40
Wat zijn de Focale symptomen van een CVA?
Duidelijk lokaliseerbaar: Afasie, hemiparese, hemianopsie, ataxie, dysarterie en diplopie
41
Wat zijn de Globale symptomen van een CVA?
Niet duidelijk lokaliseerbaar Zwart voor de ogen, duizeligheid, bewusteloosheid en verwardheid
42
Wat is het klachtenpatroon bij een CVA in de linker hemisfeer?
Problemen met taal, rekenen, schrijven en redenering.
43
Wat is het klachtenpatroon bij een CVA in de rechter hemisfeer?
Problemen met artistieke, inzichtelijke en creatieve vaardigheden.
44
Wat is de behandeling bij een herseninfarct?
Trombolyse en trombectomie
45
Waarom is het zo belangrijk om het onderscheid te maken tussen herseninfarct en hersenbloeding?
2 verschillende behandelingen, welke dodelijk kunnen zijn als de ene behandeling bij de verkeerde aandoening worden gegeven.
46
Wat zie je op een CT-perfusiescan bij respectievelijk een herseninfarct en een hersenbloeding?
Herseninfarct: wordt hypodens (donkerder gekleurd) Hersenbloeding: wordt Hyperdens (spierwit)
47
Wat zijn de gevolgen van een herseninfarct in de A. cerebri media?
Halfzijdige zwakte in gelaat en arm. Halfzijdige gevoelsstoornis Dysartrie Afasie Hemianopsie
48
Wat zijn de gevolgen van een herseninfarct in de A. cerebri anterior?
Halfzijdige zwakte vooral in been Halfzijdige gevoelsstoornis Dysarterie Gedragsstoornis Desoriëntatie, apathie
49
Wat zijn de gevolgen van een herseninfarct in de A. Cerebri posterior?
Hemianopsie of kwadrantanopsie Halfzijdige gevoelsstoornis en zwakte
50
Wat zijn de gevolgen van een herseninfarct in de A. vertebralis en a. basilaris?
Cerebellum: - Coördinatie - Draaiduizeligheid - Dysartrie Hersenstam: - Ataxie - Dubbelzien - Slikstoornis - Dysartrie - Draaiduizeligheid - Zwakte
51
Welke 4 verschillende soorten hersenbloedingen zijn er?
Epidurale bloeding Subdurale bloeding Subarachnoïdale bloeding Intraparenchymale bloeding
52
Wat zijn de kenmerken van een epidurale hersenbloeding?
Vaak door trauma, bloeding wordt langzaam groter. Blijft via de dura afgesloten maar kan ruimte innemend zijn. Kan inklemmingverschijnselen geven.
53
Wat zijn de kenmerken van een subdurale hersenbloeding?
Tussen de dura mater en arachnoidea mater. Meestal door trauma en bij oudere mensen. Scherpbegrensde bloeding op een CT-scan. Meestal veneus door scheuren van ankervenen.
54
Wat zijn de kenmerken van een subarachnoïdale hersenbloeding?
Meestal door barsten aneurysma, gevaarlijk voor de bloedvoorziening van de hersenen.
55
Hoe kan er getest worden op een subarachnoïdale hersenbloeding?
Liqourpunctie; Dan zijn er bloedcellen aanwezig in de liqour. Bij Epiduraal en subduraal is hier geen sprake van.
56
Wat zijn oorzaken van epileptische aanvallen bij kinderen?
Ontwikkelingsstoornis, trauma of infectie
57
Wat zijn oorzaken van gegeneraliseerde epileptische aanvallen?
Onbekend, genetische factoren, medicijnen, geboorteletsel, stofwisselingstoornissen.
58
Wat zijn de oorzaken van focale epileptische aanvallen?
Acuut symptomatisch (menigitis), structureel (aanlegstoornis, schade, tumor), genetisch, auto-immuun, metabool/infectieus of onbekend.
59
Wanneer is de diagnose epilepsie te stellen?
Na het optreden van twee of meer niet geprovoceerde (of reflexmatige) epileptische aanvallen met een interval van meer dan 24 uur. Bij een niet geprovoceerde (of reflexmatige) epileptische aanval met een hoog herhalingsrisico (60% in tien jaar) Als er sprake is van een epilepsiesyndroom
60
Welke punten moeten zeker bekeken worden om de diagnose epilepsie te kunnen stellen?
Ogen open, oogcontact, interactie, trekkingen, schokken
61
Wat zijn de kenmerken van focale epilepsie?
Begint in één hemisfeer, kan verder verspreiden en generaliseren, op EEG is een focus te herkennen. Met intacte of verminderde gewaarwording, (niet-) motorisch begin en soms focaal naar bilateraal tonisch-clonisch.
62
Wat zijn de kenmerken van gegeneraliseerde epilepsie?
Verspreid (niet-)motorisch direct naar bilaterale netwerk (symmetrische patronen), thalamus betrokken.
63
Wat zijn de kenmerken van absences?
Niet-convulsieve gegeneraliseerde epilepsie, abrupte aanvallen van afwezigheid. Achteraf geen bewustzijn over de aanval. Uitlokken door hyperventilatie
64
Wat zijn de kenmerken van Tonisch-Clonische insulten?
Verkrampen - strekken
65
Wat zijn de kenmerken van een atonisch insult?
Ineens slap worden en in elkaar zakken. Gevaar door onhandig vallen.
66
Wat zijn de kenmerken van een epileptische aanval die frontaal gelokaliseerd is?
Minder dan een minuut Tijdens slaap Hoogfrequente aanvallen Vaak geen geheugenverlies Secundaire generalisatie Vocalisatie, hypermotor Korte postictale fase
67
Wat zijn de kenmerken van een epileptische aanval die Temporaal gelokaliseerd is?
Een kwartier Tijdens waak Minde frequente aanvallen Geheugenverlies Soms secundaire generalisatie Orofaciale atomatismen Lange postictale fase
68
Wat zijn de kenmerken van een epileptische aanval die Occipitaal gelokaliseerd is?
Visuele verschijnselen Ogen knipperen Ogen/hoofd wegdraaien Hoofdpijn, langere bewustzijndaling of braken
69
Wat is het doel van de behandeling van epilepsie?
Voorkomen van langdurige depolarisatie en hoogfrequent synchroon vuren.
70
Wat zijn de eerste keuze anti-epileptica bij focale epilepsie?
Valproïnezuur, lamotrigine, levetiracetam, carbamazepine/oxcarbazepine en lacosamide.
71
Wat zijn de eerste keuze anti-epileptica bij gegeneraliseerde epilepsie?
Valproïnezuur, lamotrigine en levetiracetam.
72
Wat zijn de eerste keuze anti-epileptica bij absences?
Valproïnezuur, lamotrigine en ethosuximide.
73
Wat zijn niet-medicinale alternatieve behandelingen voor epilepsie?
Epilepsiechirurgie, ketogeen dieet, neuromodulatie.
74
Noem 3 manieren om de prikkelbaarheid van neuronen kan verminderen.
Modulatie spanningsafhankelijke ionkanalen. (vooral remming van Na+-kanalen) Versterken inhibitie Remmen van excitatie, transmitterafgifte of metabolisme
75
Waar kruist het gnostische systeem?
In de hersenstam, ter hoogte van de nucleus gracilis en nucleus cuneatus.
76
Welke medicatie zorgt voor de remming van Na+-kanalen?
Carbamazpine, fenytoïne, lamotrigine en oxcarbazepine
77
Welke medicatie zorgt voor de remming van de Ca2+-kanalen?
Ethosuximide Gabapentine
78
Welke medicatie zorgt voor het openen van de K+-kanalen?
Retigabine
79
Welke medicatie stimuleren de GABAa-receptorkanalen?
Benzodiazepine, barbituraten
80
Welke medicatie verhogen de GABA-concentratie? En hoe?
Vigabatrine (Remmen mitochondriale GABA transaminase) Tiagabine (Remmen GABA transporter)
81
Welk medicijn is er niet geschikt voor de behandeling van epilepsie bij vruchtbare meisjes en waarom?
Valproïnezuur. Geeft een verhoogde kans op adipositas, PCOS en heeft een teratogeen effect.
82
Wat veroorzaakt meestal de epileptische aanvallen bij patiënten met alcohol abusus?
Plotse onttrekking van alcohol
83
Wat markeert de overgang van scotopisch zien naar mesopisch zien?
De drempelintensiteit waarbij kegeltjes actief worden.
84
Wat zijn de kenmerken van laag 1 (Membrana limitans interna) van de retina?
Dit membraan wordt gevormd door uitlopers van Muller cellen (gliacellen) in de retina.
85
Wat zijn de kenmerken van laag 2 (Zenuwvezellaag) van de retina?
In deze laag verzamen zich de axonen van de retinale ganglioncellen.
86
Wat zijn de kenmerken van laag 3 (Ganglioncellaag) van de retina?
Deze laag bevat de retinale ganglioncellen
87
Wat zijn de kenmerken van laag 4 (Binnenste plexiforme laag) van de retina?
In deze celarme laag maken de dendrieten van de ganglioncellen en de interneuronen contact.
88
Wat zijn de kenmerken van laag 5 (Binnenste kernlaag) van de retina?
In deze laag zijn de celkernen van alle retinale interneuronen gelokaliseerd.
89
Wat zijn de kenmerken van laag 6 (Buitenste plexiforme laag) van de retina?
In deze celarme laag maken de axonen van de ganglioncellen en de interneuronen contact.
90
Wat zijn de kenmerken van laag 7 (Buitenste kernlaag) van de retina?
In deze laag liggen de kernen van de fotoreceptorcellen. (Staafjes en kegeltjes)
91
Wat zijn de kenmerken van laag 8 (membrana limitans externa) van de retina?
Dit membraan wordt gevormd door uitlopers van de Muller cellen in de retina
92
Wat zijn de kenmerken van laag 9 (fotoreceptorlaag) in de retina?
In de laag bevinden zich de binnen en buitensegmenten van de fotoreceptorcellen.
93
Wat zijn de kenmerken van laag 10 (Retinale pigmentepitheellaag) van de retina?
Normaal slechts één cel dik. De cellen bevatten pigment. Belangrijkste functie is transport van voeding uit de choroidea naar de retina en absorberen van verstrooid licht dat de retina is gepasseerd.
94
In welke van de de drie delen van het corpus ciliare bevinden zich de kamervocht producerende cellen?
Pars plicata
95
Wat zijn de enige twee spieren die nog werkzaam zijn bij een n. oculomotorius verlamming?
Musculus rectus lateralis Musculus obliquus superior
96
Welke vier zenuwen lopen er door de Canalis Acousticus Interna heen?
N. Facialis N. Vestibularis inferior N. Vestibularis superior N. Chochlearis
97
Wat is een cholesteatoom?
Een kreatinevormende matrix, meestal uitgaand van het trommelvlies, met stapeling van kreatine, gelokaliseerd in het middenoor en mastoid, en ontsteking van mucosa en onderliggend bot leidend tot osteolyse.
98
Aan welke drie systemen draagt centrale verwerking van vestibulaire informatie bij?
Houding Perceptie Blikstabilisatie
99
Vanuit welk telencephaal hersengebied wordt de 'Duchenne smile' aangestuurd?
Gyrus cinguli
100
Welke sensibele informatie verloopt via de antero-laterale baan van het ruggenmerg?
Vitale informatie
101
In welke drie hersendelen vindt centrale verwerking plaats van vestibulaire informatie?
Cerebellum Hersenstam Cortex
102
Waarin onderscheidt gyrus cinguli aansturing van de facialis zich ten opzichte van gyrus precentralis aansturing van de facialis?
Gyrus cinguli: - Emotioneel - Bilateraal - Voornamelijk bovenste mimische spieren Gyrus precentrailis: - Vrijwillig - Contralateraal - Voornamelijk onderste mimische spieren
103
Welke vier soorten activiteit naar frequentie kennen we in het EEG? Geef behalve de naam van de activiteit ook de frequentierange weer.
Delta: 0,5 – 4 Hz Thèta: 4 – 8 Hz Alfa: 8 – 13 Hz Bèta: ≥ 13 Hz
104
Welk gewricht grenst er anterior aan de meatus acusticus externus?
Kaakgewricht
105
Waar liggen de cellichamen van de vezels die de linker fasciculus gracilis vormen vooral?
Linker spinale ganglia op lumbosacraal niveau
106
Er zijn bepaalde kenmerken die u kunnen te differentiëren tussen een centrale en perifere oorzaak van een parese. Welke kenmerken zijn dat?
Trofiek, fasciculaties, tonus, spierrekkingsreflexen, voetzoolreflex
107
Benoem de vijf lagen van de cornea, in de juiste volgorde, beginnend aan de buitenkant.
1. Epitheel 2. Membraan van Bowman 3. Stroma 4. Membraan van Descemt 5. Endotheel
108
Waar staat het aangedane oog bij een verlamming van N. Oculomotorius?
Naar beneden en naar lateraal gericht
109
Welke bloedvaten grenzen allemaal direct aan het mastoid en het os petrosum?
Arteria Carotis Sinus Sigmoïdeus Bulbus jugulare
110
Welke twee structuren staan met elkaar in verbinding via de ductus reuniens?
Sacculus Scala media
111
Een laesie in het mesencephalon heeft gewoonlijk zeer diverse en over het algemeen ernstige gevolgen. Wat is de belangrijkste reden hiervan?
Het mesencephalon is relatief klein en bevat veel opstijgende en afdalende vezelsystemen.
112
Welk patroon in zwakte geeft een myopathie over het algemeen?
Overwegend proximale zwakte (zwakte van de bovenarmen en bovenbenen)
113
Wat is een motorische eenheid?
Een motoneuron met alle spiervezels die door dat neuron geïnnerveerd worden.
114
Wat zijn twee elementen die je altijd moet benoemen om een focale epileptische aanval te omschrijven?
Bewustzijnsverandering en motorische verschijnselen
115
Benoem de vier belangrijkste doelen van cholesteatoomchirurgie
1= alle ziekte verwijderen (geen residu cholesteatoom) 2= voorkomen van nieuwvorming cholesteatoom (geen residief cholesteatoom) 3= gehoor zo goed mogelijk 4= optimale hygiënische status verkrijgen
116
Noem vier provocatiemethoden voor het induceren van epileptiforme afwijkingen in het EEG.
Slaap Slaaponthouding Hyperventilatie Lichtflitsstimulatie
117