3B2 Flashcards

(141 cards)

1
Q

Uit welke 3 lagen bestaat de cortex van het cerebellum?

A

De korrelcellaag
De Moleculaire laag
Met daartussen dikke purkinjevezels

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Welk type vezels verloopt geheel binnen de cerebellaire schors?

A

Parallelevezels

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Waar ligt de dorsale nucleus van Clarke en wat wat is zijn functie?

A

De dorsale nucleus van Clarke ligt aan weerszijden van het centrale kanaal in het thoracale ruggenmerg en is een relay station voor de proprioceptie uit de onderste ledematen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat voor medicijn is bromocriptine en wat zijn de bijwerkingen?

A

Bromocriptine werkt als een D1-receptorantagonist en als een D2-receptoragonist.
Bijwerkingen van D2-agonisten:
- Misselijkheid
- Braken
- Hypotensie
- Hallucinaties en verwardheid.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Waartegen werkt apomorfine goed en wat moet daar altijd bij gegeven worden en waarom?

A

Apomorfine is een D2-agonist en is nuttig om de symptomen van Parkinson te bestrijden.

Dit is een braakmiddel dus moet altijd samen met Domperidon gegeven worden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Waardoor wordt SCA6 veroorzaakt?

A

Een geëxpandeerde CAG-repeat in het CACNA1A-gen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Welke 3 soorten ataxie zijn er?

A

Sensorische ataxie (Romberg positief)
Cerebellaire ataxie (Romberg negatief)
Ataxie van Friedrich (Juveniel)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat is de hiërarchie in de psychische functies in de status mentalis?

A

Cognitieve functies (Desoriëntatie, bewustzijn, aandacht, etc.)
Affectieve functies
Conatieve functies

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Welke zaken moeten er aanwezig zijn om de diagnose delirium te stellen?

A

Bewustzijnsstoornis
Verandering in cognitieve functies of waarneming, desorïentatie in persoon.
Ontwikkeld in korte tijd, fluctueert in loop van de dag
Aanwijzing voor somatische oorzaak.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Hoe word de ziekte van Alzheimer gediagnosticeerd?

A

MMSE (Mini-Mental State Examination), maar bij voorkeur bevestigd door NPO (Neuropsychologisch onderzoek).
En de volgende kenmerken:
- Sluipend begin, geleidelijk progressief in achteruitgang cognitief.
- Progressieve uitval van geheugen, taal, visueel-ruimtelijke functies, praxis en uitvoerende functies.
- Geen bewustzijnsstoornis
- Geen systemische of andere hersenaandoeningen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wanneer is een angstrespons pathologisch? Noem 3 kenmerken.

A

Als de angstrespons na een angstprikkel te lang aanhoudt.
Als de angstrespons na een angstprikkel te intens is.
Als de angstrespons optreedt zonder angstprikkel.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Welke enzymen zijn verantwoordelijk voor de afbraak van catecholamines?

A

MAO-A
COMPT

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Op welke 3 manieren kunnen catcholamines worden verwijderd uit de synapsspleet?

A

Reuptake
Afbraak
Receptorbinding

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat zijn de bijwerkingen van selectieve serotonine reuptake inhibitors (SSRI’s)?

A
  • Misselijkheid
  • Diarree
  • Libidoverlies
  • Vertraagde ejaculatie
  • Hoofdpijn
  • Afname eetlust
  • Grotere bloedingsneigingen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Welke verschijnselen kunnen er optreden bij een manische episode?

A
  • Een opgeblazen gevoel van eigenwaarde
  • Minder behoefte aan slaap
  • Spraakzamer dan gebruikelijk
  • Gemakkelijk afgeleid
  • Onderneemt meer activiteiten
  • Voelt zich rusteloos, er is een prikkelbare stemming
  • Houdt zich bezig met voor de patient aangename activiteiten, die kunnen leiden tot pijnlijke situaties, zoals in één keer te vele geld uitgeven.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Waardoor kunnen er toxische lithium concentraties ontstaan?

A
  • Auto-intoxicatie
  • Nierfunctiestoornis
  • Sterk verlies van zout en/of vocht.
  • Interactie met co-medicatie (bijv. Ibuprofen)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Wat is het meest bepalende kenmerk van de Socratische dialoog?

A

Vragen stellen om de patiënt zelf te laten ontdekken waar zijn denkfouten zitten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Wat is het kernprobleem bij dyslexie?

A

Het fonologische bewustzijn. (de klank-/tekenkoppeling)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Wat zijn de kenmerken van een cannabis intoxicatie?

A

Conjuctivale roodheid
Verhoogde eetlust
Droge mond
Tachycardie
Psychose
Verhoogde perceptie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Vanwege welk minder actief enzym kunnen Aziaten slechter tegen alcohol dan Europeanen?

A

Aldehyde dehydrogenase

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Noem de vier hoofdcategorieën van gedrag van een normoverschrijdend-gedragsstoornis.

A
  • Agressie jegens mensen en dieren
  • Vernieling van eigendommen
  • Leugenachtigheid of diefstal
  • Ernstige overtredingen van regels
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Noem vier anatomische structuren die betrokken zijn bij centraal neuropathische pijn.

A
  • De dorsale hoorn van het ruggenmerg
  • De thalamus
  • De insula
  • De somatosensibele hersenschors.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Welke 3 soorten tumoren leiden het meest tot hersenmetastasering?

A

Bronchuscarcinoom (Longkanker)
Mammacarcinoom (brostkanker)
Melanoom

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Noem 3 verschillen tussen een cerebellaire tremor en een Parkinson tremor.

A

Cerebellaire tremor: Aanwezig in actie, intentie tremor, gepaard met cerebellaire ataxie.

Parkinson tremor:
Rust tremor, geen intentietremor, gepaard met Parkinson verschijnselen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Op welke eigenschap van de puls-stap response heeft de Prepositus Hypoglossi (PPH) effect?
De fixatie na de saccade. Na een beweging blijft je oog stil staan door de spierspanning wat te verhogen.
26
Wat is deep brain stimulation (DBS) en welke in welke gebieden worden de elektroden gezet?
DBS is een non-farmacologische behandeling voor Parkinsonpatiënten. Het is magnetische stimulatie waarbij een pulsgenerator pulsen af geeft in de basale kernen. Globus pallidus internus Nucleus subthalamicus.
27
Wat is een rusttremor?
Een rusttremor treed op in rust en verdwijnt (gedeeltelijk) bij beweging. Komt het meest voor bij Parkinson en medicamenteus Parkinsonisme. Kan optreden aan extremiteiten, kin en tong. Niet aan hoofd.
28
Wat is een cerebellaire tremor of intentietremor?
Aanwezig bij beweging en afwezig in rust. Tremor wordt erger naar mate het doel van de beweging benaderd wordt. Komen vaak voor in combi met andere cerebellaire verschijnselen. Kan ook voorkomen als gevolg van intoxicaties.
29
Wat is een fysiologische tremor?
Aanwezig in rust, verergert bij het aannemen van een bepaalde houding, vermoeidheid, spanning, alcoholonttrekking, hyperthyreoïdie, hypoglykemie of cafeïnegebruik.
30
Wat is een essentiële tremor?
In feite een versterkte fysiologische tremor van de handen en het hoofd, die verergert bij het innemen van een bepaalde positie van handen of hoofd. Kan voorkomen als autosomaal dominante aandoening met wisselende penetrantie.
31
Noem de medicijnen die effectief zijn bij een essentiële tremor.
Propranolol Primidon Gabapentine/clonazepam Topiramaat Botuline toxine
32
Wat veroorzaakt de ziekte van Huntington?
De degeneratie van de enkephaline D2 Neuronen in het striatum.
33
Wat zijn de symptomen van de ziekte van Huntington?
Hyperkinesie: de chorea-achtige bewegingen.
34
Welke aspecten van de vorm van het denken worden in de status mentalis vastgelegd?
Het tempo en de samenhang.
35
Welke stappen moeten in welke volgorde worden doorlopen om een nieuw declaratief geheugen te kunnen vormen?
1. Acquisitie in het werkgeheugen 2. Encoding in het intermediair geheugen 3. Consolidatie in de slaap voor opslag in het langertermijngeheugen. 4. Langertermijnopslag tijdens de slaap, overspoelen naar de anterior cingulate cortex.
36
Noem de 5 subtypen van dementie.
Alzheimer Lewy body dementie Vasculaire dementie Parkinson Frontotemporale dementie.
37
Waar is voornamelijk sprake van bij Alzheimer?
Stoornissen in het geheugen en de oriëntatie in tijd en plaats. Daarbij ook problemen in visus, taal en motoriek.
38
Waar is voornamelijk sprake van bij Vasculaire dementie?
Subcorticale dementie. Hierbij treden traagheid, motorische en taalproblemen op.
39
Waar is voornamelijk sprake van bij Frontotemporale dementie?
Corticale dementie. Onderscheid tussen de gedragsvariant (verandering in gedrag en persoonlijkheid) en de taalvarianten (primair progressieve afasie). Bij FTD zijn de frontaal en temporaalkwab aangedaan.
40
Waar is voornamelijk sprake van bij Lewy body dementie?
Progressieve cognitieve achteruitgang van met name aandacht, frontale, uitvoerende en visuospatiële vaardigheden.
41
Wat zijn de 4 niveaus van de E in de EMV score?
1. Opent ogen niet 2. Open ogen bij pijn 3. Opent ogen bij aanspreken 4. Opent ogen spontaan.
42
Wat zijn de 6 niveaus van de M in de EMV score?
1. Geen reactie 2. Strekken bij pijn 3. Pathologisch buigen bij pijn 4. Buigen bij pijn. 5. Lokaliseren bij pijn 6. Opdrachten uitvoeren.
43
Wat zijn de 5 niveaus van de V in de EMV score?
1. Geen geluid 2. Onverstaanbaar geluid 3. Inadequaat (woorden) 4. Verward (zinnen) 5. Georiënteerd.
44
Wat zijn de functies van de Temporale Associatie Cortex?
Herkenning objecten Ventrale stroom van visuele informatie verwerking.
45
Wat zijn de functies van de de Frontale Associatie Cortex?
Inhibitie van spontaan gedrag Plannen en uitstellen van gedrag Maken van beslissingen
46
Wat zijn de de functies van de Parietale Associatie Cortex?
Aandacht Verwerking van plaats informatie Dorsale stroom van visuele informatie-verwerking.
47
In welke 5 categorieën worden antidepressiva ingedeeld? Noem 1 voorbeeld per categorie..
1. Klassieke tricyclische antidepressiva (TCA's): amitriptyline 2. Selectieve serotonine reuptake inhibitors (SSRI's): Paroxetine, citalopram 3. Serotonine-noradrenaline reuptake inhibitors (SNRI's): Venlafaxine 4. Presynaptische alfa2-receptor antagonisten: mirtazapine 5. MAO-A remmers: tranylcypromine
48
Welke dingen maken allemaal deel uit van de eerste indruk bij de status mentalis?
Uiterlijk Contact Klachtenpresentatie Oogcontact Houding Gevoelens en reactie opgewekt bij de onderzoeker.
49
Welke dingen maken allemaal deel uit van de Cognitieve functies bij de status mentalis?
Bewustzijn en oriëntatie Aandacht Geheugen Oordeelsvermogen Ziektebesef en ziekte-inzicht Abstractievermogen Executieve functie Geschatte Intelligentie Taal Waarnemen en zelfwaarnemning Denken (vorm) - Bradyfrenie: geremd denken (bij depressie) Denken (inhoud)
50
Welke dingen maken allemaal deel uit van de Affectieve functies bij de status mentalis?
Stemming Affect Somatische klachten en verschijnselen
51
Welke dingen maken allemaal deel uit van de Conatieve functies bij de status mentalis?
Psychomotoriek: - Algemeen - Mimiek en gestiek - Spraak Motivatie en gedrag
52
Wanneer is iemand apatisch?
Als de persoon minder geïnteresseerd is in de wereld om hem heen en vaak geen zing heeft om iets te ondernemen.
53
Wat is Mutisme?
Het onvermogen om te spreken.
54
Wat is Psychomotorische remming?
Remming van de bewegingen.
55
Wat is Stupor?
Een sterke vermindering of zelfs gehele blokkade van de geestelijke functies die samen gaan met de onbeweegljikheid van het lichaam.
56
Wat is Katatonie?
Ontregeld gedrag: veel of heel weinig beweging.
57
Wat voor medicijn is Risperidon en hoe werkt het?
Risperidon is een atypisch antipsychoticum dat de D2 en 5-HT2 receptoren blokkeert, maar met een veel grotere affiniteit voor de 5-HT2 receptor.
58
Wat is de toedieningsvorm en werkingsduur van naloxon?
Intraveneus en kort (korte halfwaardetijd). Ideaal voor patiënten met een overdosis.
59
Waardoor wordt een paranoïde persoonlijkheidsstoornis gekenmerkt?
Wantrouwen en achterdocht.
60
Waardoor wordt een Schizoïde persoonlijkheidsstoornis gekenmerkt?
Afstandelijk in sociale relaties en een beperkt bereik van emotionele expressie.
61
Waardoor wordt een Schizotypische persoonlijkheidsstoornis gekenmerkt?
Diepgaand patroon van sociale en intermenselijke beperkingen en cognitieve en perceptuele vervormingen en zonderling uiterlijk.
62
Waardoor wordt een Bordeline persoonlijkheidsstoornis gekenmerkt?
Instabiliteit in intermenselijke relaties, zelfbeeld en affecten; impulsiviteit; instabiele en intense intermenselijke relaties; vaak zelfdestructiviteit in de vorm van suïcidegedachten of pogingen, en zelfbeschadigend gedrag; gevoel van innerlijke leegte; intense woede, en voorbijgaande paranoïde ideeën. Reageren zeer heftig op verlating.
63
Waardoor wordt een Antisociale persoonlijkheidsstoornis gekenmerkt?
Diepgaand patroon van gebrek aan achtig voor en schending van de rechten van anderen.
64
Waardoor wordt een Histrionische persoonlijkheidsstoornis gekenmerkt?
Een buitensporig patroon van emotionele aandacht vragen; overdreven verleidelijk, emotioneel, zelf dramatiserend, ongepast familiair.
65
Waardoor wordt een Narcistische persoonlijkheidsstoornis gekenmerkt?
Een diepgaand patroon van grootheidsgevoelens, behoefte aan bewondering, het gevoel bijzondere rechten te hebben, exploiteert anderen, is afgunstig en arrogant.
66
Waardoor wordt een Vermijdende persoonlijkheidsstoornis gekenmerkt?
Een diepgaan patroon van geremdheid in gezelschap, gevoel en tekortschieten en overgevoeligheid voor een negatief oordeel. Komt tot uiting in; vermijden van beroepsmatige activiteiten, preoccupatie met kritiek en afwijzing, gereserveerdheid uit angst belachelijk gemaakt te worden.
67
Waardoor wordt een Afhankelijke persoonlijkheidsstoornis gekenmerkt?
Een diepgaande behoefte om verzorgd en gestuurd te worden, een onvermogen om zelf alledaagse beslissingen te nemen, verantwoordelijkheden op zich te nemen, moeite met meningsverschil, hulpeloosheid en wanhoop wanneer men alleen is.
68
Waardoor wordt een Dwangmatige persoonlijkheidsstoornis gekenmerkt?
Een diepgaand patroon van preoccupatie met ordelijkheid, perfectionisme en beheersing van psychische en intermenselijke processen, inflexibiliteit, moeite om taken te delegeren, starheid en koppigheid.
69
Wat is Allodynie?
Een pijnlijke reactie op een normaal niet pijnlijke aanraking.
70
Wat is Hyperalgesie?
Een verhoogde pijnreactie op een pijnlijke prikkel.
71
Noem de twee gebieden van de hersenschors die goede pijn verwerkt.
Primaire somatosensibele cortex Secundaire somatosensibele cortex
72
Noem de drie gebieden in de hersenschors die slechte pijn verwerken.
Anterieure gyrus cinguli Insula Amygdala
73
Wat is gerefereerde pijn?
Viscerale pijn, waarbij meerdere zenuwen op één plaats in het ruggenmerg samenkomen. Het lichaam kan dan niet direct plaatsen waar de pijn vandaan komt, de pijn straalt uit en lijk niet van de plaats te komen waar de daadwerkelijke tumor zit.
74
Wat zijn de kenmerken van een caudasyndroom?
Afwezige spanning in de sfincter ani Atone overloopblaas Afwezig gevoel in het rjibroekgebied.
75
Noem de zes kernprocessen van ACT-therapie.
1. Acceptatie: Het aanvaarden van onverklaarde klachten 2. Defusie: Afstand nemen van (vervelende) gedachten 3. Mindfulness: volledig bewust raken van ervaringen 4. Jezelf observeren en zelfcompassie: omgaan met het zelfbeeld 5. Waarden: stilstaan bij de zaken die wel belangrijk zijn. 6. Toegewijde actie en handelen naar waarden.
76
Wat zijn de symptomen van Progressieve supranucleaire paralyse?
Vallen, wazig zien, cognitieve- en gedragsveranderingen. Oogspierverlammingen. Verticale supranucleaire blikparese, prominente houdingsinstabiliteit, axiale rigiditeit.
77
Hoe loopt de directe route van dopamine in de basale ganglia? En wat is het effect?
Loopt via het striatum en de globus pallidus internus. Dit zijn medium spiny neurons met D1-receptoren. Dit remt het afremmen van de throughput en leidt tot beweging.
78
Hoe loopt de indirecte route van dopamine in de basale ganglia? En wat is het effect?
Loopt via het striatum naar de globus pallidus externa en vervolgend via de nucleus subthalamicus naar de interne globus pallidus. Dit zijn medium spiny neurons met D2-receptoren. Dit stimuleert het afremmen van de throughput en leidt daarom tot remming van bewegingen.
79
Wat wordt bedoelt met het on-off fenomeen tijdens het gebruik van levodopa?
Ongewilde bewegingen (ON) of totale verstarring (OFF). Dit wordt veroorzaakt door schommelingen in de dopamineconcentratie.
80
Op welke eigenschap van de puls-stap response heeft de Paramedian Pontine Reticular Formation (PPRF) effect?
De snelheid van de saccade.
81
Wat is de definitie van "stemming"?
Een gemoedstoestand bekeken over een langere periode.
82
Wat is de definitie van "Affect"?
Het gevoel van een patiënt op een bepaald moment.
83
Wanneer is iemand Somnolent?
Als deze persoon alleen antwoord op krachtig aanspreken.
84
Wanneer is iemand Soporeus?
Als iemand niet antwoord, maar wel eenvoudige opdrachten uitvoert.
85
Wanneer is iemand zijn oriëntatie vernauwd?
Als hij/zij geconcentreerd is op een bepaalde ervaring en daarbij afgesloten is van prikkels van buitenaf.
86
Wat is anhedonie?
Het verminderd vermogen plezier of genot te ervaren in situaties of activiteiten die normaal gesproken als plezierig worden ervaren.
87
Wat is een confabulatie?
Een geheugenstoornis waarbij iemand verzonnen of vervormde herinneringen verteld zonder opzettelijk te liegen.
88
Wat is een 'minor neurocognitive disorder'?
Objectiveerbare cognitieve stoornissen, maar géén interferentie in het dagelijks functioneren.
89
Wat is de naam voor de stoornis waar mensen geen gezichten meer kunnen herkennen?
Prosopagnosie
90
In welke gyrus en in welke associatieve cortex is prosopagnosie gelokaliseerd?
Fusiforme gyrus in de temporale kwab.
91
Wat is de definitie van een hallucinatie?
Een verstoring van de waarneming. Hierbij treedt een sensorische perceptie zonder externe stimulatie op van het relevante sensorische orgaan.
92
Wat zijn waanideeën?
Denkbeelden die overduidelijk niet met de realiteit overeenstemmen, behalve religieuze denk beelden.
93
Noem 8 melancholische kenmerken.
1. Verlies van plezier in alle activiteiten 2. Geen stemmingsverbetering als reactie op positieve gebeurtenissen 3. Duidelijk andere kwaliteit van de stemming van verdriet 4. Dagschommeling (slechter in de ochtend) 5. Vroeg wakker worden 6. Psychomotorische remming of agitatie 7. Eetlustvermindering en/of gewichtsverlies 8. Buitensporige of onterechte schuldgevoelens.
94
Bij welke antipsychotica komen anticholinerge bijwerkingen voor?
Anticholine bijwerkingen komen vooral voor tijdens het gebruik van low potency antipsychotica
95
Welke processen worden door het lichaam aangepast waardoor er tolerantie ontstaat van opioïden?
Downregulatie van receptoren. Versneld metabolisme door inductie van leverenzymen Upregulatie van adenylyl cyclase in de locus coeruleus. Afgenomen receptoraffiniteit.
96
Welke symptomen worden er verwacht bij uitval van de zenuw wortel C5?
Zwakte in de m. deltoideus en bovenarm.
97
Welke symptomen worden er verwacht bij uitval van de zenuw wortel C6?
Zwakte in de m. biceps brachii en polsspieren; gevoelloosheid aan de duimkant van de hand.
98
Welke symptomen worden er verwacht bij uitval van de zenuw wortel C7?
Zwakte in de m. triceps brachii, gevoelloosheid en tinteling aan de achterkant van de arm en de middelvinger van de aangedane hand.
99
Welke symptomen worden er verwacht bij uitval van de zenuw wortel C8?
Zwakte in de greep van de hand; gevoelloosheid in de pink.
100
Welke oogbewegin kan uitgevoerd worden door iemand met verworven oculomotorische apraxia?
Vestibulaire Oculaire Reflex (VOR)
101
Wat zijn de kenmerken van een centrale parese?
Verhoogde spierrekkingsreflexen Abnormale huidreflexen Verhoogde tonus
102
Wat zijn de kenmerken van een perifere parese?
Atrofie Fasciculaties Verlaagde spierrekkingsreflexen Normale of slappe tonus.
103
Welke hoofddelen van de basale kernen liggen er in het telencephalon?
Striatum Globus pallidus
104
Welke hoofddelen van de basale kernen liggen in het diencephalon?
Nucleus subthalamicus
105
Welke hoofddelen van de basale kernen liggen in het mesencephalon?
Substantia nigra
106
Wat is een paranoïde waan?
Overmatige achterdocht, waarbij mensen denken dat zij worden gevolgd of dat mensen het op hen gemunt hebben.
107
Wat is een beïnvloedingswaan?
Waan waarbij iemand denkt dat zijn handelen, denken en voelen worden beïnvloed door iets of iemand buiten hem om. Verschillende typen zijn: gedachte inbrenging, gedachte belemmering, gedachte uitbreiding, gedachte uitzending en gedachtelezing.
108
Wat zijn betrekkingswanen?
Inhoud van de waan is onjuiste overtuiging van de relatie van de patiënt met de buitenwereld.
109
Wat is een Erotomane waan?
Waan dat iemand verliefd op hem is, romantische gevoelens koestert of openstaat voor romantische toenadering, terwijl er in werkelijkheid geen sprake van is.
110
Wat is een Godsdienstwaan?
Waan waarbij men ervan overtuigd is dat hij een godheid is of door God gedachten en opdrachten krijgt.
111
Wat is een Schuldwaan?
Schuldgevoel naar anderen toe, over allerlei levensomstandigheden, het gevoel hebben anderen onrecht te hebben aangedaan.
112
Wat is een Zondewaan?
Iemand heeft de overtuiging schuldig te zijn aan alle ellende in de wereld.
113
Wat is een Armoede waan?
Waan waarbij iemand ten onrechte denkt dat hij geen geld en goederen meer heeft om van te leven.
114
Wat is een Nihilistische waan?
Overtuiging dat hij/zij of de wereld o zich heen niet meer bestaat.
115
Wat is een somatische waan?
De waan dat er iets mis met diens lichaam.
116
Wat is de definitie van obsessies?
Een zich herhalende gedachte (of voortelling), dringt zich tegen de wil van de patiënt op, wordt als egodystoon beleefd.
117
Welke onderdelen worden er tot de 'limbic lobe' gerekend?
Gyrus Cinguli Gyrus parahippocampi Hippocampus
118
Op welke zenuwuiteinden komen presynaptische α2 receptoren voor?
op adrenerge, maar niet op serotonerge zenuwuiteinden.
119
Wat zijn de kenmerken van een Broca afasie? (motorische of expressieve afasie)
Spreekt uit zichzelf weinig en niet vloeiend. Er is een gestoorde zinsopbouw met telegramstijl en woordvindstoornissen. Het begrip is relatief goed, maar is gestoord bij complexe opdrachten en er zijn parafasieën. Patient is zich ervan bewust en wordt gehinderd door de afasie.
120
Wat zijn de kenmerken van een Wernicke afasie? (Sensorische of receptieve afasie)
Spreek veel en vloeiend met intacte zinsmelodie. De spraak is inhoudsarm, er wordt geen informatie overgebracht en er zijn veel parafasieën, neologismen en een sterk verminderd taalbegrip. Patient is zich niet bewust van de stoornis en heeft een gebrekkige luisterhouding.
121
Wat zijn de kenmerken van een globale afasie?
Lokalisatie in het gehele spraakgebied. Taalproductie en taalbegrip ernstig verstoord. Vrijwel geen spontane taal, wel terugkerende klanken of woordenreeksen. Patiënten zijn doorgaans weinig communicatief in alternatieve communicatie.
122
Wat zijn de kenmerken van een amnestische afasie?
Spraak is vloeiend met woordvindpauzes, woordvindingsproblemen en niet of nauwelijks parafasieën, als een woord niet wordt gevonden volgen omslachtige omschrijvingen. Taalbegrip is goed met alleen kleine defecten. Patient is zich bewust van de stoornis. Deze vorm blijft vaak over als restverschijnsel van een ernstige vorm van afasie. Lokalisatie zit in het Wernicke gebied.
123
Op welke receptoren werk chloorpromazine?
Dopamine (D1 en D2) Muscarine (M) Histamine (H1) Serotonine (5-HT2) Alpha (alfa1)
124
Wat wordt bedoeld met de kritische periode gedurende de hersenontwikkeling?
De periode waarin de hersenen extra gevoelig zijn om iets specifieks te leren. Na die periode verliest het brein de plasticiteit om datgeen nog goed te leren.
125
Wat gebeurt er met de synapsen in het brein tijdens de kritische periode?
De synapsen die gebruikt worden zullen blijven, de synapsen die niet gebruikt worden zullen verdwijnen (synapse eliminatie).
126
Welke persoonlijkheidstoornissen vallen onder cluster A?
Paranoïde Schizoïde Schizotypische
127
Welke persoonlijkheidstoornissen vallen onder cluster B?
Antisociale Borderline Theatrale/histrionische Narcistische
128
Welke persoonlijkheidstoornissen vallen onder cluster C?
Ontwijkend/vermijdend Afhankelijk Obsessief-compulsieve/dwangmatig
129
Welke twee hersendelen zijn vooral verantwoordelijk voor de affectieve effecten van pijngevoel?
Gyrus cinguli Insula
130
Wat wordt er bedoelt met labiel affect?
De zichtbare en hoorbare expressie van de emotionele reactie (affect) wisselt herhaaldelijk en abrupt, zonder duidelijke externe aanleiding.
131
Wat wordt er bedoelt met inadequaat affect?
Tonen van emoties die niet passen bij de omstandigheden, gedachten en handelingen.
132
Waarop berust de werking van clonidine bij het heroïne abstinentiesyndroom?
Sympathicus onderdrukking
133
Wat is hiërarchie van psychiatrische stoornissen?
1. Neurocognitieve stoornissen (delier, dementie) 2. Psychosespectrumstoornissen 3. Emotionele stoornissen (bipolair/depressief, angst, persoonlijkheidsstoornissen) 4. Gedragsstoornissen 5. Stoornis met lichamelijke symptomen.
134
Bij ‘normal pressure hydrocephalus’ is er sprake van een trias van klinische verschijnselen. Welke drie verschijnselen zijn dit?
Loopstoornissen Geheugenklachten Urine incontinentie
135
Noem de drie mogelijke werkingsmechanismen van triptanen bij migraine?
Directe vasoconstrictie Remming van neuropeptide afgifte Direct centraal effect
136
Welke twee typen oogbewegingen worden er gemaakt tijdens het lezen van een tekst?
Fixatie en saccade
137
Wat is aprosodie?
Een afwijking waarbij de patiënt de door middel van prosodische eenheden (gezichtsuitdrukking, ritme, intonatie) geuite emoties van de spreker minder goed of zelfs niet begrijpt.
138
Leg uit waarom twee neuronen gelijktijdig moeten vuren om een synaptisch contact sterker te maken.
Als er presynaptische activiteit is, komt er een neurotransmitter vrij, deze bindt aan de AMPA en NMDA receptoren. Alleen als de postsynaptische cel gelijktijdig vuurt, gaat de magnesiumblock van de NMDA receptor en kan calcium de cel in. Deze bindt aan CAMK2 en activeert CAMK2, waardoor er meer AMPA receptoren in de membraan worden geplaatst, de basis voor LTP.
139
Welke gebied van het cerebrum wordt vooral in verband gebracht bij het weergeven van een gevoel van ‘walging’?
De insula
140
Noem vijf voorbeelden van pijn bij kankerpatiënten die veroorzaakt wordt door de behandeling tegen kanker
post-radiatie plexopathie chemotherapie geïnduceerde polyneuropathie post-dissectiepijn bestralingsmucositis hand-voet syndroom bij cytarabine
141