A2.2 Flashcards

(10 cards)

1
Q

Groepsvorming

A

Het tot stand komen van bindingen tussen meer dan twee mensen, doordat ze elkaar beïnvloeden en gemeenschappelijke waarden en normen ontwikkelen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Formele groepen

A

Groepen met vastgestelde regels, met een bepaalde hiërarchie en met vastgelegde doelen en normen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Informele groepen

A

Groepen zonder vastgelegde doelen, normen en regels en met een flexibele rollenstructuur

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Affectieve bindingen

A

Emotionele bindingen, van elkaar afhankelijk zijn voor liefde en steun

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Cognitieve binding

A

Kennis bindingen, van elkaar afhankelijk zijn voor kennisvorming en kennisoverdracht

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Economische binding

A

Werk bindingen, van elkaar afhankelijk zijn voor de productie en distributie van schaarse goederen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Politieke binding

A

Dwang bindingen, van elkaar afhankelijk zijn voor collectieve actie en het uitoefenen van legitieme macht

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Sociale controle

A

Mensen bewegen (of dwingen) andere ertoe om zich te houden aan de normen van de groep

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Formele sociale controle

A

Mensen die vanuit hun functie of beroep anderen op de regels wijzen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Informele sociale controle

A

Groepsleden wijzen elkaar op de waarden en normen van de groep.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly