A6.2 Flashcards

(10 cards)

1
Q

Operationaliseren

A

Het meetbaar maken van variabelen uit een hypothese of vraag.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Indicatoren

A

Maakt een variabele meetbaar of wijst op de aanwezigheid van
iets .

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Validiteit (als eis
van onderzoek)

A

De mate waarin de onderzoeker meet wat die beoogt te meten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Betrouwbaarheid
(als eis van
onderzoek)

A

De mate waarin een meting onafhankelijk van toeval en vrij van
willekeurige meetfouten is

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Representativiteit
(als eis van
onderzoek)

A

De mate waarin de steekproef een dwarsdoorsnede of
afspiegeling is van de populatie waarover men een uitspraak wil
doen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Correlatie

A

Dat twee variabelen (oftewel de verschijnselen waarnaar deze
variabelen verwijzen) een samenhang vertonen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Causaliteit

A

Een oorzakelijk verband, waaruit blijkt dat:
- de onafhankelijke en de afhankelijke variabele
correleren;
- de onafhankelijke variabele in tijd voorafgaat aan de
afhankelijke variabele;
- gecontroleerd is op verstorende variabelen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Onafhankelijke
variabele

A

De variabele die als oorzaak wordt gezien van het veranderen
van een andere variabele.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Afhankelijke
variabele

A

De variabele die wordt beïnvloed door een of meer andere
variabelen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Interveniërende
variabele

A

Een variabele die volgt op een onafhankelijke variabele, maar
voorafgaat aan de afhankelijke variabele in een oorzakelijke reeks.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly