Bachelor 1 Flashcards

(154 cards)

1
Q
  1. Wanneer werd voor het eerst de structuur van DNA ontrafeld?
A

1953 door Francis Crick en James Watson

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q
  1. Wat is een chromosoom? Wat is een gen?
A

• Chromosoom: bijeengepakt erfelijk materiaal, sterk opgewonden DNA streng rond eiwittencomplex (histonen), tijdens celdeling, twee chromatiden verbonden door een centromeer (mens 46, 23 paar, 22 paar autosomen en 2 heterosomen)
Man 46,XY vrouw 46,XX

• Gen: fragment chromosomaal DNA, nodig voor aanmaak functioneel product (eiwit/RNA)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q
  1. Hoe ontstaat een trisomie 21?
A

• Non-disjunctie bij meiose (95%)
o Meiose I: 2 homologe chromosomen splitsen niet in anafase I
→ 2 disomische gameten, 2 nullisomische gameten
o Meiose II: 2 zusterchromatiden van chromosoom splitsen niet in anafase II
→ 1 disomische gameet, 1 nullisomische gameet, 2 normale gameten
o Disomische gameet + normale gameet = trisomie

• Non-disjunctie bij mitose (1%)
o Postzygotische non-disjunctie → mozaïcisme

• Gebalanceerde/Robertsoniaanse translocatie van chromosoom 21 bij 1 ouder (4%)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q
  1. Wat is het effect van de leeftijd van de ouder (man en vrouw) op het ontstaan van genetische afwijkingen bij de kinderen?
A

• Vrouw: maternal aging effect, door slechte/laattijdige meiose, meer delingsfouten
 chromosomale afwijkingen (20%)
• Man: meer de novo mutaties in zaadcel, opstapeling invloeden omgevingsfactoren  mutaties (10%)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q
  1. Hoeveel nucleotiden, genen en chromosomen telt het menselijk genoom?
A
  • 23 chromosomen (haploid)
  • 20 000 - 25 000 genen (telt zowel diploid als haploid)
  • 3 miljard nucleotiden/1,5 miljard basenparen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q
  1. Wat is het verschil tussen transcriptie en translatie?
A

• Transcriptie: mRNA kopie maken van relevant gen (DNA)
o In nucleus
o RNA-polymerase
• Translatie: mRNA code omzetten in polypeptide
o In cytoplasma
o Ribosomen (rRNA en eiwitten)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q
  1. Wat zijn de klinische kenmerken, genetische afwijking(en), herhalingsrisico’s en overerving bij volgende ziektebeelden: (niet vermeld)
A

• Turnersyndroom: monosomie X
o 45,X (50%), mozaïcisme (30%), structurele afwijking (20%)
 Door anafase lag of non-disjunctie in meiose/mitose
 Kleine herhalingskans
o Infertiliteit (geen overerving), falen puberteit (uitblijven menses door streak gonads), kort postuur, normale intelligentie, gezwollen voeten, webbed neck
o 20% miskramen chromosoomafwijking

• Downsyndroom: trisomie 21
o Trisomie 21 (95%), Robertsoniaanse translocatie trisomie 21 (4%), mozaïcisme (1%)
 Herhalingsrisico: indien door Robertsoniaanse translocatie chromosoom 21, anders geen significant herhalingsrisico
 Wel grotere kans door toenemende leeftijd moeder
 Overerving mogelijk, zelden voortplanting
o Congenitale hartafwijking, mentale retardatie, slappe, groot lijkende tong en open mond, dwarsplooien, Brushfield spots (iris), associatie met VACTERL-afwijkingen

• Klinefeltersyndroom: 47,XXY
o Non-disjunctie vrouwelijke gameten in meiose I/II of mannelijke gameten in meiose I
 Klein herhalingsrisico
o Mannen, falen puberteit, infertiliteit, onderontwikkeling geslachtskenmerken, vrouwelijke vetverdeling, gynaecomastie, groot gestalte, lange ledematen, mentale retardatie, leer en gedragsproblemen

• Fragiele X syndroom: FMR1-gen
o X-gebonden recessieve afwijking
 Trinucleotidenexpansie CGG in 5’UT
• Premutatie 55 - 200 repeats
• Mutatie vanaf 200 repeats
 Verliesmutatie
o Mentale retardatie, hoog voorhoofd, lang gezicht, grote kaken, lage oren, grote testes, laxe gewrichten

• Mucoviscidose: CFTR-gen op 7q31.2
o Autosomale recessieve aandoening
 1/25 000
 1/25 is drager
 Herhalingsrisico: ¼ indien beide ouders drager
o Infertiliteit: cervicale mucus bij vrouw, congenitale bilaterale afwezigheid vas deferens bij man

• Familiale hypercholesterolemie: mutaties LDLR-gen
o Semi-dominante aandoening omdat er verschil is tussen homo- en heterozygoot
 Verliesmutatie
 Herhalingsrisico: 1/400
o Hoge cholesterolwaarden, xanthelasma palpebrarum (gele vlekken rond oogleden), cardiovasculaire complicaties, bobbels op pezen

• Chorea van Huntington
o Autosomaal dominant: 1/10 000
 > 40 CAG-repeats op 4p16.3
 Herhalingsrisico: zeer groot
o Progressieve neurologische aandoening, late onset, destructie hersencellen, psychische symptomen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q
  1. Wat kan er met een karyotypering opgespoord worden? Wat niet?
A

• Numerieke en structurele chromosomale aandoeningen > 5 Mb
Belangrijkste gebalanceerde afwijkingen die met karyotypering kunnen worden opgespoord
- Reciproke translocatie (= chromosoomsegmenten uitgewisseld
tussen 2 chromosomen, zonder wijziging van het totaal aantal chromosomen.)
- Robertsoniaanse translocaties (= fusie tussen de lange armen van 2
acrocentrische chromosomen met verlies van de korte armen.)
- deleties, duplicaties, inversies
- marker chromosomen (= een structureel abnormaal, ongeïdentificeerd extra stukje chromosomaal materiaal)
- ringchromosomen
- isochromosoom (= 2 maal dezelfde arm en dus verlies van de andere arm.
Netto resulteert dit in trisomie van de betrokken chromosoomarm en monosomie van de verloren
arm.)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q
  1. Wat kan er met een array onderzoek opgespoord worden? Wat niet?
A

• Deleties, duplicaties, expressie, copy number variants (CNV) > 1000 bp
• Scan volledige genoom
• Geen gebalanceerde chromosoomafwijkingen (Robertsoniaanse translocatie)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q
  1. Wat kan er met FISH analyse opgespoord worden?
A

• Deleties, duplicaties, translocaties > 300 kb
• Gebalanceerde chromosoomafwijkingen en lage mozaïeken
• Gerichte opsporing adhv gelabelde DNA-probes: repetitie, gen, locus

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q
  1. Wat zijn de risico’s voor de zwangerschap en nakomelingen bij ouders die drager zijn van een translocatie of inversie?
A

• Mogelijkheid ongebalanceerde afwijking bij nageslacht
o Robertsoniaanse translocatie
 Normaal kind
 Gebalanceerde translocatie
 Trisomie
 Monosomie
o Inversie
 Paracentrische inversie: centromeer niet betrokken (alles of niets)
• Gezond kind
• Miskraam
 Pericentrische inversie: centromeer betrokken (hoe groter de inversie, hoe minder ernstig de gevolgen, want gedeelte duplicatie/deletie mogelijk kleiner)
• Gezond kindje
• Grote inversie: handicap
• Kleine inversie: miskraam

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q
  1. Overervingswijze uit een stamboom kunnen afleiden
A

• Autosomaal recessief: consanguïniteit, horizontaal, ¼ kans
• Autosomaal dominant: verticaal, ½ kans
• X-gebonden dominant: vader op dochter altijd, vader op zoon nooit, moeder op kinderen ½ kans
• X-gebonden recessief: uiting vooral bij mannen, vader op zoon nooit
• Mitochondriaal: moeder aan al haar kinderen, vader geeft niet door

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q
  1. Wat is het verschil tussen een verlies-aan-functie mutatie en een winst-aan-functie mutatie?
A

• Verlies: nonsense (geen eiwit) of missense (verminderde functie/werking)
• Winst: overproductie of versterkt effect eiwit, niet steeds in goede zin

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q
  1. Wat zijn “copy number variations” in het genoom?
A

= sequenties van het genoom worden herhaald en het aantal herhalingen varieert tussen individuen van dezelfde soort
• Stukjes DNA, groter dan 1 kb
• Kwantitatief: insertie, deletie, duplicatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q
  1. Wat is het verschil tussen een mutatie en een polymorfisme?
A

• Polymorfisme (SNP): elke 700 bp, onschuldig, zorgt voor variatie
• Mutatie: minder frequent, groter, kan meerdere genen omvatten, vaker pathologisch

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q
  1. Wat is het verschil tussen het exoom en het genoom?
A

• Genoom: volledige genetische materiaal van organisme
• Exoom: enkel coderende DNA, intronen (= stuk DNA in gen dat niet gebruikt wordt om het eiwit te coderen) uitgespliced, bedoeld voor transcriptie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q
  1. Wat is het verschil tussen een oncogen en een tumorsuppressorgen?
A

• Oncogen: stimulatie celdeling
• Tumorsupressorgen: remming/controle celdeling

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q
  1. Welke vormen van prenataal onderzoek bestaan er? Welke risico’s zijn hieraan verbonden? Wanneer in de zwangerschap kunnen ze toegepast worden? Voor welke indicaties?
A
  • Niet-invasief
    o Pre-implantatie genetische diagnose (PGD): na IVF, tijdens 1w cel uit blastomeer
    o Echografie: neusbeentje, nekplooi, CRL, misvormingen, dysmorfe kenmerken
    o MRI: bij dysmorfe kenmerken
    o NIPT: 11w, maternale serumscreening op embryonaal DNA (mbv NGS), amniocentese ter bevestiging
    o Triple test: 15w, maternale serumscreening, α-foetoproteïne/hCG
     Stijging AFP: neuraal buisdefect
     Daling AFP: Down
    o Combinatietest: 9 - 12w
  • Invasief
    o Chorionvillusbiopsie: 11w, placenta, miskraamrisico 1%, chromosomen/metabolisme/DNA
    o Amniocentese: 15w, vruchtwatercellen, miskraamrisico 0,5%, chromosomen/metabolisme/DNA/AFP, neurale buisdefecten
    o Chordocentese: 10 - 14w, aanprikken BV navelstreng, miskraamrisico 12%, bij sterk vermoeden bepaalde afwijking
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q
  1. Wat zijn de verschillen tussen dragerschap en predictief (presymptomatisch) genetisch onderzoek?
A

• Predictief: test op gezond individu, drager (dominante) aandoening met late onset, geen medische noodzaak, voor toekomstige gezondheid individu en nakomelingen
o BRCA-1, Huntington

• Dragerschap: test gezond individu drager erfelijke aandoening, voor nakomelingen, eerder recessieve en chromosomale aandoeningen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q
  1. Hoe verloopt de procedure van een predictief (presymptomatisch) genetisch onderzoek?
A

• Intake gesprek: stamboom, exploreren reeds aanwezige kennis, bieden info, bespreken test en procedure, opvragen resultaat aangetast familielid
• Psychologische evaluatie en psychometrische tests (angst, depressie en andere)
• Neurologische evaluatie
• Afrondingsgesprek
• Mondelinge, persoonlijke resultaatsmelding met geneticus en psycholoog
• Herhalingsgesprekken na resultaat met psycholoog

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q
  1. Wanneer kan predictief (presymptomatisch) genetisch onderzoek aangeboden worden bij familiale vormen van kanker?
A

• Indicaties voor erfelijke kanker
o Kanker frequent in familie
o Vaak op jonge leeftijd
o Indien mogelijk bilateraal
o Geclusterd met andere kankers
o Herval
• Frequent voorkomende kankers
o Erfelijke darmkankers: FAP, HNPCC
o Erfelijke borst-/ovariumkanker: BRCA
o Multiple endocriene neoplasieën: MEN
• Screeningscriteria (WHO)
o Ernstige ziekte in preklinisch stadium, fysiopathologie volledig gekend
o Geschikte diagnostische tests, sociaal aanvaard
o Aanvaardbare behandeling
o Kostenwinst in balans met uitgaven

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q
  1. Wat is het klinische belang van genomische imprinting?
A

• Bij imprinting is er van een gen slechts 1 actief allel, de andere wordt geïnactiveerd
• Bij autosomaal recessieve ziekte kan deze tot uiting komen omdat andere gen niets meer doet: chromosoom 15: Angelman (probleem maternale deletie, paternale ups), Prader-Willi (probleem paternale deletie, maternale ups)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q
  1. Wat zijn de principes van multifactoriële (polygenische) overerving?
A

• Genen dragen bij tot complexe ziekten maar zijn geen monogene ziekten en hebben geen enkelvoudige Mendeliaanse overerving
• Familiale aggregatie aanwezig, familieleden van aangedane persoon eerder
ziekte-veroorzakende allelen met proband delen dan niet-verwante individuen
• Familieleden die ziekte-veroorzakende genotypen op relevante loci delen, kunnen nog steeds discordant zijn voor het fenotype gezien cruciale rol van niet-genetische factoren in etiologie van de ziekte
• Risico voor eerstegraadsverwanten
o Vierkantswortel populatierisico
o Hoger indien verschillende individuen aangetast
o Hoger indien aandoening ernstiger bij proband
o Hoger indien proband behoort tot minst aangedane geslacht (Carter effect)
o Hoger indien consanguïniteit

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q
  1. Welke rol spelen genetische factoren in het ontstaan van multifactoriële aandoeningen? Leg hierbij het “liability/threshold” model uit.
A

• Indien vatbaarheidsdrempel (threshold) overschreden, bepaalde aandoening aanwezig
• Hoge threshold: ziekte afhankelijk van veel genen en omgevingsfactoren, minder vatbaar
• Vatbaarheid (liability) is normaal verdeeld
o Laag: weinig genen en omgevingsfactoren
o Hoog: veel genen en omgevingsfactoren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
1. Verschil in eindproducten van glycolyse onder aerobe en onder anaerobe omstandigheden
• Aeroob: glucose  pyruvaat  H2O en CO2 • Anaeroob: glucose  pyruvaat  lactaat
26
2. Plaats in de cel waar glycolyse plaats vindt
* Cytoplasma (glucose → pyruvaat) * De citroenzuurcyclus gebeurt in de matrix en de enzymen die betrokken zijn bij de overdracht van waterstof op zuurstof (terminale oxidatie) zijn gelokaliseerd op het binnenmembraan, namelijk de cristae.
27
3. Verschil in rendement tussen glycolyse en vetzuuroxidatie
• Glycolyse: 2 ATP (2 in, 4 uit) • Vetzuuroxidatie: 115 ATP (14 in voor translocatie, 129 uit)
28
4. Type metabolisme in rode bloedcellen
• Anaerobe glycolyse (geen mito’s), vorming lactaat
29
5. Essentiële stappen voor energieleverantie in Krebscyclus (in mito)
• Pyruvaatdehydrogenase: aanbreng acetyl-CoA (samen met oxaloacetaat  citraat) • Lipolyse en vetzuuroxidatie: ook aanbreng acetyl-CoA • Anaplerote reacties: zoals bv glucogene AZ, zorgt voor het voorkomen van een gebrek aan intermediairen • Energiestatus cel: bepaalt of de Krebscyclus al dan niet moet doorgaan • Vorming NADH: via oxidatieve fosforylatie omgezet in ATP
30
6. Plaats in de cel waar oxidatieve fosforylatie plaatsvindt
• Binnenste mitochondriaal membraan/matrix
31
7. Eindproduct van oxidatieve fosforylatie
• ATP, NAD+, FAD+, H2O
32
8. Werking van glucagon, epinefrine en insuline
• Glucagon (α): bij vasten, activatie PKA → stijging glycemie door activatie glycogenolyse, katabool • Insuline (β): postprandiaal, verhoogde opname glucose en glycolyse → daling glycemie, anabool • Epinefrine (bijniermerg): fight or flight, glycogenolyse → stijging glycemie → spieren
33
9. Ketolichamen: onder welke omstandigheden worden ze geproduceerd?
• Katabole toestand: hoge VZ-oxidatie en KREBS verzadigd  overmaat acetyl-CoA, omzetting naar ketolichamen
34
10. Ketolichamen: in welk(e) orgaan (organen) worden ze geproduceerd en in welk(e) verband?
• Synthese in lever, wanneer alle glucose opgebruikt, overmaat aan acetyl-CoA (afkomstig uit VZ-oxidatie) omzetten tot ketonlichamen om hersenen nog genoeg (voor de helft) te kunnen voorzien van voedingsstoffen (andere voedingsbron blijft glucose, overschakeling op verbruiken van ketonen na ongeveer 2 dagen)
35
11. Ureumcyclus: in welk orgaan vindt die plaats? Hoe is biochemisch vast te stellen of de ureumcyclus faalt?
* In parenchymcellen lever (en in mindere mate in nieren) * Falen: stijging glutamine in bloed/urine en hyperammoniëmie ## Footnote Locatie: De ureumcyclus vindt plaats in de hepatocyten (leverparenchymcellen). → De eerste stappen (zoals carbamoylfosfaatsynthetase I) verlopen in de mitochondriën, de rest in het cytosol. → De nieren spelen geen belangrijke rol in de ureumcyclus zelf, maar wél in de excretie van ureum. Falen ureumcyclus → gevolgen: Hyperammoniëmie is een klassiek kenmerk van ureumcyclusstoornissen (UCD). Bij sommige UCD's zie je ook een stijging van glutamine (buffer voor ammoniak) in bloed én urine. → Vooral bij deficiënties van enzymen zoals ornithine transcarbamylase (OTC). Biochemisch vaststellen van falen ureumcyclus: Ammoniak in bloed ↑ → Vooral bij acute decompensatie: hersenoedeem, encefalopathie. Glutamine ↑ → Als compensatie: ammoniak wordt aan glutamaat gebonden tot glutamine. Citrulline, argininosuccinaat, arginine kunnen ↑ of ↓ zijn → Afhankelijk van welk enzym defect is. Ureum in bloed laag of normaal ondanks ammoniakstijging → Want ureumvorming faalt.
36
12. Creatinine: welke organen bepalen de waarde in het serum?
• Spiermassa en nierklaring • Laag creatinine: verlies spiermassa • Hoog creatinine: nierfalen
37
13. Welke zuurstofbindende eiwitten komen waar voor in het lichaam?
* Hemoglobine in RBC * Myoglobine in rode spiervezels * Cytochromen in mito voor oxidatieve fosforylatie * Catalasen in peroxisomen (O₂-productie/gebruik bij afbraak H₂O₂ (niet opslag/transport))
38
14. Rode en witte spiercellen: globale verhouding van aeroob en anaeroob metabolisme in elk van beide.
• Rood: aeroob (myoglobine), traag maar lang (slow-oxidative fibers) • Wit: anaeroob, snel maar korte periode (fast-glycolytic fibers)
39
15. Opgeslagen energiereserve in het lichaam van vetten en glycogeen: hoe lang kan het lichaam zonder nieuwe aanvoer?
• Glucosevoorraad: 10 minuten • Glycogeenvoorraad: 12 uur • Spiereiwitvoorraad: 1 - 2 weken • Vetvoorraad: 1 - 2 maanden
40
16. De werking van epinefrine, insuline, glucagon in de volgende situaties: ‘flight or fight”, na een week vasten, anabole omstandigheden en katabole omstandigheden.
• Fight or flight: snelle glycogenolyse, neoglucogenese en lipolyse, om lichaam van energie te voorzien o Epinefrine: activatie lever tot productie glucose uit KH/glycogeen o Cortisol: VZ-vrijstelling  energie • Katabole omstandigheden: glucagon  glycogenolyse o Indien langdurig: gluconeogenese (voornamelijk voor hersenen), proteolyse en lipolyse (overmaat aan acetyl-CoA → ketonen) • Anabole omstandigheden: insuline  opname glucose en glycogeensynthese in lever en lipidenopslag in triglyceriden
41
17. Bronnen voor gluconeogenese
• Alanine: uit (glucogene) AZ uit spiereiwitten • Lactaat: uit spieren (Cori-cyclus) • Glycerol: uit triglyceriden lipolyse
42
18. Gevolgen van massale cellyse bij gebruik cytostatica voor spiegels van uraat, pyrimidines en purines
Gevolgen van massale cellyse bij gebruik van cytostatica voor spiegels van uraat, pyrimidines en purines: DNA-afbraak → nucleïnezuren komen vrij (dus ook adenine en guanine uit DNA en RNA) Afbraak van purines (adenine en guanine) → via omzettingen ontstaan urinezuur (uraat) → geen verdere afbraak mogelijk bij mensen → opstapeling van uraat → hyperurikemie → risico op jicht Pyrimidines (cytosine, thymine, uracil) → worden afgebroken tot stoffen die wel verder gemetaboliseerd kunnen worden (zoals β-alanine en CO₂), dus géén jicht ## Footnote Er zijn twee soorten purines: adenine (A) en guanine (G). Er zijn drie soorten pyrimidines: cytosine (C), thymine (T) en uracil (U).
43
1. Voor- en nadelen van het DSM-classificatiesysteem
• Voordelen o Uniformiteit: internationaal, standaardisering diagnoses, vergelijkbaar o Operationaliseren diagnoses: verschillende waarnemers zelfde conclusie o Voor verschillende psychische aandoeningen • Nadelen: medicalisering (disorder), ruwe maatstaf, weinig persoonlijk o DSM-V: praten vervangen door pillen, geen onderscheid misbruik en afhankelijkheid, andere gedragsverslavingen? o Regelmatig aanpassingen, niet perfect
44
2. Indicaties voor doorverwijzing naar AA bij alcoholverslaving
• Wens om te stoppen met drinken • Wens om er iets aan te doen (ziekte-inzicht)
45
3. Soorten verdedigingsmechanismen in de psychodynamische benadering en hun betekenis
• Verdringing • Rationalisatie: om zelfrespect te bewaren en frustraties/angsten te vermijden redenen zoeken om fouten goed te praten • Projectie: negatieve eigenschappen van jezelf aan anderen toeschrijven • Reactieformatie: impuls ontkrachten door overdrijven in tegenovergestelde • Verschuiving: gevoelens gericht op iets onaanvaardbaars naar nieuw doel richten • Sublimatie: onaanvaardbare impuls omzetten in onschadelijke daden (@Taytay) • Ontkenning: omdat iets te pijnlijk is om te aanvaarden • Compensatie: tekortkomingen in een aspect van je leven (on)bewust verbergen door uitstekend te worden in ander aspect
46
4. Inhoud en betekenis van het Big-Five model
• Persoonlijkheid georganiseerd rond 5 basisfactoren (Trekbenadering) o Mildheid o Extraversie o Consciëntieusheid (= zorgvuldigheid) o Openheid o Neuroticisme • Bevestigd en herbevestigd mbv data uit verschillende bronnen (andere landen/culturen) • Gestandaardiseerde tests ontworpen om persoonlijkheidsdimensies te meten volgens B5 • Nadeel: eerder beschrijvend, weinig info over reden van gedragingen
47
5. Welke andere modellen zijn er voor het beschrijven van de persoonlijkheid?
• Psychodynamisch: onbewuste intrapsychische conflicten • Sociaal-cognitief: leerprocessen (reciproque determinisme van Bandura) • Fenomenologisch: manier waarnemen en interpreteren
48
6. Regie van de hersenen bij de stressrespons: betrokken componenten en hun effecten op korte en lange termijn
• Alarmfase: amygdala → stimulatie OS → productie (N)E → stressreactie • Copingsfase: amygdala/hypocampus → HPA-as → productie cortisol → stressrespons volhouden • Herstelfase: cortisol → negatief feedback aan HPA-as → stoppen productie meer cortisol → negatieve feedback aan amygdala/hypocampus → stop stressrespons • Korte termijn: positief, verhoogde glycemie, verhoogde BP en HR ter ondersteuning lichaam • Lange termijn: negatief, onderdrukking immuunsysteem, ziek voelen (depressie, obesitas, T2DM)
49
1. Celcontacten, receptoren en signaaltransductie
• Cel-cel communicatie o Tight junction - Barrière, geen transport - Claudine/occludine - Dynamisch, open bij vraag o Desmosoom - Ritssluiting - Adherine (cel-cel), cadherine (cel-matrix) - Metalloproteïnase: verbreken hemidesmosomen o Gap - Directe cytoplasmatische connecties tussen aanliggende cellen - Connecines o Signaaltransductie: doorgeven signaal naar IC via membraanreceptor en tweede boodschappermolecules IC • Receptoren o Kanaal: binding ligand → open/toe o Receptorenzym: binding ligand → activering IC enzym o G-proteïne gekoppeld: openen ionkanaal/veranderen enzymactiviteit o Integrinereceptor: immuunherkenning, wondheling, bloedstolling cytoskelet en ECM bindingen • Lange afstand o Endocrien: secretie hormonen in bloed → targetcel met receptor o Neurocrien: secretie chemische stoffen door neuronen, vrijgelaten bij targetcel of via bloed • Signaaltransductie o Binding ligand op receptor → IC activatie second messenger → respons
50
2. Definitie van moleculen die reversibel of irreversibel binden aan een receptor
• Reversibel: omkeerbaar, molecule kan bindingsplaats op receptor terug vrijmaken • Irreversibel: onomkeerbaar, molecule voor altijd aan receptor gebonden • Competitieve inhibitor: competitie met ligand door reversibele binding aan actieve site • Irreversibele inhibitor: onomkeerbare binding aan actieve site • Allosterische modulator: binding aan proteïne op andere plaats dan actieve site en verandering activiteit • Covalente modulator: covalente binding aan proteïne
51
3. Actiepotentiaal: alle stappen systematisch uitleggen.
• EC prikkel → boven threshold (-55 mV) → opening voltage gated Na+- en K+-kanalen → depolarisatie celmembraan → K+-efflux → repolatisatie → refractaire periode → rustmembraanpotentiaal (-70 mV IC) o Onevenwicht ionen IC/EC - EC: veel Na+, Cl-, (Ca2+) - IC: veel K+
52
4. Depolarisatie van een membraanpotentiaal van een zenuwcel: welke moleculen stromen in welke richting; wat gebeurt er met de waarde van de rustmembraanpotentiaal?
• Depolarisatie → opening voltage-gated Na+-kanalen → Na+-influx → depolarisatie tot +30 mV
53
5. Repolarisatiefase van de actiepotentiaal: welke moleculen stromen in welke richting over de celmembraan? Betekenis van absoluut refractaire periode voor geleiding
• +30 mV → sluiting Na+-kanalen, opening K+-kanalen → K+-efflux → repolarisatie, iets te lang open << hyperpolarisatie en refractaire periode
54
6. Verschil in O2-binding tussen maternaal en foetaal hemoglobine: consequenties voor pO2 en sO2
• HbF hogere O2-affiniteit: zelfde pO2, meer O2 gebonden aan Hb (sO2 hoger) o Linksverschuiving zuurstofdissociatiecurve
55
7. CO-intoxicatie: moleculaire basis van het levensgevaar voor de patiënt
* Hogere affiniteit hemoglobine (200-250x) → O2-plaatsen bezetten → onvoldoende O2-transport | carboxyhemoglobine
56
8. Prikkelgeleiding: alle stappen systematisch uitleggen. Verschil prikkelgeleiding bij gemyeliniseerde en niet-gemyeliniseerde zenuwcellen.
• Potentiaal boven treshold bereikt triggerzone • Voltage-gated Na+-kanalen openen en Na+-influx in axon • Instroom positieve ladingen in aanliggende secties axon door local current flow • Local current flow van actieve regio → depolarisatie in nieuwe secties membraan • Refractaire periode verhindert achterwaarse conductie o K+-efflux → repolarisatie membraan • Verschil in prikkelgeleiding o Gemyeliniseerd: 120 m/s, knoop van Ranvier (met Na+-kanalen) naar knoop o Niet-gemyeliniseerd: 2 m/s
57
1. Plaats voor incisie bij acute ademwegobstructie
-> cricothyroïdotomie Membrana cricothyroidea tussen cartilago thyroidea en cartilago cricoidea
58
2. Verschil lokalisatie orthosympatische en parasympatische kernen in ruggenmerg
OS o Paraganglionaire uit T1-L2 o Synaps op targetorganen met NE o Fight or flight Paravertrebrale ganglia - naast wervelkolom (vormen truncus sympaticus) Nervi splanchini Prevertebrale ganglia - ganglion coeliacus - ganglion mestenterica superior - ganglion mesenterica inferior PS o Lange preganglionaire uit NIII, VII, IX, X en S2-S4 o Uit craniale en sacrale segmenten o Synaps op targetorganen met ACh o Rest en digest Nervus splanchnicus pelvicus
59
3. Innervatiegebied nervus vagus
• Sensorisch o Meatus aucusticus internus, oorschelp, larynx, laryngofarynx, smaak, epiglottis en farynx, aorta, oesofagus, bronchi, longen, hart, fore- en hindgut • Motorisch o Verhemelte, farynx, larynx, stembanden (n.laryngeus recurrens), diafragma, glad spierweefsel thorax, voor en middendarm, maag voor zuursecretie, bloeddruk
60
4. Herkenning van a.carotis op een angiografie
Zie afbeelding
61
5. Functie sinus piriformis
• Dirigeren voedsel en vloeistoffen naar oesofagus, weg van trachea • Verstopping door harde voedselpartikels/vreemde voorwerpen
62
6. Grenzen van de hartschaduw op een X-thorax van een gezond persoon: waar liggen ze en welke anatomische structuren veroorzaken ze?
• Op PA projectie o Rechtergrens: RA, SVC en IVC o Linkergrens: LV, meer superieur door a.pulm
63
7. Beste auscultatieplek op de thorax voor de hartkleppen
• Aortaklep: 2e IC rechts van sternum • Pulmonaalklep: 2e IC links van sternum • Mitralisklep: 5e IC links van sternum • Tricuspidaalklep: 5e IC links midclaviculai
64
8. Ophoping pleuravocht bij zittende patiënt
• Recessus costodiafragmaticus
65
9. Intramusculaire injectie in de bil: in welk kwadrant het minste risico? Welke risico’s zijn er in andere kwadranten?
• Bovenste buitenste kwadrant (BBQ) • Risico’s o Bovenste binnenste kwadrant: a.glutea superior o Binnenste onderste kwadrant: n.ischiadicus o Buitenste onderste kwadrant: a.circumflexa femoralis lateralis
66
10. Oorzaak dropvoet
• Beknelling/beschadiging n.peroneus (fibularis) communis → geen prikkels naar m.extensor hallucis longis en m.tibialis anterior
67
N. Tibialis
**Spieren** Alle spieren in been posterieur: * bovenbeen: m.semitendinosus, m.semimebranosus, m.biceps femoris (caput breve = n. fibularis communis) * onderbeen * Oppervlakkig ◦ M. Triceps surae ‣ M. Gastrocnemius ‣ M. Soleus ◦ M. Plantaris * Diep ◦ M. Tibialis posterior ◦ M. Flexor hallucis longus ◦ M. Flexor digitorum longus ◦ M. Popliteus Huid - n.suralis: lager posterolateraal gedeelte onderbeen en voet lateraal - n.calcaneus medialis: voet mediaal en voetzool ## Footnote Origin Sciatic nerve (L4-S3) Branches * Leg: Muscular branches, articular branches, the sural nerve, medial calcaneal nerve * Foot: Medial plantar nerve, lateral plantar nerve Supply * Motor: Posterior compartment of the leg, all intrinsic muscles (except extensor digitorum brevis) * Sensory: Skin of the posterolateral leg (the sural nerve), lateral foot and the sole of the foot Bovenbeen * m. semitendinosus * m. semimembranosus * caput longum m. biceps femoris * ❌ caput breve = n. fibularis communis Onderbeen * Oppervlakkig: m. gastrocnemius, soleus, plantaris * Diep: m. tibialis posterior, m. flexor hallucis longus, m. flexor digitorum longus, m. popliteus Huid * n. suralis: posterolateraal onderbeen + laterale voet * n. calcaneus medialis: hiel * nn. plantares: voetzool
68
N. Femoralis
Spieren alle spieren in bovenbeen anterieur: m.iliacus, vastus (inter)medialis/lateralis, rectus femoris, m.pectineus, m. sartorius Huid bovenbeen anterieur, knie anteromediaal, onderbeen mediaal (nervus saphenus), voet mediaal
69
N. Peroneus
Spieren - superficialis: m.fibularis longus, m.fibularis brevis - profundus: m.extensor digitorum brevis en alle spieren in onderbeen anterieur (m.tibialis anterior, m.extensor digiturum en hallucis, m.fibularis tertius/longus/brevis) Huid - ’sural communicating nerve’: onderbeen posterolateraal onder (samen met n.suralis) - ’lateral sural cutaneous nerve’: onderbeen lateraal boven - n.fibularis superficialis: voet en tenen dorsaal - n.fibularis profundus: tussen grote en 2e grootste teen
70
12. Bloedstroom: tocht erythrocyt vanuit de vena saphena parva tot aan het rechter atrium
• v.saphena parva → v.poplitea → v.femoralis → v.iliaca externa → v.iliaca communis → IVC → RA
71
13. Welke structuren gaan door het foramen magnum?
• Hersenstam/ruggenmerg, a.vertebrales, n.accesorius (XI), meninges, a.spinalis anterior en aa.spinales posterior
72
14. Ligging ten opzicht van het peritoneum: maag, sigmoïd, bijnier, galblaas
• Intraperitoneaal: maag, sigmoid, galblaas, pancreas • Retroperitoneaal: bijnier, cauda pancreatis
73
15. Kwetsbaarheid buikorganen bij buiktrauma: milt, lever, maag, pancreas
• Milt: ribfractuur/stomp trauma links posterior • Lever: stomp trauma rechts anterior • Maag: links anterior • Pancreas: kwetsbaar?
74
16. Lokalisatie volgende structuren: de hoek van Treitz, het cavum Douglasi
• Hoek van Treitz: overgang van duodenum naar jejunum • Cavum Douglasi → abces-ruimte - excavatio rectouterina - excavatio rectovesicale (man)
75
17. Doorbloedingsgebieden van a.mesenterica superior, a.mesenterica inferior, truncus coeliacus?
• Truncus coeliacus: foregut • SMA: midgut • IMA: hindgut
76
18. Oorzaak heesheid na schildklieroperatie
• Beschadiging n.laryngeus recurrens Links aorta Recht subclavia
77
19. Lymfedrainage-gebieden van tumoren aan de laterale zijde van de borst
• Lymfeklieren axilla
78
20. Anatomische oorzaken icterus → directe hyperbilirubinemie
• Tumor pancreaskop, ductus choledocusobstructie, galsteen
79
21. Nerveuze oorzaak fecale incontinentie
• Verlamming n.pudendus, beschadiging plexus m.levator ani
80
22. Plaats van McBurney op de buikhuid
• 2/3 van navel naar spina iliaca anterior superior
81
23. Drainagegebied van een lymfeklier in hals, oksel en lies
• Hals: hoofd en halsgebied • Oksel: axillaire, lateraal en superior deel van borst en armen • Lies: penis, scrotum, fundus uterus (mogelijk), clitoris, anterolaterale abdominale wand onder navel
82
24. Relatie schildklier, halsbloedvaten, halsspieren, trachea en n.recurrens
• n.laryngeus recurrens loopt in de tracheo-oesophageale groeve thv thyroid (bilateraal) Halsspieren → Schildklier → Trachea Halsbloedvaten meer lateraal achter m. sternocleidomastoideus (buiten jugularis externa)
83
25. Begrippen: costodiafragmatische sinus , carina
• Sinus/recessus costodiafragmaticus: ruimte aan inferieure, laterale kant pleuraholte • Carina: punt waar de trachea splitst in linker en rechter hoofdbronchus
84
26. Bezenuwing diafragma
• n.phrenicus (plexus cervicale C3-5)
85
27. Begrippen: hoek van Treitz, laatste ileale lis, hoek van Hiss, cavum Douglasi, maagfundus, pylorus, caecum, klep van Bauhin, McBurney punt
• Hoek van Treitz: overgang van duodenum naar jejunum • Laatste ileale lis: verbinding ileum-colon • Hoek van Hiss: hoek tussen oesofagus en bovenzijde maag • Cavum Douglasi: ruimte tussen uterus en rectum (vrouw), diepste punt in buikholte • Maagfundus: dak van de maag, bevat lucht (Rx) • Pylorus: kringspier aan einde maag en begin duodenum • Caecum: blinde darm, overgang tussen ileum en colon • Klep van Bauhin: ileocaecale klep • McBurney punt: punt waar zich de appendix bevindt
86
28. Vascularisatie colon
• Colon ascendens: SMA • Colon transversum: SMA + laatste deeltje door IMA • Colon descendens: IMA
87
29. Portale circulatie
* v. mesenterica superior → v. porta * v. lienalis → v. porta (samen met VMS) * v. mesenterica inferior → v. lienalis * v. gastrica sinistra → v. porta * v. gastroepiploica sinistra → v. lienalis * v. gastrica dextra → v. porta * v. gastroepiploica dextra → v. mesenterica superior ## Footnote Superior mesenteric + splenic -> portal vein -> enters the liver -> divides into portal venules -> venules empty into hepatic sinusoids -> sinusoids drain into central veins -> central veins drain into hepatic veins -> hepatic veins drain into inferior vena cava Enkel vena rectalis superior naar vena mesenterica inferior v. rectalis media en inferior → vena iliaca → VC
88
30. Begrippen tenniselleboog, dropvoet, carpal tunnel
• Tenniselleboog: tendinitis aan laterale zijde elleboog → pezen extensoren voorarm • Golferselleboog: tendinitis aan mediale zijde elleboog → pezen flexoren voorarm • Dropvoet: dorsiflexie voet niet meer mogelijk, meestal door schade aan n.peroneus communis (ook door schade aan n.ischiadicus, want n.peroneus communis aftakking) • Carpale tunnel syndroom: n.medianus gekneld in de carpale tunnel → geen/tintelend gevoel in duim, wijs- en middelvinger (Phalen test, Tinel test)
89
N. Radialis
- alle extensoren: - bovenarm - m. triceps Onderarm Oppervlakkige - m. extensor carpi radialis longus/brevis - m.extensor digitorum - m.brachioradialis - m. extensor carpi ulnaris - m.anconeus Diepe - m.supinator - m.abductor pollicis longus - m.extensor pollicis brevis/longus Huid Thenar, wijs- en middelvinger
90
N. Medianus
- spieren voorarm anterior: m.palmaris longus, m.flexor carpi radialis, m.pronator teres, flexoren, m.pronator (bhv m.flexor carpi ulnaris en mediale helft m.flexor digitorum profundus) Huid - 3 spieren thenaren 2 laterale lumbricale spieren - palmair: duim, wijs- ,midden- en helft ringvinger - dorsaal: vingertippen ## Footnote Origin Plexus brachialis (C5-T1) Branches Rami musculares, nervus interosseus anterior, rami articulares, nervus cutaneus palmaris, nervi digitales palmares communes, ramus reccurens Motor supply - Musculi flexores in the antebrachium (except musculus flexor carpi ulnaris and caput ulnare flexoris superficialis digitorum). - Muscles of the eminentia thenaris - Two lateral musculi lumbricales Sensory supply The skin of the: - Palmar and distal dorsal aspects of the lateral three-and-the-half digits and adjacent palma - Palmar and distal dorsal aspects of the pollex and radial half of 2nd phalanges manus - Palmar and distal dorsal aspects of the adjacent sides of 2nd–4th phalanges - Central palma n. medianus: Motorisch: Alle ventrale onderarmspieren behalve m. flexor carpi ulnaris en mediale helft m. flexor digitorum profundus Thenarspieren (3) (uitzondering adductor pollicis door diepe tak ulinaris) en 2 laterale lumbricalen Sensorisch: Palmair: duim, wijsvinger, middelvinger en laterale helft ringvinger + palm Dorsaal: distale vingertoppen van dezelfde vingers
91
N. Ulnaris
- alle intrinsieke spieren hand (bhv thenar en 2 mediale lumbricale spieren), m.flexor carpi ulnaris en mediale helft m.flexor digitorum profundus Huid mediale kant handpalm en handrug: pink en helft ringvinger | Uit C8-T1 ## Footnote Origin Brachial plexus (C8-T1) Branches Muscular branches, articular branches, palmar cutaneous branch, dorsal cutaneous branch, superficial branch, deep branch Supply Motor: - Flexor carpi ulnaris and medial half of flexor digitorum profundus - Most of the intrinsic hand muscles Sensory: - Anterior aspect of the ulnar 1½ fingers (little finger and half of the ring finger) and medial palmar skin - Dorsal aspect of the ulnar 1½ fingers and medial aspect of dorsum of hand Mnemonic Ulnar nerve supplies all intrinsic muscles of the hand except the LOAF muscles. (standing for: Lateral two lumbricals, Opponens pollicis, Abductor pollicis brevis, Flexor pollicis brevis)
92
32. Lieskanaal (‘tunnel’ doorheen buikwand)
• Diepe liesring: ingang, opening in fascia MOAE • Oppervlakkige liesring: uitgang, opening in fascia transversalis, lateraal van a. en v.epigastrica inferior • Dak: vezels van MOAI en MTA • Bodem: ligamentum inguinale • Achterwand: fascia transversalis, mediaal versterkt door falx inguinalis (conjoint tendon) • Voorwand: fascia MOAE • Inhoud: n.ilioinguinalis en ductus spermaticus/lig.rotundum
93
33. Diepe veneuze circulatie onderste lidmaat (diep veneuze trombose) en anatomische relatie met longembolen
• vv.tibialis anterior en posterior → v.poplitea → v.femoralis → v.iliaca externa → v.iliaca communis → IVC → RA → RV → truncus pulmonalis → aa.pulmonalis dextra en sinistra
94
34. Femorale driehoek
• Driehoek van Scarpa/trigonum femorale mediale o m.sartorius o m.adductor longus o lig.inguinale
95
35. Anatomie van de longen en bloedvoorziening
• Rechterlong: 3 lobben • Linker long: 2 lobben • Bloedvoorziening: RA → RV → a.pulmonalis → truncus pulmonalis → a.pulmonalis dextra/sinistra met O2-arm bloed naar longen → O2-uitwisseling in alveoli → 4 vv.pulmonales met O2-rijk bloed naar LA Rechts: schuin verloop, L vene, art, bronchi R Links: L boven art, bronchi, vene onder
96
Middelste mediastinum
o Pericardium - Fibreuze pericard: stug BW, grenzen middelste mediastinum - Sereuze pericard • Pariëtale laag: aflijning binnenste oppervlakte fibreuze pericard • Viscerale laag : epicardium, omringt het hart o Hart o Oorsprong van de grote bloedvaten o Verschillende zenuwen o Kleinere bloedvaten
97
Superior mediastinum
posterieur van manubrium sterni, anterieur van eerste 4 thoracale wervellichamen o Grenzen - Superieur: vlak van jugular notch tot bovenste grens T1 - Inferieur: transversaal vlak angulus Ludovici tot intervertebrale discus tussen T4 en T5 - Lateraal: pariëtale pleura o Structuren - Thymus - vv.brachiocephalica dextra/sinistra - v.intercostalis superior sinistra - SVC - Aortaboog en 3 grote aftakkingen - Trachea - Oesophagus - n.phrenicus - n.vagus - n.laryngeus recurrens - Ductus thoracicus - Andere kleine zenuwen, bloedvaten en lymfevaten
98
Posterior mediastinum
= posterieur van pericard en diafragma en anterieur van /lagere thoracale wervels o Grenzen - Superieur: transversaal vlak angulus Ludovici tot de intervertebrale discus tussen T4 en T5 - Inferieur: diafragma - Lateraal: begrensd door mediastinale deel pleura o Structuren - Oesofagus en zenuwplexus - Aorta thoracica en aftakkingen - vv.azygos - Ductus thoracicus en LN - Truncus sympathicus - nn.splanchnici thoracic
99
Anterior mediastinum
= posterieur van het sternum en anterieur van het pericardium o Structuren - Deel thymus - Vet, BW, lymfeklieren, mediastinale takken vv.thoracicae internae - Sternopericardiale ligamenten
100
37. Foetale circulatie
Art. Umbilicalis → placenta → V umbilicalis → ductus venosus + V iliaca → VCI + VCS → RA → RV → A pulmonalis → long → V pulmonalis → LA → LV → aorta → ductus arteriosus → aorta → Foramen ovale → LA → LV → aorta Aorta → A umbilicalis
101
38. Bloedstroom: geef aan welke aders een erythrocyt doorloopt vanuit het rectum tot aan het rechter atrium.
Vena rectalis inferior + medialis → V iliaca interna → VCI → RA Vena rectalis superior → vena mesenterica inferior + vena lienalis -> vena mesenterica superior → vena porta → vena hepaticae → VCI → RA
102
39. Anatomie van het hart met de bloedvoorziening
Oefenen online Aorta | +-- Linker Coronair Arterie (LCA) | | | +-- Ramus Interventricularis Anterior (LAD) | | | | | +-- Diagonale Takken | | +-- Septale Takken | | | +-- Ramus Circumflexus (RCX) | | | +-- Laterale Takken | +-- Posterieure Takken | +-- Rechter Coronair Arterie (RCA) | +-- Ramus Marginalis Dexter (RMD) | +-- Ramus Interventricularis Posterior (PDA) Venae Cordis | +-- Sinus Coronarius | +-- Vena Cardiaca Magna +-- Vena Cardiaca Media +-- Vena Cardiaca Parva
103
Lever anatomie & bloedvoorziening
* Scheiding linker / rechter leverlob * ≠ Linker / rechterlever ◦ Functionele onderverdeling v. porta links en rechts ◦ 8 segmenten: ‣ Linker lever * Segm 1: lobus caudatus * Segm 2 & 3: linker leverlob * Segm 4: lobus quadratus (A4/4B) ‣ Rechter lever * Segm 5&8: anterieur * Segm 6&7: posterieur Ligamentum terres = embryonale rest van v umbilicalis Ligamentum falciforme = peritoneale reflectieplooi ligamentum hepatoduodenale -> lopen arteria hepatica, vena porta, ductus hepaticus * Arteriën ◦ Truncus coelicus ‣ (- A Gastrica sinistra, - A lienalis) ◦ A Hepatica communis ‣ (- A Gastroduodenalis) ◦ Arteria hepatica propria ◦ A Hepatica dextra ‣ A Cystica ‣ A Hepatica sinistra * Venae ◦ Midgut: v. mesenterica superior ◦ Hindgut: v. mesenterica inferior ◦ Milt: v. lienalis ◦ Vormen samen vena porta ‣ = “poortader” ◦ Foregut: rechtstreeks in vena porta ◦ portaal bloed door de lever ◦ drie venae (sus)hepaticae in v. cava inferior
104
Galblaas anatomie & bloedvoorziening
◦ Fundus ◦ Corpus ◦ Nek • gal via ductus cysticus in ductus choledochus • Arteria cystica : uit rechter arteria hepatica • Functie: ◦ ontvangt gal uit lever ◦ concentreert gal en bewaart ze tijdelijk ◦ afscheiding in duodenum (bij eten)
105
Pancreas anatomie & bloedvoorziening
• caput pancreatis ◦ gelegen in C-bocht van duodenum • processus uncinatus ◦ uitstulping van caput achter AMS &VMS • collum pancreatis ◦ anterieur van ◦ AMS & VMS ◦ Samenloop VMS & V Lienalis • corpus pancreatis • cauda pancreatis ◦ tot tegen milthilus • Ductus Pancreaticus ◦ = Ductus van Wirsung ◦ Van cauda tot caput ◦ in ampulla van Vater • Ductus Accessorius • Hierrond: sfincter van Oddi ◦ uitmonding in duodenum van ‣ ductus van Wirsung ‣ ductus choledochus Bloedvoorziening ◦ Vanuit Truncus Coeliacus ‣ A Lienalis ‣ Pancreatische zijtakken ◦ Vanuit Truncus Coeliacus ‣ A Hepatica communis ‣ A Gastroduodenalis ‣ A Pancreaticoduodenalis superior ◦ Vanuit A Mesenterica superior ‣ A Pancreaticoduodenalis inferior ◦ -> Arcade in rand pancreaskop - duodenum
106
(Bij)nieren anatomie & bloedvoorziening
Bloedvoorziening ◦ A Renalis sinistra iets hoger ◦ A Renalis dextra ◦ V Renalis dextra: erg kort V renalis sinistra krijgt nog extra bloed van v testicularis Bijnieren * Rechter bijnier ◦ Pyramide-vormig ◦ Tegen ‣ Nier bovenpool ‣ Diafragma ‣ Rechterleverlob ‣ Vena cava inferior * Linker bijnier ◦ Halfmaan-vormig ◦ Tegen ‣ Nier bovenpool ‣ Diafragma ‣ Maag ‣ Pancreas * Talrijke arteriële takken uit 3 gebieden ◦ A Phrenica inferior ◦ Aorta abdominalis ◦ A Renalis * Eén vena surrenalis per bijnier ◦ Rechts: kort, in vena cava inferior ◦ Links: in vena renalis sinistra ## Footnote Vena L: arteria mesenterica superior loopt over linker vena renalis (en loopt voor aorta arteria renalis splitising lateraal net onder arteria mesenterica superior R arterie achter VCI
107
Anatomie colon
• Caecum • Colon ascendens • Colon transversum • Colon descendens • Colon sigmoideum Rectum
108
Dunne darm anatomie & bloedvoorziening
Duodenum * Vanuit Truncus Coeliacus ◦ A Hepatica communis ◦ A Gastroduodenalis ◦ A Pancreaticoduodenalis superior * Vanuit A Mesenterica superior ◦ A Pancreaticoduodenalis inferior ◦ Arcade in rand pancreaskop-duodenum * Jejunum ◦ Proximale 2/5 dunne darm ◦ langere vasa recta dan ileum * Ileum ◦ Distale 3/5 dunne darm ◦ * Ileocaecale klep ◦ Klep van Bauhin ◦ ileum overgang colon/caecum * Appendix vermiformis ## Footnote Duodenum - Arterial supply: superior anterior and posterior pancreaticoduodenal arteries (branches of gastroduodenal artery), anterior and posterior inferior pancreaticoduodenal arteries (branches of superior mesenteric artery) - Venous drainage: duodenal veins -> pancreaticoduodenal vein -> superior mesenteric vein ->portal vein - Innervation: Greater splanchnic nerves via celiac plexus (sympathetic), vagus nerve (CN X) via anterior and posterior vagal trunks (parasympathetic) Jejunum and ileum - Arterial supply: arterial arcades of superior mesenteric artery - Venous drainage: venous arcades -> superior mesenteric vein -> portal vein - Innervation: Lesser splanchnic nerves (T9-T10) via celiac and superior mesenteric plexus (sympathetic), vagus nerve (CN X) augments peristaltic activity of enteric nervous system (parasympathetic)
109
Maag anatomie & bloedvoorziening
Anatomie • • Cardia: overgang slokdarm naar maag • • hoek van His: hoek tussen slokdarm en fundus • • Fundus • • Corpus: het grootste deel van de maag • • Pars pylorica: • ◦ Antrum • ◦ Pylorus • • Curvatura minor: binnenbocht • • Curvatura major: buitenbocht Bloedvoorziening • • Truncus coeliacus, 3 takken: • ◦ A. gastrica sinistra • ‣ naar linkerzijde van curvatura minor • ◦ A. lienalis • ‣ miltarterie • ‣ distale zijtak naar linkerzijde curvatura major • • = A. gastroepiploica sinistra • ◦ A. hepatica communis • ‣ 2 zijtakken • • A. gastrica dextra: • ◦ rechterzijde curvatura minor • • A. gastroduodenalis • ◦ achter duodenum, rechterzijde curvatura major • ‣ = A. gastroepiploica dextra
110
1. Rx-thorax: organen en grenzen hartschaduw
Zie foto’s
111
2. CT-scan bovenbuik: aanduiden organen
Zie foto’s
112
3. CT-scan buik: aanduiden vaten en ducti
Zie foto’s
113
4. Rx-pols: aanduiden handwortelbeentjes
Zie foto’s
114
5. Rx-wervelkolom: aanduiden foramina
Zie foto’s
115
Celmembraan
• Celmembraan o Dubbele laag fosfolipiden o Functie - Aanhechting van cytoskelet - Aanhechting aan extracellulaire matrix - Transport van stoffen • Actief • Passief • Endo-/exocytose
116
Nucleus
o Dubbel membraan (twee bifosfolipidelagen met perinucleaire ruimte ertussen): nucleaire enveloppe en kernporiën o Functie - Genetisch materiaal - Systeem RNA-synthese
117
Nucleolus
o Geen membraan o Functie - Productie ribosoom-subeenheden (hoge RNA-gehalte → basofiele eigenschappen) - DNA met ribosomale genen in midden in nucleolus organizer regions (NOR) - Omvorming RNA-precursors tot rijpe rRNA
118
Golgi-apparaat
o Membraan aanwezig o Plaats: cytosol o Functie - Modificatie macromoleculen: oligosachariden door toevoeging van suikers - Proteolyse van peptiden in actieve vorm - Functie bij sorteren producten voor verschillende bestemmingen • Hydrolytische enzymen voor lysosomen • Membraaneiwitten voor celmembraan • Secretiemateriaal voor EC milieu • Specifieke eiwitten voor organellen
119
Mitochondriën
o Dubbel membraan o Plaats: cytosol o Functie - Productie energie (95%) • Verbruik O2, aanmaak CO2 o Vetzuurmetabolisme en vetsynthese o Citroenzuurcyclus o Oxidatie pyruvaat o Oxidatieve fosforylatie • Katabolisme en anabolisme - Deels instaan voor eigen onderhoud, groei en vermenigvuldiging
120
Lysosomen
o Membraan o Plaats: cytosol o Functie - Afbraak vreemd materiaal door lysosomale enzymen (voeding en afweer) - Autofagie: afbraak beschadigde celcomponenten/celstructuren
121
Perixosomen
o Membraan o Plaats: cytosol o Functie - Afbraak VZ - Afbraak ROS
122
Ribosomen
o Geen membraan o Plaats: vrij in cytosol of gebonden aan ER (rER) o Functie: translatie
123
RER
o Membraan o Plaats: continu met nucleaire enveloppe o Functie - Biosynthese • Transmembraanproteïnen en lipiden ER, Golgi-complex, synthese plasmamembraan en lysosomen in associatie met ER-membraan - Aanmaak van mitochondriale en peroxisomale membranen - Startpunt van synthese van gesecreteerde proteïnen - Plaats waar extracellulaire matrix in beginsel wordt aangemaakt
124
SER
o Plaats: niet perse continu met nucleaire enveloppe o Functie - Productie van steroïden - Productie van lipiden - Detoxificatie van de cel
125
Centrosoom
o Geen membraan o Plaats: cytosol o Bestaat uit 2 centriolen o Functie: spoellichaampje bij meiose en mitose
126
2. Rol van microfilamenten, microtubuli, intermediaire filamenten en cytoplasmamembraan.
• Microfilamenten: deel cytoskelet, actine, cellulaire bewegingen en spanning in de cel • Microtubuli: tubuline, opbouw cel en transport, celdeling (spoelfiguur) o In centriolen, cilia, flagellen • Intermediair: stevigheid cel, in desmosomen • Membraan: cel-cel/cel-matrix contacten, fosfolipiden en cholesterol, selectieve barrière
127
3. Soorten epitheel obv hun lokalisatie
• Huid: meerlagig verhoornd plaveiselepitheel • Keelholte o Verbinding met slokdarm: onverhoornd meerlagig plaveiselepitheel o Verbinding met trachea: trilhaarepitheel met slijmbekercellen • Bronchuswand: meerrijig (pseudomeerlagig) trilhaarepitheel met slijmbekercellen • Slokdarm: onverhoornd meerlagig plaveiselepitheel • Maag: eenlagig cilindrisch epitheel met slijmnapcellen • Dunne darm: eenlagig cilindrisch epitheel met microvilli • Ureter: meerlagig overgangsepitheel (paraplucellen) • Blaas: meerlagig overgangsepitheel (paraplucellen) • Urethra: overgangs-, pseudomeerlagig cilindrisch en meerlagig plaveiselepitheel o Man - Pars prostatica: urotheel - Pars membranacea: (pseudo)meerlagig cilindrisch epitheel (urotheel zonder paraplucellen) - Pars spongiosa: (pseudo)meerlagig cilindrisch epitheel • Fossa navicularis: onverhoornd plaveiselepitheel o Vrouw - Proximale 2/3: urotheel - Distale 1/3: (pseudo)meerlagig cilindrisch/plaveiselepitheel
128
4. Bloedcellen: soorten, hoeveelheden en functie
• RBC o Vrouwen: 4,8 x 1012/l o Mannen: 5,4 x 10^12/l o O2- en CO2-transport • Trombocyt: 140 - 440 x 109/ l o Hemostase • WBC: 4 x 109/l o Granulocyten  Neutrofiel: fagocyteren bacterien en schimmels  Eosinofiel: vernietigen parasieten  Basofiel: histamine/ontstekingsreactie o Agranulocyten  Macrofaag: fagocytose  T-lymfocyt (meest voorkomende lymfocyt): specifieke cellulaire afweer  B-lymfocyt: specifieke humorale afweer  NK-cellen: niet-specifieke afweer, celdoding en uitscheiding cytokinen
129
5. Rol van Schwanncel
• Myelinisatie van axonen in perifeer NS (oligodendrocyten in CNS)
130
6. De vier basisweefsels: onderlinge verschillen
• BW o BW strictu sensu o Botweefsel o Kraakbeenweefsel • Epitheel o Bedekkend epitheel o Klierepitheel • Spierweefsel • Zenuwweefsel
131
7. Productie grondsubstantie in bindweefsel gebeurd door welke cel
• Fibroblast
132
8. Definities van endocrien, exocrien, autocrien en paracrien
• Endocrien: productie hormonen, opgenomen in bloed/weefselvloeistof • Exocrien: uitscheiding, tegenovergestelde van endocrien, productie naar lumen/externe milieu (zweet, lipase, trypsine, chypotrypsine, maagzuur) • Autocrien: productie van cel werkt in op cel zelf • Paracrien: ene cel produceert iets (neurotrofine) voor naburige cel
133
9. Functie basale membraan
• Ondersteuning, selectieve barrière, verankering, filtratie bloed thv nier, genezing wonden
134
10. Rol cholesterol in de celmembraan
• Meer stijfheid membraan • Effect op permeabiliteit kleine moleculen • Herkenning Stabilisatie van het celmembraan
135
11. Grote fasen van de celcyclus
• Interfase o G1 tussen M en S: controle milieu o S-fase: synthese, DNA-duplicatie o G2 tussen S en M: controle DNA-duplicatie en voorbereiding M-fase • Mitose (M-fase): splitsing o Karyokinese - Profase - Prometafase - Metafase - Anafase - Telofase o Cytokinese • G0: rustfase, cel deelt niet
136
12. Verschillen tussen necrose, hydropische zwelling, pyknose en apoptose
• Apoptose: gecontroleerde celdood o Geen ontstekingsreactie o Bijna altijd fysiologisch • Necrose: ongecontroleerde celdood o Ontstekingsreactie o Pathologisch • Hydropische zwelling: IC oedeem van keratinocyten (vaak bij virale infecties) • Pyknose: irreversibele condensatie van chromatine in nucleus tgv apoptose/necrose, gevolgd door karyorrhexis/nucleusfragmentatie
137
13. Myelineproductie in het centraal zenuwstelsel
• Interfasciculaire oligodendrocyten: omgeven axonen van neuronen en uitlopers, myelinisatie, meerdere cellen per dendrocyt mogelijk
138
14. Neuronaal transport
• Lange axon geheel afhankelijk van aanvoer van eiwitten vanuit het perikaryon o Axonale stroming: aanvoer van eiwitten naar periferie, enkele mm/dag o Axonaal transport: vesikels, 20 - 400 mm/dag o Retrograad transport: vervoer membraanfragmenten en vesikels naar perikaryon (hergebruik of lysosomaal afgebroken)
139
15. Werking van een synaps
• Synaps: spleet tussen uiteinde axon van een presynaptische neuron en soma/begin dendriet van een postsynaptische neuron • AP van presynaptische neuron bereikt uiteinde axon → opening voltage-gated Ca2+-kanalen → Ca2+-influx → exocytose NT (opgeslagen in vacuolen dichtbij synaps) → diffusie over synaptische spleet • Receptoren op postsynaptische neuron binden met NT → IC signaal (IPSP of EPSP)
140
16. T-cel receptor
• Op oppervlakte T-lymfocyten, herkenning Ag-gebonden aan MHC-moleculen • Binding Ag met TCR (lage affiniteit) → activatie T-lymfocyt door signaaltransductie • α- en β-keten
141
1. Bloedbeeld: normale grenswaarden van Hb, HCT, leukocyten, trombocyten
• Hb o Man: 13,0 - 17,0 g/dl o Vrouw: 12,0 - 15,0 g/dl • HCT o Vrouw: 37 - 46% o Man: 40 - 50% • WBC: 4,3 - 10,0 x 109/l o Neutrofielen: 40 - 75% o Eosinofielen: 1 - 6% o Basofielen: 0 - 1% o Lymfocyten: 20 - 45% o Monocyten: 2 - 10% • TRC: 140 - 440 x 109/l Infectie o Bacterieel: stijging en linksverschuiving neutrofielen, stijging monocyten en lymfocyten, stijging CRP en stijging TRC o Viraal: neutropenie, stijging lymfocyten (bhv bij HIV) en stijging monocyten
142
2. Stolling: betekenis van stollingstesten; bloedingstijd, APTT, PT en D-dimeren-bepaling
• Betekenis: afwijking primaire hemostase of plasmastolling • Bloedingstijd o Incisie/prikwondje o Normaal < 9 minuten (Ivy) o Controle bloeddruk o Extrinsieke en intrinsieke weg • APTT o Intrinsieke weg via endotheelactivatie o Geactiveerde partiële tromboplastinetijd o Factoren XII, XI, VIII o Verlengd bij deficiënties intrinsieke/gemeenschappelijke weg • PT / INR o Extrinsieke weg via tissue factor activatie o Factor X, VII, V o Verlengd bij deficiëntie extrinsieke/gemeenschappelijke weg • D-Dimeren: afbraakproduct fibrine
143
3. Hemofilie A en ziekte van von Willebrand: symptomen en overervingspatroon
• Hemofilie A o X-gebonden recessief (man) o Deficiëntie factor VIII o Acute hemartrose, spierbloedingen en hematurie o Verlengde bloedingstijd, normale VWF • Von Willebrand o Autosomaal dominant - Type I: te weinig VWF - Type II: structureel afwijkend VWF - Bloedingen in huid en mucosa o Autosomaal recessief - Type III: geen VWF - Spier- en gewrichtsbloedingen o Deficiëntie VWF → geen/moeilijke binding TRC aan collageen (complex met VIII)
144
4. Bloedgroepen: ABO- en Rhesus-systeem, frequenties, antilichamen
• ABO o A en B - Vroeg aanwezig in embryonale ontwikkeling, niet maximaal ontwikkeld in neonaat - Histo-bloedgroep-Ag: niet enkel op RBC, maar ook op cellen andere weefsels - Immunogeen: stimulatie productie Ig o O-allel codeert niet voor enzym o Ig’s en Ag’s - A: A-Ag, anti-B-Ig - B: B-Ag, anti-A-Ig - AB: A-Ag, B-Ag - O: anti-A-Ig en anti-B-Ig o Frequenties: O: 46,6 %, A: 41,2 %, B: 8,6%, AB: 3,5 % • Rhesus o D-Ag: aanwezig (+) / afwezig (-) - Meest immunogeen o Ig - Normaal geen Ig - Allo-immunisatie door contact RBC met Rhesus-Ag die men zelf niet heeft (- door +) • Transfusie/zwangerschap
145
5. Bloedtransfusies: interpretatie uitslagen kruisproeven; voorzorgen ten aanzien van HBV, HCV en HIV infecties; universele donoren en acceptoren
• Erythrocyten o obv Ag • Trombocyten • Plasma o obv Ig • Testen op bloed donor o ABO- en Rh-D-bloedgroeptypering o Bloedgroep-Ag/-Ig o Overdraagbare infectieuze ziekten: HBsAg, HBcAg, HCV, HIV-1, HIV-2, nucleïnezuuramplificatie • Testen op bloed ontvanger o ABO- en Rh-D-bloedgroeptypering o Bloedgroep-Ig • Kruisproef o Incubatie plasma recipiënt met potentiële donor RBC o Dmv agglutinatiereacties (Bloed donor met bloed pt)
146
Hypochrome microcytaire anemie
TICS; MCV <80 • Hypochrome microcytaire anemie o Gedaald serumijzer: gestoord ijzermetabolisme Ijzerdeficiëntie • Kenmerken o TIBC: hoog o Ferritine: laag o BM-ijzerreserve: laag • Oorzaken o Bloedverlies o Gebrekkig dieet o Malabsorptie Ijzerre-utilisatiestoornissen (chronische ziekte) • Kenmerken o TIBC: laag o Ferritine: hoog o BM-ijzerreserves: hoog • Oorzaken o Infecties o Chronische inflammatie o Neoplasie o Normaal (of verhoogd) serumijzer: gestoorde globinesynthese Thalassemie • Hb-elektroforese en bepaling HbF en HbA2 o Verhoogd serumijzer: gestoorde porfyrine- en heemsynthese Sideroblastische anemie • Kenmerken o TIBC: normaal o Ferritine: verhoogd o BM: ringsideroblasten • Voorkomen o Congenitaal o Verworven
147
Normochycorme normocytaire anemie
o Verhoogde reticulocytose → hemolytische anemie of bloeding - Actieve compensatie anemie door BM - Oorzaken • Bloeding • Hemolyse: verlaagd haptoglobine Hemolytische anemie o Erfelijk - membranopathie (vb hereditaire sferocytose) - enzymopathie (vb G6PD deficiëntie) - hemoglobinopathie (vb sikkelcelanemie) ° Verworven - Immuun-gemedieerd - fragmentatie - infecties/toxines o Laag/normaal reticulocytenaantal - nierinsufficiëntie → - aanmaak beenmerg - beginnend ijzertekort of anemie chronische ziekten - beenmergaplasie - invasie beenmerg door pathologische cellen (myeloftyse)
148
Macrocytaire anemie
MCV > 100 MegaFAT RBC o **Mega**loblastisch BM: grote voorlopers rode reeks, onrijpe kernstructuur - Vit B12-deficiëntie (N2O → functionele deficiëntie) - Folaatdeficiëntie - Stoornissen Vit B12- en folaatmetabolisme - Defecten DNA-synthese o Normoblastisch BM • **F**oetus / zwangerschap • **A**lcoholisme • **T**hyroidstoornissen • verhoogde **R**eticulocytose • Bloeding • Hemolyse • **B**eenmergziekten (vb myelodysplatische syndromen) • **C**irrose / Leverziekten
149
7. Ijzermetabolisme: absorptie, transport, functie, diagnostiek ijzerstatus
• Ijzerabsorptie, transport en verlies o Lichaam: gelimiteerd vermogen ijzerabsorptie (in duodenum, jejunum brush border) - Heem: in myoglobine en hemoglobine • Protoporfyrinesynthese - Niet-heemijzer: opname in bepaalde mate, kan oplosbare complexen vormen - Ferritine en transferritine: aanwezig in intestinale mucosale cellen • Absorptie - Toename absorptie • Ijzerdeficiëntie • Zwangerschap • Toegenomen erytropoëse • Primaire hemochromatose - Verminderde absorptie • Ijzerovermaat • Afgenomen erytropoëse • Infectie • (doelmatig) ijzerverlies: bloedverlies o Menses • Diagnostiek ijzerstatus o Klinisch onderzoek: koilonychie, mondkloven, glossitis o Fe zit in heem, macrofagen van RES, leverparenchymcellen en vrij - Vrij: op transferrine, normaal voor 50% gevuld = serumijzer (SI) - TIBC = maximale binding op transferrine - IBC = TIBC - serumijzer (~ reserve) o 2 ml bloed bevat ongeveer 1 mg ijzer
150
8. Beschrijf het pathofysiologisch aangrijpingspunt van: ferrofumaraat, folaat, vitamine B12
• Ferrofumaraat: vorm van ijzer met makkelijke absorptie → ijzertabletten • Folaat: bonen, noten o Daling: malnutritie, malabsorptie, gestegen noden o Stoornis metabolisme door inhibitoren dihydrofolaatreductase → Daling serumfolaat → daling RBC folaat → megaloblastische anemie • Vit B12: absorptie in terminale ileum via complex met IF uit maag o Deficiëntie: malnutritie, malabsorptie (IF/ileum), gebrekkig plasmatransport o Perniceuze anemie: anemie door verminderde IF-secretie → megaloblastische anemie o Neurologische symptomen: Wernicke/Korsakoff
151
12. Lever kan energie halen uit a. Glucose en ketolichamen b. Glucose en eiwitten c. Eiwitten en vetten d. Glucose en vetzuren
Glucose en vetzuren
152
Zijn er meer B of T lymfocyten in het perifere bloed?
T
153
Vanaf welk aantal neutrofielen kans op ernstige infectie?
0,5 miljard
154
Waar bevindt zich het grootste deel van het ijzer in het lichaam?
RBC - hemoglobine