BW Flashcards

20/dag (158 cards)

1
Q

Maatschappelijke zelfsturing

A

Groeperingen gaan zonder tussenkomst van de overheid waarden uitdragen, problemen oplossen of kansen benutten, veelal door het gezamenlijk opstellen en/ of uitvoeren en/ of handhaven van regels of afspraken (indoen nodig binnen een wettelijk kader)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Collectieve goederen

A

Goederen die, eenmaal geproduceerd, door iedereen kunnen gebruikt worden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Merit goods

A
  • De markt produceert deze goederen: de prijs is hoog en het aanbod is geconcentreerd in steden
  • De overheid wil ze voor een breder publiek toegankelijk maken
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Demerit goods

A
  • De markt produceert een breed aanbod tegen goede prijzen
  • De overheid vindt de consumptie maatschappelijk schadelijk of onwenselijk
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Mattheüseffect

A
  • De meest behoeftigden kunnen minder van bepaalde zaken profiteren
  • De rijken worden rijker en de armen armer
    –> vragen aan rest voor betere def
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Beleidswetenschap

A

Alle vormen van wetenschappelijke bezinning op kennis in en van beleid en processen rondom beleid in politiek en openbare dienst.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Beleidsanalyse

A

Een multidisciplinair onderzoeksproces dat is ontworpen om informatie te creëren, kritisch te beoordelen en te communiceren die nuttig is voor het begrijpen en verbeteren van beleid.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Prospectieve analyse

A

Worden uitgedrukt in vergelijkbare, voorspelde kwantitatieve en kwalitatieve termen, als basis of leidraad voor beleidsbeslissingen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Retrospectieve analyse

A

Een middel om inzicht te krijgen in eerdere beleidssuccessen en -mislukkingen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wicked problems

A
  • Een probleem dat moeilijk is om eenduidig te definiëren
  • Daarnaast is het complex: het heeft het meerdere oorzaken en onderliggende verbanden
  • Dit heeft als gevolg dat een oplossing verschillende dimensies moet omvatten (oplossingen hebben immers zowel positieve als negatieve consequenties)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Beleidsveld

A

Opeenvolging van oorzaken & gevolgen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Doel

A

Wens die persoon of groep heeft besloten te verwezenlijken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Stellen van doel

A

Indicatie dat overheid in actie wil komen (signaal)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Middelen

A
  • Beleidsinstrumenten
  • Datgene wat een actor gebruikt of kan gebruiken om het bereiken van een of meer doeleinden te bevorderen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Directe instrumenten

A

Als je deze inzet bereik je rechtstreeks je doel zonder iets anders te moeten doen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Indirecte instrumenten

A
  • Soort tussenliggende stap die je zet, maar nog niets aan je probleem verandert.
  • Maakt wel andere dingen mogelijk die je probleem wel kunnen oplossen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Tijdsstip

A

Wanneer wordt het doel bereikt of de middelen ingezet

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Tempo

A

Mate van doelbereiking of hoeveelheid beleidsprestaties per tijdseenheid

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Tijdsvolgorde

A
  • Welke doelen eerder bereikt en welke middelen eerder ingezet dienen te worden
  • Bepaalde urgentie van doeleinden
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Beleid

A
  • Samenstelling van doeleinden, middelen & tijdskeuzes, maar niet elk beleid is volledig
  • Vele beslissingen genomen door vele individuen en organisaties, beïnvloed door de wijdere context (Howlett, Ramesh & Perl)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Onderwerp

A

Wisselwerking tussen bestuur en omgeving

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Unit-act

A

Elementaire daad die ondernomen wordt door minstens 1 actor die een doel heeft en middelen inzet om dat doel te kunnen bereiken in een bepaalde context.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Empirische beleidsactoren

A

Elk individu of groep betrokken bij een collectief probleem, aangepakt door een beleidsdaad, kan beschouwd worden als een potentiële actor in de beleidsarena

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Intentionele beleidsactoren

A
  • Het gedrag van een actor kan nooit gereduceerd worden tot een positie, rol of vaste categorie
  • Een beleidsactor beschikt steeds over een zekere beslissings- of manoeuvreerruimte
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Politieke partijen
- Min of meer permanent georganiseerde groepen burgers die... - ...op basis van een bepaalde maatschappijvisie/ concreet programma... - ...Kandidaten laten verkiezen tot volksvertegenwoordigers/ publieke functionarissen
26
Pressiegroep
- Georganiseerde groep die economische of sociale belangen van leden verdedigt + vaak diensten aan leden verleent - Beïnvloeden (een aspect van) het overheidsbeleid van buitenaf - Richten zich maar op beperkt aspect van beleid (‘single issue’-bewegingen)
27
Peak associations
Verenigingen die alle vertegenwoordigers binnen een bepaald veld samenbrengen
28
Bureaucratie
- Benoemde beambten belast met het openbaar beleid en de administratie - Assisteren de uitvoerende macht ↔ grotere rol in beleidsproces
29
Nash evenwicht
Een situatie in een strategisch spel waarbij geen enkele speler zijn resultaat kan verbeteren door eenzijdig van strategie te veranderen, ervan uitgaande dat de strategie van de andere spelers gelijk blijft
30
Dominant evenwicht
- Een uitkomst in de speltheorie waarbij alle spelers een dominante strategie kiezen - Een dominante strategie is de beste keuze voor een speler, ongeacht welke strategie de andere speler kiest
31
Pareto-optimaal
Een uitkomst is Pareto-optimaal wanneer iemand zijn/haar positie alleen ten koste van een ander kan verbeteren
32
Beleidsproces
- Reeks onderling samenhangende fasen waarin beleidskwesties en beraadslagingen min of meer achtereenvolgens verlopen van ‘inputs’ (problemen) naar ‘outputs’ (beleid) (Howlett, Ramesh & Pearl) - Proces van al dan niet omzetten van eisen en steun in overheidsbeleid
33
Politiek systeem
Geheel van interacties waardoor de gezaghebbende toebedeling van waarden voor een samenleving plaats heeft
34
Agendasetting/ agendavorming
Proces waardoor maatschappelijke problemen de aandacht van het publiek of beleidmakers krijgen
35
Beleidsvoorbereiding
Proces van verzamelen en analyseren van informatie en het formuleren van adviezen met het oog op het uit te voeren beleid
36
Beleidsontwerp
- Nieuw beleid of ingrijpende verandering - Het ontwerpen van beleid is het uitdenken, beargumenteren en formuleren van een beleid
37
Rationaliteit
De redenering waarop het beleid berust is bestand tegen gefundeerde kritiek
38
Waardenrationaliteit
Waarden & normen
39
Doelrationaliteit
Doeleinden & middelen
40
Causale rationaliteit
Oorzaken & gevolgen
41
Doelgerichtheid
Weloverwogen doelen & middelen
42
Doeltreffendheid
Bijdrage aan het bereiken van de gestelde doelen
43
Doelmatigheid
efficiëntie
44
Legitimiteit
De aanvaardbaarheid van het beleid voor de betrokkenen
45
Beleidsbepaling
Het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid
46
Beslissen
Het selecteren van een alternatief uit een verzameling mogelijkheden
47
Rationele beslissing
Uitkomst van afweging tussen: verwachte kosten & baten van beleid (1) en kosten van besluitvorming (informatie verzamelen) (2)
48
Beleidsbepaling
- Start voor processen van uitvoering en naleving - Bepaalt handelen van beleidsbepaler, uitvoerders én burgers
49
Beleidsplan
- Slechts een middel om een beleidsprobleem op te lossen - Het probleem wordt aangepakt via de uitvoering van het plan
50
Beleidsuitvoering
Het omzetten van besluiten van beleidsbepalers in handelingen van organisaties, gericht op het nastreven van gewenste situaties
51
Interne doelen
Organisatie van openbaar bestuur zelf
52
Externe doelen
Veranderingen in de samenleving
53
Actoren-factorenmodel
- 4 groepen factoren die van invloed zijn op de mate waarin het handelen van de beleidsvoerders overeenkomt met de bedoelingen van de beleidsbepalers - 1. De kwaliteit van het beleid en de beleidstheorie (1) - 2. De organisatie die de uitvoering als opdracht hebben (2) - 3. De uitvoerende ambtenaren (3) - 4. Omgevingsinvloed (4)
54
Uitvoeringsprocessen
Het gereed maken van uitvoerende organisaties voor de werkelijke toepassing van de middelen van een beleid
55
Handhaving
- Omvat alle handelingen die zijn gericht op het bewerkstelligen van non-conform gedrag - Omvat zowel: (1) naleving van gedragsregels controleren en (2) overtredingen bestraffen (sluitstuk van uitvoeringsproces)
56
Handhavingsmiddelen
Hulpbronnen waarover uitvoerende organisaties en handhavers beschikken om hun werk te kunnen doen
57
Handhavingsstijlen
Verschillen in de wijze waarop de handhavingsbevoegdheden worden uitgevoerd
58
Handhavingstekort
Handhavers kunnen of willen niet handhaven
59
Handhavingskwaliteit
Goed gebruik van handhavingsmiddelen en handhavingsstijlen
60
Overheidsbeleid
Poging van overheid om bepaalde maatschappelijke problemen op te lossen of te verminderen
61
Beleidsevaluatie
Het evalueren van de inhoud, processen of effecten van een beleid
62
Evaluatieonderzoek
Wetenschappelijk onderzoek met het oog op een (beleids)evaluatie
63
Insiders
Betrokken ambtenaren en doelgroepen hebben gedetailleerd beeld van effecten van beleid
64
Summative evaluation
De balans opmakende en op een eindoordeel mikkende evaluatie
65
Formative evaluation
Beleidsvormende, op verbetering gerichte evaluatie: wordt uitgebreid met de verklaring van beleidseffecten
66
Effectenevaluatie
Kijken naar zowel de beoogde effecten als de niet-voorziene effecten
67
Triangulatie
gebruik maken van verschillende data, onderzoekers, theorieën of methoden voor beantwoorden van dezelfde onderzoeksvraag
68
Beleisbeëindiging
Stopzetten van actief beleid of het bewerkstelligen van een forse reductie in de intensiteit waarmee het beleid wordt uitgevoerd
69
Theorieën & modellen
Abstracte en gesimplificieerde voorstellen van de realiteit/ vereenvoudiging van de realiteit
70
Neo-klassieke economie
De waarde van een goed wordt bepaald door het nut dat een individu eraan koppelt (vraag-zijde)
71
Homo economicus
Nuts-maximaliserend individu staat centraal en wil vooropgestelde doelen bereiken door het maken van strategische keuzes, gebaseerd op alle beschikbare informatie over kansen & beperkingen
72
Paradox van Condorcet
- Illustreert dat het niet altijd mogelijk is om een collectieve voorkeursorder te creëren die consistent is me de individuele voorkeuren van de kiezers - Het creëert een oneindige loop en je komt nooit tot een goede beslissing
73
Paradox of voting
- de paradox dat het voor een rationele, individuele kiezer niet de moeite waard is om te stemmen omdat de kans dat zijn stem de uitslag bepaalt zo klein is, maar als niemand zou stemmen, zou de uitslag wel sterk afhangen van elke individuele stem, wat ertoe leidt dat iedereen toch zou moeten gaan stemmen. - als we allemaal zo rationeel zijn, gaan we ook niet goed geïnformeerd zijn, bij rationeel moet je alle standpunten kennen van alle kandidaten (veel tijd en moeite, winst en invloed van stem is enorm klein DUS ook niet rationeel om wel goed geïnformeerd te zijn)
74
Principal agent-setting
Relatie tussen twee of meer partijen, waarbij 1 partij (agent) handelt in naam van de andere partij (principal) bij het maken van beslissingen
75
Adverse selection of hidden information
De agent kan principaal misleiden bij het opstellen van het contract
76
Moral hazard of hidden action
De agent kan gedragingen stellen, waarvan de uitkomsten niet direct geobserveerd kunnen worden door de principal
77
Police patrol oversight
Hele tijd naast zitten en controleren
78
Fire alarm oversight
Aan een derde organisatie toezicht toevertrouwen, die slechts bij misbruik de 'alarmbel' zullen luiden
79
Public choice theorie
- Sociale verschijnselen verklaren door het aggregeren van het gedrag van individuen. - Het kan beschouwd worden als een toepassing van rationele keuzetheorie op collectieve beslissingen en politieke processen
80
Logrolling
De praktijk waarbij politici steun voor elkaars wetten ruilen om wederzijds voordeel te behalen
81
Package deal
Een overeenkomst waarbij verschillende, op zichzelf staande punten worden gebundeld en als geheel moeten worden geaccepteerd
82
Lobbying
Het beïnvloeden van beleidsmakers om een specifiek belang of standpunt te bevorderen
83
Rent seeking behaviour
Het nastreven van economisch voordeel door middel van het manipuleren van de politieke of regelgevende omgeving, in plaats van door het creëren van nieuwe rijkdom door productie of innovatie
84
Substantive rationality
Behavior is substantially rational when it is appropriate to the achievement of given goals within the limits imposed by given conditions and constraints
85
Procedural rationality
- Behavior is procedurally rational when it is the outcome of appropriate deliberation - Its procedural rationality depends on the process that generated it
86
Satisfycing search-strategie
Besluitvormers stellen zich tevreden met een oplossing die binnen bereik ligt en voldoet aan minimale wenselijkheden
87
5 situaties die ervoor zorgen dat volledige rationaliteit niet mogelijk is
- Situatie van onbegrensde rationaliteit - Cognitieve beperkingen als eerste soort beperkingen - Sociale differentiatie - Pluralisme - Structurele verstoring
88
Certainty effect
Risico-aversie bij positieve keuzes --> kiezen voor de meest zekere optie bij positieve keuzes, risico niet gaan opzoeken
89
Reflection effect
risico-zoekend gedrag bij negatieve keuzes (kiezen tussen verlies en groter verlies)
90
Endownment effect
goed hoger waarderen eenmaal eigenaar
91
Isolation effect
concentreren op verschillen tussen alternatieven en negeren gelijkenissen cfr. Voor 2 fases beslissen wat je gaat doen
92
Editing phase
Interpreteren van het keuzeprobleem
93
Evaluation phase
berekenen waarde van verschillende alternatieven
94
Verstoringen in evaluation phase
- Vervorming van de waarde van winst/ verlies - Non-linear response to probabilities: weighed probabilities
95
Beschikbaarheidsheuristiek
Waarschijnlijkheid op gebeurtenis inschatten: mensen leiden die waarschijnlijkheid af uit het gemak waarmee ze zich de gebeurtenis voor de geeft kunnen halen
96
Valse-consensus-effect
Neiging om het aantal mensen met dezelfde meningen te overschatten
97
Representativiteitsheuristiek
We categoriseren alles --> wij zien dingen en dat lijkt op iets anders --> ahja het zal dat wel zijn --> men gaat snel veralgemenen
98
Ankerheuristiek
Je gaat e ankerpunt zetten en alles vgl met dat ankerpunt
99
Motivationele heuristiek
Hoe mensen de kans dat iets voorkomt bewust of onbewust (licht) vertekenen om de perceptie van het resultaat te beïnvloeden
100
Incrementele analyse
een intellectuele strategie van beleid ontwerpen die rekening houdt met de bewezen feilbaarheid van beleidsmakers
101
Incrementalisme/ muddlin through
The theory that decisions are made not in the light of clear-cut objectives, but through small adjustments dictated by changing circumstances
102
Systeemrationaliteit
tekorten van specifieke beslissingen door gebrekkige rationaliteit worden gecompenseerd door de globale werking van het hele systeem
103
Mixed scanning
Combinatie van grote, fundamentele beslissingen met minder belangrijke, incrementele beslissingen
104
Focused trial & error
- Weten waar we moeten starten met zoeken naar effectieve beslissing - Op gezette tijden resultaten controleren om beslissing bij te stellen
105
Tentativeness
- Bereidheid om, indien nodig, genomen beslissing bij te stellen - Elke beslissing is voorlopig
106
Procrastination
- Onvolledige kennis - Beslissing uitstellen om nieuwe informatie te verzamelen
107
Decision staggering
- Vorm van uitstel - Stapsgewijs uitvoeren en kijken naar deelresultaat
108
Fractionalizing
- Vorm van uitstel - Aaneensluiting van deelbesluiten
109
Hedging bets
- Minder zekerheid = meer spreiden - Lange termijn succes en veiligheid
110
Maintaining strategic reserves
- Vorm van risicospreiding - Onvoorziene kosten en onverwachte kansen
111
Reversible decisions
- Beslissing nemen bij onvoldoende informatie - Engagement vermijden
112
3 manieren om keuzes te maken
- Oversight - Problem resolution - Flight
113
Oversight
er hecht zich geen probleem aan de keuzemogelijkheid --> geen probleem op de agenda
114
Problem resolution
het probleem wordt opgelost
115
Flight
keuze vereist te veel energie, dus er wordt geen keuze gemaakt --> uitstellen of doorwijzen
116
4 gevolgen vuilnisbakmodel voor besluitvorming
* Oplossingen ook voorgesteld als er geen problemen zijn * Keuzes gemaakt zonder problemen op te lossen * Problemen worden niet opgelost en blijven bestaan * Sommige problemen worden wel opgelost
117
Arena (Joop Koppenjan)
Het strijdperk waarbinnen actoren over de formulering van problemen, de keuze van oplossingen en de deelname aan de besluitvorming vechten
118
Beleidsvorming (Joop Koppenjan)
Agendabouw, beleidsontwikkeling en besluitvorming
119
Beleid (Van de Graaf & Hoppe)
- Resultante van politieke processen - Combinatie van compromisvorming, conflict en de verwarring van politieke en ambtelijke actoren met uiteenlopende belangen, inzichten en ongelijke machtsposities - Altijd compromis, nooit de beste/optimale oplossing
120
Organisatorisch procesmodel
Besluitvorming als uitkomst van organisatieroutines
121
Bureaupolitieke procesmodel
Beleidskeuzen bepaald door belangenconflicten en machtsspelen tussen verschillende afdelingen van een overheidsorganisatie
122
Discriminatieclaim
Zegt dat de 3 theorieën verschillende visies hebben op werkelijkheid
123
Vertrouwen
- Geloof dat andere actor afziet van opportunistisch handelen - Is gerelateerd aan onzekerheid uit beliedsvrijheid
124
Sturingsvormen
- Sturing door de overheid - Maatschappelijke zelfsturing - Sturing in wisselwerking tussen overheid & middenveld - Sturing door de markt
125
Voorwaarden maatschappelijke zelfsturing
- Profijt door deelname - Gemeenschap is in staat freeriders uit te sluiten - Handelingen die voortvloeien uit de mz vallen binnen de wettelijke kaders
126
Redenen voor overheidssturing bij een markt
- Preventie van monopolies & kartels - Productie van collectieve goederen - Regulering van extreme effecten - Beheersing van bemoeigoederen - Compenseren van verdelingseffecten
127
4 types van relaties tussen de onderdelen van beleid
- Relatie tussen het geheel en zijn delen - Relatie tussen oorzaken en gevolgen - Doel-middel relatie of finale relaties - Relatie tussen inputs & outputs van maatschappelijke processen
128
Gesitueerde rationaliteit
- Actoren veranderen hun objectieven gaandeweg - Ze passen hun gedrag aan aan de omgeving
129
Offensief instict
Directe interventie op de inhoudelijke component van beleid
130
Defensief instinct
Indirecte interventie op de institutionele component van beleid
131
Verzameling actoren (actor aggregates)
Parallelle handeling van individuen met bepaald gemeenschappelijke karakteristieken en omstandigheden
132
Individuele actor
Handelt vaak in naam & belang van een grotere groep of organisatie
133
Samengestelde actor
Handelt collectief om collectieve doelen te bereiken op een hoger niveau dan het individuele
134
Soorten samengestelde actoren
- Naargelang mate van integratie - Collectieve actoren (bottom-up) - Verenigde of corporatieve actoren (top-down)
135
Collectieve actoren
- Bottom-up - Zijn afhankelijk van en worden geleid door de preferenties van de leden
136
Coalitie
- Een semi-permanente samenwerking tussen actoren, met afzonderlijke, maar compatibele doelen, die hun individuele hulpmiddelen gecoördineerd inzetten - Bv.: politieke partijen die samen een regering vormen (elk behoud eigen middelen & doelen)
137
Beweging
- Een vrijwillige, niet-hiërargische collectieve actor met een gedeeld moreel of ideologisch engangement, waarbij de hulpmiddelen individueel blijven - Bv.: klimaatbeweging (gedreven door overtuiging, weinig structuur)
138
Club
- Een vrijwillige organisatie, waarbij de leden bijdragen leveren, gemeenschappelijke hulpmiddelen delen & handelen vanuit individueel belang, onder formeel leiderschap - Bv.: WG-organisaties met lidgeld (lidmaatschap = betalen --> voordeel krijgen
139
Associatie/ vereniging
- Een bottom-up georganiseerde collectieve actor, waarbij zowel de hulpmiddelen als de preferenties collectief zijn + waarbij de leiders verantwoording afleggen bij hun leden - Bv.: vakbonden (collectieve belangen met formele structuur)
140
Belangrijke actoren in het beleidsproces
- Burgers - Wetgevende & uitvoerende macht - Politieke partijen - Pressiegroepen - Massamedia - Bureaucratie - Externe adviseurs
141
Voordelen pressiegroepen
- Versterking van het democratische gehalte van de beleidsvorming - Intermediaire rol tussen overheid en burgers
142
Nadelen pressiegroepen
- Deelbelang boven algemeen belang - Interne organisatie vaak weinig democratisch - Ongeoorloofde lobbytechnieken
143
Hulpmiddelen pressiegroepen
- Waardevolle beleidsinformatie - Hebben veel kennis & doen veel onderzoek - Uitgebreide financiële middelen: contributies & werking - Organisatie: grootte & 'peak associations'
144
Fasen beleidsproces
- 1. Agendavorming/ agendasetting - 2. Beleidsvoorbereiding - 3. Beleidsbepaling - 4. Beleidsinvoering en -uitvoering - 5. Beleidshandhaving - 6. Beleidsevaluatie
145
Modellen agendasetting
- 1. Kloofmodel - 2. Barrièremodel - 3. Stromenmodel - 4. Relatieve aandachtsmodel
146
Kloofmodel
Stelt dat een maatschappelijk probleem op de beleidsagenda komt naarmate de kloof tussen de norm (maatstaf) en de waargenomen realiteit groter en duurzamer is De rol van actoren is hierbij ondergeschikt aan de objectieve en subjectieve ernst van het probleem
147
Barrièremodel
Het barrièremodel verklaart agendasetting als een competitie tussen maatschappelijke problemen die verschillende barrières moeten overwinnen om op de beleidsagenda te komen, waarbij actoren en media actief proberen aandacht te mobiliseren binnen een context van beperkte agendaruimte
148
Stromenmodel
Het stromenmodel (Kingdon) beschouwt agendasetting als het resultaat van het samenvallen van drie onafhankelijke stromen—problemen, beleidsoplossingen en politieke steun—waarbij beleid slechts mogelijk wordt wanneer deze samenkomen in een policy window
149
Relatieve-aandachtsmodel
Het relatieve-aandachtsmodel ziet agendasetting als een cyclisch proces van verschuivende beleidsaandacht, waarbij overheden door schaarse middelen en veranderende beleidsdoelen afwisselend focussen op verschillende problemen, grotendeels los van individuele actoren
150
Maatstaven om de kwaliteit van beleid te beoordelen
- rationaliteit - legitimiteit
151
Vormen rationaliteit
- Waarderationaliteit - Doelrationaliteit - Causale rationaliteit
152
Elementen doelrationaliteit
- Doelgerichtheid - Doeltreffendheid - Doelmatigheid
153
Stappen ontwerpproces
- 1. Analyse van de opdracht tot het ontwerpen van beleid - 2. Analyse van de probleemsituatie - 3. Analyse van de oorzaken en gevolgen van de probleemsituatie - 4. Formuleren van het einddoel - 5. Overwegen van instrumenten en effecten - 6. Ontwerpen van de beleidsuitvoering - 7. Afwegen kosten en baten van de instrumenten - 8. Uiteindelijke formulering van het beleidsontwerp
154
Activiteiten waaruit de beleidsbepaling is opgebouwd
- Het beslissen - Bereiken van overeenstemming - Verwerven van steun
155
Types gezagsdragers
- Volksvertegenwoordigers - Benoemde bestuurders - Topambtenaren
156
Succesvoorwaarden
- Probleembesef - Invloedsmiddelen - Bereidheid - Eenduidig standpunt - Directe toegang tot gezagsdrages
157
Fasen hoe keuze wordt gemaakt
- Keuzesituatie erkennen - Alternatieve maatregelen verkennen - Respectievelijke gevolgen verkennen - Beoordelen van voorkeur - Rangschikken van handelingsalternatieven - Handelen naar voorkeur
158
Factoren die kans op overeenstemming vergroten
- Communicatie - Incrementele en coöperatieve bestuursstijlen - Tijdsbesparende procedure: delegatie - Tijdsbesparende procedure: meerderheidsregel - Alleen cruciale kwesties beslissen bij unanimiteit