Blok 2.1 Week 2.1.4, Thema 10: Genetica: autosomaal dominante overerving, repeatziekten.
1. Leg uit wat de termen dominant en recessief betekenen. Weet om te gaan met de kansberekening bij genetic counseling in deze situaties (denk aan ‘occurrence’ en ‘recurrence’ risico).
Autosomale dominante overerving:
wordt gekarakteriseerd door
Autosomale recessieve overerving:
wordt gekarakteriseerd door
[Jorde, H4, blz. 59-61]
Wat is anticipatie?
Anticipatie: is het patroon dat wordt gezien bij bepaalde genetische ziekten waarbij de ziekte per generatie eerder en/of erger tot expressie komt. Dit is goed te zien bij de ziekte myotonische distrofie.
[Jorde, H5, blz. 92]
Waarom is dystrofia myotonica een aandoening die verschillende systemen
aandoet?
[Jorde, H4, blz. 92-93]
Wat is gedissocieerde sensibiliteitsstoornis, waar moet men de oorzaken zoeken?
Gedissocieerde sensibiliteitsstoornis:
Oorzaken:
[Kuks H4, blz 51, 64-65]
Welke symptomen treden op bij een polyneuropathie? Denk aan motoriek, sensibiliteit, en autonome functie, denk aan positieve en negatieve verschijnselen.
Polyneuropathie:
Symptomen:
[Kuks, H13, blz. 199-201]
Welk bloedonderzoek is in de situatie van de eerste lijn (huisarts) nuttig bij een patient bij verdenking op een polyneuropathie?
[Kuks, H13, blz. 199-202]
Beschrijf het klinische beeld en de bevindingen bij onderzoek bij een carpale tunnelsyndroom. Om welke zenuw gaat het?
[Kuks, blz. 126-127]
Bij cerebrale infarcten en TIA’s moet de cardioloog vaak meehelpen bij het zoeken naar een oorzaak, waarom is dat?
[Kuks H17, blz. 252-253, 256]
Wat is een veneuze sinusthrombose en welke klinische symptomen geeft dit?
Symptomen:
[Kuks, blz. 270]
Wat zijn de belangrijkste risicofactoren voor een intracraniële bloeding?
[Kuks, H17, blz. 253, 264]
Hoe verschilt het klinische beeld bij een intracerebrale bloeding van dat bij een ischaemisch CVA?
Het is niet goed mogelijk om op klinische gronden uit te maken of er sprake is van een bloeding of een infarct. Daarom moet voor een zekere onderscheid een CT-onderzoek worden verricht.
Ischaemisch CVA/herseninfarct: Bij een infarct zijn de symptomen meestal te herleiden door uitval die past bij één stroomgebied.
Hersenbloeding: Bij een hersenbloeding komen vaker dan bij een infarct braken en een snel optredende bewustzijnsdaling voor.
[Kuks, H17, blz. 254-256, 264]
Beschrijf het klassieke klinische beeld van een patiënt die een half jaar geleden een volledige afsluiting van de a. cerebri media in de linker (taal-dominante) hemisfeer heeft gehad en bij wie geen herstel is opgetreden, in termen van krachtsverlies, tonus, reflexen, gevoelsverlies, gezichtsveld stoornissen (centrale hemibeeld), corticale functiestoornissen.
Het meest voorkomend is een contralaterale hemiparese waarbij de arm en de onderste gezichtshelft meer zijn aangedaan en langer aangedaan blijven dan het been.
De parese is aanvankelijk meestal hypotoon, maar krijgt in dagen tot weken alle kenmerken van een laesie van het centrale motorische neuron; de voetzoolreflex van Babinski is vanaf het begin aanwezig. Vooral wanneer frontaal of diep gelegen hersengebieden zijn beschadigd, staat spasticiteit op de voorgrond. Wanneer de paresen van de arm en het been ongeveer even sterk en globaal aanwezig zijn, heeft men waarschijnlijk niet met een media-infarct, maar met een infarct of kleine bloeding in de capsula interna te maken.
Hemihypesthesie betreft meestal meer de gnostische dan de vitale sensibiliteit; bij pariëtale laesies is vooral de stereognosie gestoord. En ook bestaat er dan vaak hemianopsie door ontbreking van de radiatio optica.
Verdere uitval is afhankelijk van de aangedane kant.
Bij infarcten in de taaldominante hemisfeer treden fatische stoornissen op. In de niet-dominante hemisfeer treedt in het acute stadium een ontkenning van de linkszijdige uitvalverschijnselen op (neglect, of als onderdeel van anosognosie)
[Kuks, H17, blz. 257-258]