Zijn
was waren is geweest
Hebben
had hadden heeft gehad
Moeten
moest moesten heeft gemoeten
Kunnen
kon konden heeft gekund
Gaan
ging gingen is gegaan
Doen
deed deden heeft gedaan
Weten
wist wisten heeft geweten
Worden
werd werden is geworden
Zeggen
zei (zegde) zegden heeft gezegd
Willen
wou (wilde) wilden heeft gewild