H4 Flashcards

(19 cards)

1
Q

intrinsiek motivatie

vb

A

gaat om het gedrag dat je stelt omdat je het graag doet.

werken in een kinderopvang omdat je het graag doet

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

extrinsieke motivatie

vb

A

als er zijn bepaalde gevolgen gekoppeld aan je gedrag.

motivatie is buiten persoon

op tijd op school om geen straf te krijgen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

gecontroleerde motivatie

A

gevoel dat we iets doen omdat het moet

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

autonome motivatie

A

gevoel dat we zelf voor het gedrag kiezen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

externe druk

A

voldoen aan verwachtng,belong of straf ontlopen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

interne druk

A

negatieve gevoelens vermijden of positieve gevoelens hebben

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

ZDT

A

autonomie:

verbondenheid:

competentie:

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

autonomie

A

gevoel van jezelf keuzens maken+als gecontroleerd behoefte wordt nioet voldaan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

verbondenheid

A

verlenegn aan band met andere+sterk,stabiel,veilige relaties en gewaardeer/geliefd worden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

compententie

A

je bekwaam voelen,gevoel dat je iets goed kunt doen

het vermogen om een taak goed uit te voeren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

emotie

A

een kortdurende en intense reactie op een prikkel die we belangerijk vinden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

temperament

A

blijvend geneigdheid om vaak bepaalde emoties

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

subjective component

A

gedachten en gevoelens

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

fysiologisch component

A

lichaamelijke veranderingen door zenuwtelsel in gang worden gezet: hartslag,ademhaling,sweten,kippenvel,blozen en huilen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

basis emoties

A

wie:paul eckman
woede,walging,verast,blijdschap,verdriet ,angst

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

adaptieve functies emoties

A

ze sturen ons gedrag in een richting die ons helpt met overleven

17
Q

sociale functie emoties

A

hulpmidddel bij communicatie en interacties met andere

18
Q

coginitieve functies emoties

A

verhoogte aandacht en herinneren

19
Q

emotionele inteligentie

A

omgaan met, eigen en andere