H5 te vw Flashcards

(28 cards)

1
Q

Wat is een ionbinding?

A

Een binding gebaseerd op elektrostatische aantrekkingskracht tussen positieve en negatieve ionen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Tussen welke deeltjes ontstaat een ionbinding?

A

Tussen een metaalkation en een niet-metaalanion.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Tussen welke andere deeltjes kan een ionbinding ontstaan?

A

Tussen een metaalkation en covalent gebonden zuurrestionen (bv. SO₄²⁻, NO₃⁻).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Waarom ontstaan ionbindingen gemakkelijk?

A

Metalen staan gemakkelijk elektronen af, niet-metalen nemen ze gemakkelijk op.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Waardoor worden ionen bij elkaar gehouden?

A

Door elektrostatische aantrekkingskrachten (Coulombkracht).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Hoe groter de lading, hoe …

A

Hoe sterker de aantrekking.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Hoe kleiner de afstand, …

A

Hoe sterker de aantrekking.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat zijn de 3 stappen van ionbinding?

A

1) Vorming kation: metaal staat e⁻ af (kost energie, ionisatie-energie). 2) Vorming anion: niet-metaal neemt e⁻ op (energie komt vrij, elektronenaffiniteit). 3) Vorming ionrooster: + en − ionen rangschikken zich; veel energie komt vrij (roosterenergie).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat is een ionrooster?

A

Een regelmatige rangschikking van positieve en negatieve ionen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Komt er energie vrij bij roostervorming?

A

Ja, veel energie: de roosterenergie (RE).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Welke stap maakt ionbinding stabiel?

A

Stap 3: roostervorming.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat is ionisatie-energie (IE)?

A

De energie die nodig is om een elektron weg te nemen van een atoom in gasfase.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Trend IE in een periode (links → rechts)

A

IE neemt toe doordat de kernlading stijgt en de atoomstraal daalt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Trend IE in een groep (boven → beneden)

A

IE neemt af door meer schillen en meer afscherming.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat zijn uitzonderingen bij ionisatie-energie?

A

Groep 13 heeft lagere IE dan groep 2 (p-orbitaal minder stabiel). Stikstof heeft hogere IE door halfgevuld p-orbitaal.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat is elektronenaffiniteit (EA)?

A

De energieverandering wanneer een atoom een elektron opneemt.

17
Q

Trend EA in een periode

A

EA neemt toe (wordt meer negatief) door stijgende kernlading.

18
Q

Trend EA in een groep

A

EA neemt af door grotere afstand tot de kern.

19
Q

Wat zijn uitzonderingen bij EA?

A

Edelgassen: EA ≈ 0 (volle schil). Fluor: lagere EA dan verwacht door kleine straal en sterke e⁻-afstoting.

20
Q

Wat is roosterenergie (RE)?

A

De energie die vrijkomt wanneer gasvormige ionen een ionrooster vormen.

21
Q

Waar hangt roosterenergie van af?

A

Van de lading van de ionen en de afstand tussen de ionen.

22
Q

Hogere lading → effect op RE

A

Grotere roosterenergie.

23
Q

Kleinere ionen → effect op RE

A

Grotere roosterenergie.

24
Q

Verband RE en smeltpunt

A

Hoe hoger de roosterenergie, hoe hoger het smeltpunt.

25
Verband RE en oplosbaarheid
Moeilijk te voorspellen; hangt af van roosterenergie, hydratatie-energie en solventinteracties.
26
Hoe voorspel je ionlading van metalen?
Metalen staan valentie-elektronen af en vormen kationen.
27
Hoe voorspel je ionlading van niet-metalen?
Niet-metalen nemen elektronen op en vormen anionen.
28
Waarom hebben overgangsmetalen meerdere ladingen?
Door de aanwezigheid van d-elektronen zijn meerdere valenties mogelijk.