Hf 1 Flashcards

(76 cards)

1
Q

Noem levensverschijnselen die alle organismen vertonen.

A

Groei, ontwikkeling, voortplanting, stofwisseling.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat is stofwisseling (metabolisme)?

A

Alle chemische reacties in een organisme.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Leg uit het verschil tussen dood en levenloos in de biologische zin.

A

Dood = organisme dat ooit leefde en levensverschijnselen heeft gehad maar deze niet meer vertoont; levenloos = dingen die nooit hebben geleefd.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat is een levensloop?

A

De levensloop van een individu – van ontstaan tot dood.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat is een levenscyclus?

A

De opeenvolgende stadia van ontwikkeling die alle individuen van een soort doormaken, waardoor de soort blijft voortbestaan.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Definitie van ‘soort’.

A

Organismen die zich onderling kunnen voortplanten en daarbij vruchtbare nakomelingen voortbrengen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Noem de organisatieniveaus in de biologie

A

Molecuul → Organellen → Cel → Weefsel → Orgaan → Organisme → Populatie → Ecosysteem → Systeem Aarde.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat is een emergente eigenschap?

A

Een eigenschap die op een hoger organisatieniveau ontstaat en niet aanwezig is op lagere niveaus.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat betekent interactie bij biologische eenheden?

A

Biologische eenheden reageren op elkaar en op invloeden uit hun omgeving; en beïnvloeden hun omgeving terug.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wat is een orgaanstelsel volgens de syllabus?

A

Een aantal organen dat samen een bepaalde functie vervult.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat is weefsel?

A

Groep cellen (één of meer verschillende celtypen) met een gemeenschappelijke functie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Noem de typen weefsels die in de syllabus relevant zijn.

A

Dekweefsel, spierweefsel, zenuwweefsel, bindweefsel.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat is tussencelstof en welke rol speelt het?

A

De materie tussen cellen; zorgt voor stevigheid.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Noem minstens drie onderdelen van eukaryote cellen die je volgens de syllabus moet kunnen benoemen.

A

Celkern, celmembraan, cytoplasma, organellen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat is het verschil tussen eukaryote en prokaryote cellen (zoals de syllabus het beschrijft)?

A

Eukaryote cellen hebben verschillende organellen en een celkern; prokaryoten niet.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Waarvoor dient het grondplasma (cytoplasma) volgens de syllabus?

A

Het is de inwendige vloeistof van de cel waarin opgeloste stoffen zitten en organellen liggen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Waarom is het familielid “cel” belangrijk in de organisatieniveaus volgens de syllabus?

A

Omdat de cel de basis is van organismen; cellen vormen weefsels → organen → organismen enz.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Waarom wordt de cel een zelfstandig functionerende biologische eenheid genoemd?

A

De cel kan levensprocessen uitvoeren (stofwisseling, groei, voortplanting) en is de kleinste eenheid van leven.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Waar liggen de chromosomen en waaruit bestaan ze?

A

In het kernplasma van de celkern; ze bestaan uit DNA dat rond eiwitten is gewikkeld.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Wat is de functie van DNA in chromosomen?

A

Het bevat genen met informatie voor de erfelijke eigenschappen en eiwitsynthese.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Wat is de rol van kernporiën?

A

Regelen het transport van stoffen (zoals RNA) in en uit de celkern.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Functie ribosomen?

A

Eiwitsynthese op basis van de informatie in het DNA.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Functie endoplasmatisch reticulum (ER)?

A

Transport van stoffen; Ruw ER (RER) met ribosomen voor transport/afvangen van eiwitten; Glad ER (GER) zonder ribosomen, o.a. vet- en hormoonproductie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Functie Golgisysteem?

A

Bewerkt en verpakt eiwitten, vormt blaasjes en lysosomen, bereidt stoffen voor op transport.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Functie lysosomen?
Bevatten enzymen voor vertering en afbraak van stoffen in de cel.
26
Functie mitochondriën?
Maken energie beschikbaar via verbranding met zuurstof; energie wordt vastgelegd in ATP.
27
Functie chloroplasten (alleen planten/algen)?
Fotosynthese: omzetting van CO₂ en water in glucose en zuurstof met behulp van licht.
28
Wat is exocytose?
Afsnoeren van blaasjes via het celmembraan om stoffen naar buiten te transporteren.
29
Wat is endocytose?
Opnemen van stoffen door het afsnoeren van blaasjes via het celmembraan.
30
Wat is het cytoskelet en zijn functies?
Netwerk van eiwitvezels dat de celvorm behoudt, organellen positioneert, celbeweging mogelijk maakt en transport van blaasjes ondersteunt.
31
Wat zijn ciliën en flagellen?
Uitstulpingen van het cytoskelet; ciliën voor voortbeweging of signaalfunctie, flagellen (zweepharen) voor voortbeweging.
32
Wat is de bouw van het celmembraan?
Dubbele laag fosfolipiden met eiwitten en soms cholesterol en koolhydraatketens.
33
Wat is bijzonder aan fosfolipiden?
Ze hebben een hydrofiele kop (polair) en een hydrofobe staart (apolair), waardoor het membraan selectief doorlaatbaar is.
34
Wat geeft de concentratie van een oplossing aan?
De hoeveelheid opgeloste stof per hoeveelheid oplosmiddel.
35
Hoe bereken je concentratie in g·L⁻¹?
Massa opgeloste stof (g) ÷ volume oplossing (L).
36
Wat is diffusie?
Verplaatsing van deeltjes van een hoge naar een lage concentratie door willekeurige beweging van moleculen.
37
Wat is osmose?
Diffusie van water door een semipermeabel membraan van een gebied met lage osmotische waarde naar een gebied met hoge osmotische waarde.
38
Wat bepaalt de osmotische waarde?
De totale concentratie opgeloste deeltjes in een oplossing.
39
Wat is osmotische druk?
De druk die wordt veroorzaakt door het verschil in osmotische waarde aan beide zijden van een semipermeabel membraan.
40
Welke rol speelt osmose bij de stevigheid van planten?
Water stroomt de cel in tot turgor ontstaat: het grondplasma drukt tegen de celwand en houdt de plant stevig.
41
Wat is turgor?
De druk van het celinhoud (grondplasma) op de celwand bij een hogere osmotische waarde in de cel.
42
Wat is plasmolyse?
Het loslaten van het celmembraan van de celwand doordat water uit de cel verdwijnt.
43
Wat gebeurt met een dierlijke cel in een hypotone oplossing?
Water stroomt de cel in; de cel kan opzwellen en barsten.
44
Wat gebeurt met een dierlijke cel in een hypertone oplossing?
De cel verliest water en krimpt.
45
Wat gebeurt in een isotone oplossing?
Er is geen netto waterverplaatsing; de cel behoudt zijn vorm.
46
Wat is het verschil tussen passief en actief transport?
Passief: met het concentratieverval mee, geen energie nodig; Actief: tegen het concentratieverval in, vereist ATP.
47
Welke stoffen diffunderen gemakkelijk door de fosfolipidenlaag?
Apolaire stoffen zoals zuurstof, koolstofdioxide en vetoplosbare moleculen.
48
Wat zijn aquaporines en ionkanaaltjes?
Membraaneiwitten die water (aquaporines) of ionen (ionkanaaltjes) selectief doorlaten.
49
Wat is de rol van transporteiwitten?
Ze binden specifieke moleculen en vervoeren deze door het membraan, passief of actief.
50
Waarom druk je een lage concentratie soms uit in ppm in plaats van g·L⁻¹?
Omdat ppm handiger is voor zeer kleine hoeveelheden.
51
Hoe verandert de concentratie als je dezelfde hoeveelheid stof in twee keer zoveel oplosmiddel oplost?
De concentratie halveert, omdat de stof over een groter volume is verdeeld.
52
Wat is de drijvende kracht achter diffusie?
De willekeurige beweging (kinetische energie) van moleculen waardoor concentratieverschillen gelijk worden.
53
Waarom stroomt water bij osmose naar een hogere osmotische waarde?
Omdat daar relatief minder watermoleculen per volume aanwezig zijn.
54
Waarom is turgor belangrijk voor een plant?
Het zorgt voor stevigheid en houdt de plant rechtop zonder een skelet.
55
Hoe kun je het verschil zien tussen een geplasmolyseerde plantencel en een cel met turgor?
Bij plasmolyse laat het celmembraan los van de celwand; bij turgor drukt het grondplasma stevig tegen de celwand.
56
Waarom kunnen zuurstof en koolstofdioxide direct door de fosfolipidenlaag diffunderen, maar glucose niet?
Zuurstof en CO₂ zijn kleine apolaire moleculen; glucose is polair en te groot.
57
Waarom verbruikt actief transport ATP?
Omdat stoffen tegen hun concentratie­gradiënt in worden verplaatst.
58
Wat gebeurt er met de nettostroom van water door een membraan als de concentratie aan beide zijden gelijk is?
Er is nog steeds beweging van watermoleculen, maar de nettostroom is nul.
59
Wat is literatuuronderzoek?
Het verzamelen en analyseren van bestaande kennis over een onderwerp.
60
Wat is beschrijvend onderzoek?
Onderzoek waarbij je observaties of metingen verzamelt om tot een conclusie te komen zonder variabelen te manipuleren.
61
Wat is hypothesetoetsend onderzoek?
Onderzoek waarbij een onderzoeker een hypothese opstelt en experimenteel toetst.
62
Wat is een hypothese?
Het meest waarschijnlijke antwoord op een onderzoeksvraag, dat je kunt toetsen.
63
Wat is een steekproef en waarom gebruik je die?
Een representatief deel van een populatie dat onderzocht wordt; het maakt onderzoek uitvoerbaar.
64
Wat is ontwerpend onderzoek?
Onderzoek waarbij een product, model of systeem wordt ontwikkeld om een praktisch probleem op te lossen.
65
Noem de fasen van een natuurwetenschappelijk onderzoek in de juiste volgorde.
1) Literatuuronderzoek/orientatie, 2) Onderzoeksvraag, 3) Hypothese, 4) Werkplan, 5) Experiment (uitvoering), 6) Resultaten, 7) Conclusie, 8) Discussie.
66
Wat hoort in een werkplan?
Beschrijving van de methode, benodigde materialen en de opzet van het experiment.
67
Wat is het doel van een controlegroep?
Dient als vergelijking; toont het effect van de onderzochte variabele.
68
Waarom onderzoek je één factor tegelijk?
Om te garanderen dat waargenomen verschillen worden veroorzaakt door die ene variabele.
69
Waarom zijn grote aantallen proefpersonen of proefopstellingen belangrijk?
Ze vergroten de betrouwbaarheid en verminderen de invloed van toevallige variatie.
70
Wat bevat de discussie?
Verklaringen van de resultaten, reflectie op beperkingen en suggesties voor vervolgonderzoek.
71
Welke stappen doorloop je bij ontwerpend onderzoek?
1) Eisen en ontwerp bedenken, 2) Prototype maken, 3) Prototype testen en evalueren, 4) Definitieve versie ontwikkelen.
72
Wat is een prototype?
Een testversie van het product waarmee je het ontwerp en de werking kunt evalueren.
73
Wat is het belangrijkste verschil tussen beschrijvend en hypothesetoetsend onderzoek?
Beschrijvend onderzoek verzamelt alleen data; hypothesetoetsend test een vooraf opgestelde verwachting.
74
Waarom is literatuuronderzoek een cruciale eerste stap?
Het voorkomt dubbel werk en helpt een gerichte onderzoeksvraag of ontwerpdoel te formuleren.
75
Hoe verschilt ontwerpend onderzoek van hypothesetoetsend onderzoek?
Ontwerpend onderzoek richt zich op het maken en verbeteren van een product, niet op het verklaren van een natuurverschijnsel.
76
Wat is het belang van een goed geformuleerde onderzoeksvraag?
Het bepaalt welke data je verzamelt, welke methode je kiest en hoe je resultaten interpreteert.