Hf 3 Flashcards

(54 cards)

1
Q

Wat is het fenotype?

A

De waarneembare eigenschappen van een individu, uiterlijk en inwendig.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat is het genotype?

A

De totale erfelijke informatie (alle allelen) van een individu.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Hoe komt het fenotype tot stand?

A

Door interactie tussen genotype en milieufactoren (voeding, temperatuur, ziekten, opvoeding).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat is een modificatie en is deze erfelijk?

A

Fenotype-verandering door milieu zonder DNA-verandering; niet erfelijk.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Hoeveel chromosomen heeft een menselijke lichaamscel?

A

46 (23 paren): 22 autosomen en 1 paar geslachtschromosomen (XX of XY).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat zijn homologe chromosomen?

A

Chromosomen van een paar met gelijke lengte en genvolgorde, één van vader en één van moeder.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat is een karyogram?

A

Geordende weergave van alle chromosomen (BiNaS 70B) om geslacht of afwijkingen te zien.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat is een gen en wat is een allel?

A

Gen = DNA-segment voor een eigenschap; allel = variant van een gen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat is het genoom?

A

De complete DNA-set in een cel.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Waaruit bestaat een nucleotide?

A

Fosfaatgroep, desoxyribose, en stikstofbase (A, T, C of G).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Welke basenparen horen bij elkaar in DNA?

A

A–T en C–G (BiNaS 71C).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat is genexpressie?

A

Het aflezen van een gen en vertaling naar RNA/eiwit.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Hoe bepaalt de DNA-sequentie een eigenschap?

A

De basenvolgorde codeert de aminozuurvolgorde van een eiwit.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat betekent homozygoot?

A

Twee gelijke allelen (AA of aa).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat betekent heterozygoot?

A

Twee verschillende allelen (Aa).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat is een dominant allel?

A

Allel dat tot uiting komt bij AA én Aa genotype

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Wat is een recessief allel?

A

Komt alleen tot uiting bij aa genotype

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Wat is volledige dominantie?

A

Recessief allel is bij Aa volledig onzichtbaar.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Wat is onvolledige dominantie?

A

Beide allelen dragen gedeeltelijk bij (bijv. rood + wit = roze).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Wat is codominantie?

A

Beide allelen komen volledig tot uiting (bijv. bloedgroep AB).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Wat is recombinatie?

A

Nieuwe allelencombinaties door meiose en bevruchting.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Hoeveel typen geslachtscellen kan een mens produceren door onafhankelijke segregatie?

A

2²³ (>8 miljoen)

23
Q

Wat is een haplotype?

A

Groep allelen op één chromosoom die samen worden doorgegeven.

24
Q

Waarom vergroot recombinatie de overlevingskans?

A

Meer genetische variatie → betere aanpassing aan milieu.

25
Welke andere bron van variatie is er?
Mutaties (blijvende DNA-veranderingen).
26
Wat is een monohybride kruising?
Kruising waarbij één eigenschap (één genenpaar) wordt gevolgd.
27
Stappen voor een kruisingsschema?
1. Noteer ouder-genotypen (dominant hoofdletter, recessief klein). 2. Bepaal alle mogelijke geslachtscellen. 3. Combineer in een Punnett-square en lees de nakomelingen af.
28
Voorbeeld: P = Aa × Aa. Wat is F1-verhouding?
Genotypen 1 : 2 : 1 (AA:Aa:aa); fenotypen 3 : 1 (dominant:recessief).
29
Wat is een testkruising?
Kruising met homozygoot recessief (aa) om te bepalen of een individu AA of Aa is.
30
Hoe herken je in een stamboom recessieve overerving?
Ouders met dominant fenotype krijgen een kind met recessief fenotype → beide ouders heterozygoot.
31
Hoeveel chromosomen bevat een menselijke geslachtscel?
23: 22 autosomen + 1 geslachtschromosoom.
32
Karyogram vrouw/man?
Vrouw 46,XX – Man 46,XY.
33
Wanneer en waardoor ligt het geslacht vast?
Bij bevruchting, bepaald door het X- of Y-chromosoom van de spermacel.
34
Wat betekent X-chromosomale overerving?
Overerving van een eigenschap via een gen op het X-chromosoom.
35
Waarom speelt het Y-chromosoom meestal geen rol bij X-chromosomale overerving?
Het Y-chromosoom bevat meestal geen allel van het gen dat op het X-chromosoom ligt. 1. Een man heeft genotype XY, dus hij heeft voor een X-gebonden eigenschap maar één allel (op het X-chromosoom). 2. Omdat er geen tweede allel op de Y zit dat het dominante allel kan maskeren, komt een recessief X-gebonden kenmerk bij mannen altijd tot uiting (bijv. XᵃY).
36
Hoe beïnvloeden milieufactoren epigenetica?
Ze kunnen merkers aanbrengen of verwijderen en zo genactiviteit regelen.
37
Welke situatie laat milieu-effect duidelijk zien?
Eeneiige tweelingen die apart opgroeien.
38
Wat is epigenetica?
Studie van aan-/uitzetten van genen via chemische merkers (bijv. DNA-methylering) zonder DNA-sequentie te veranderen.
39
Waarom is tweelingenonderzoek belangrijk voor genetica?
Toont de invloed van genotype (nature) versus milieu (nurture) op fenotype.
40
Waarom kan overerving anders verlopen dan verwacht?
Omdat genexpressie wordt aangepast door epigenetische merkers, waardoor fenotype niet direct uit het genotype volgt.
41
Kunnen epigenetische veranderingen erfelijk zijn?
Ja, sommige merkers zijn stabiel en overdraagbaar.
42
Wat zijn gekoppelde genen?
Genen op hetzelfde chromosomenpaar die meestal samen erven.
43
Hoe noteer je koppeling?
Heterozygoot: GN/gn (haplotypen).
44
Wat is een letale factor?
Allel dat in homozygote toestand niet-levensvatbaar is; nakomelingenverhouding wijkt daardoor af.
45
Verschil eeneiige en twee-eiige tweelingen?
Eeneiig: één zygote → identiek genotype. Twee-eiig: twee zygoten → verschillend genotype.
46
Hoe kan koppeling worden verbroken?
Crossing-over tijdens meiose I → nieuwe haplotypen (recombinanten).
47
Hoe ontstaan unieke combinaties in geslachtscellen?
Onafhankelijke segregatie van chromosomen. Crossing-over: uitwisseling DNA tussen chromatiden van een homoloog paar.
48
Hoe wordt mitochondriaal DNA overgeërfd?
Alleen via de eicel (maternaal).
49
Wat is een dihybride kruising?
Kruising waarbij twee eigenschappen (twee genenparen) tegelijk worden gevolgd.
50
Wat is onafhankelijke overerving?
Genenparen liggen op verschillende chromosomen en verdelen onafhankelijk.
51
Wat zijn multipele allelen?
Eén eigenschap met drie of meer mogelijke allelen (individu heeft er steeds twee). Voorbeeld: ABO-bloedgroepen IAIA of IAi → A IBIB of IBi → B IAIB → AB ii → O.
52
Hoe bereken je kans op aabb?
Kans aa (¼) × kans bb (¼) = 1/16.
53
Mogelijke genotypen?
Vrouw: XᴬXᴬ , XᴬXᵃ , XᵃXᵃ Man: XᴬY , XᵃY.
54
Wat betekent draagster bij X-chromosomale overerving?
Een vrouw met genotype XᴬXᵃ: zij toont het dominante fenotype, maar kan het recessieve allel doorgeven aan haar nakomelingen.