Hf 2 Flashcards

(87 cards)

1
Q

Wat is ongeslachtelijke voortplanting?

A

Vorm van voortplanting waarbij nakomelingen ontstaan uit één ouder en genetisch identiek zijn aan die ouder.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Hoe planten bacteriën zich ongeslachtelijk voort?

A

Door celdeling.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Hoe planten meercellige organismen zich ongeslachtelijk voort?

A

Een deel van het organisme groeit uit tot een nieuw individu.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat zijn sporen en hoe spelen ze een rol bij voortplanting?

A

Voortplantingscellen waaruit een nieuw individu kan groeien; gevormd door schimmels, sommige planten en bacteriën; sommige sporen kunnen jaren in een ruststadium overleven.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat zijn klonen?

A

Door mensen gemaakte genetisch identieke nakomelingen van één individu.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Waarom kan ongeslachtelijke voortplanting ethische discussie oproepen?

A

het kunstmatig toepassen (zoals klonen of massaal identieke gewassen maken) door mensen kan vragen oproepen over dierenwelzijn, genetische variatie en het “manipuleren van leven”.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat is de celcyclus?

A

Levenscyclus van een cel, bestaande uit interfase en M-fase, die leidt tot twee dochtercellen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat gebeurt er in de G1-fase?

A

(na mitose, vóór DNA-replicatie) groeit de cel, maakt extra eiwitten en organellen aan, en controleert of de omstandigheden en het DNA geschikt zijn voor DNA-replicatie. Pas bij een goedgekeurd G₁-controlepunt gaat de cel door naar de S-fase.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat gebeurt er in de S-fase?

A

DNA-replicatie; van elk DNA-molecuul wordt een kopie gemaakt. Het centromeer blijft de twee DNA-moleculen verbinden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wat gebeurt er in de G2-fase?

A

Cel groeit verder en bereidt zich voor op mitose (kerndeling).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat is de M-fase?

A

Periode van mitose en celdeling, waarin de chromosomen zichtbaar worden, kernmembraan verdwijnt, trekdraden de chromatiden uit elkaar trekken, en uiteindelijk twee dochtercellen ontstaan.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat is het doel van mitose bij celdeling?

A

Twee genetisch identieke dochtercellen maken met dezelfde erfelijke eigenschappen als de moedercel.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat is de G0-fase?

A

een rustfase waarin een cel de celcyclus verlaat na G₁. De cel blijft metabolisch actief en voert haar normale functies uit, maar deelt zich niet. Sommige cellen keren later terug naar de cyclus, andere (zoals zenuwcellen) blijven permanent in G₀.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Waarom zijn nakomelingen bij ongeslachtelijke voortplanting genetisch identiek?

A

Omdat ze ontstaan uit één ouder en er geen genetische recombinatie plaatsvindt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Waarom is DNA-replicatie essentieel vóór mitose?

A

Omdat elke dochtercel een volledige kopie van het genetisch materiaal moet krijgen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Wat is het verschil tussen G0 en G1?

A

G1 is actieve celgroei en voorbereiding op DNA-replicatie; G0 is een rust- of specialisatiefase zonder celdeling.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Waarom zijn sporen nuttig voor organismen?

A

Ze kunnen in rust overleven en verspreiding van de soort mogelijk maken, ook onder ongunstige omstandigheden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Hoe verschilt klonen van natuurlijke ongeslachtelijke voortplanting?

A

Bij klonen beïnvloedt de mens het proces, terwijl natuurlijke ongeslachtelijke voortplanting spontaan plaatsvindt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Wat is geslachtelijke voortplanting?

A

Vorm van voortplanting waarbij de genetische informatie van twee vruchtbare individuen via gameten samenkomt, wat leidt tot genetische variatie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Wat gebeurt er bij bevruchting?

A

Twee haploïde gameten smelten samen tot één diploïde zygote.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Wat betekent diploïd en haploïd?

A

Diploïd (2n): lichaamscellen met twee exemplaren van elk chromosoom (bijv. mens 2n = 46).

Haploïd (n): gameten met één exemplaar van elk chromosoom (bijv. mens n = 23).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Wat is polyploïd?

A

Lichaamscellen met meer dan twee sets chromosomen (bijv. 4n).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Wat is meiose en wat is het resultaat?

A

Kerndeling waarbij uit een diploïde moedercel haploïde gameten ontstaan. Meiose bestaat uit twee delingen:
Meiose I: 2n → n + n (twee haploïde cellen)

Meiose II: n + n → n + n + n + n (vier haploïde cellen).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Hoe ontstaan eicellen bij de vrouw via meiose?

A

In eierstokken ontwikkelen enkele follikels zich; meiose I produceert een grote eicel en een klein poollichaampje.

Ovulatie: volgroeide eicel komt vrij uit de follikel.

De eicel gaat via de eileider richting de baarmoeder.

Resten van de follikel vormen het gele lichaam.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Hoe ontstaan spermacellen bij de man via meiose?
Spermacellen worden gevormd in de teelballen, opgeslagen in de bijballen en via de zaadleider afgevoerd tijdens zaadlozing.
26
Waar vindt bevruchting plaats en wat ontstaat er?
In de eileider; uit twee haploïde gameten ontstaat een diploïde zygote.
27
Wat zijn de primaire geslachtskenmerken van de vrouw?
Buitenste en binnenste schaamlippen, clitoris en vagina-opening (samen vulva).
28
Welke inwendige voortplantingsorganen heeft de vrouw en hun functie?
Eierstokken: maken eicellen. Eileiders: vervoeren eicel/zygote naar baarmoeder. Baarmoeder: plek waar zygote kan uitgroeien tot embryo/baby.
29
Wat zijn de primaire geslachtskenmerken van de man?
Teelballen: maken spermacellen. Bijballen: slaan spermacellen op. Zaadleider: transporteert spermacellen naar urinebuis. Zaadblaasjes en prostaat: voegen vocht toe aan spermacellen.
30
Welke inwendige voortplantingsorganen heeft de man en hun functie?
Teelballen: maken spermacellen. Bijballen: slaan spermacellen op. Zaadleider: transporteert spermacellen naar urinebuis. Zaadblaasjes en prostaat: voegen vocht toe aan spermacellen.
31
Waarom zorgt geslachtelijke voortplanting voor genetische variatie?
Omdat gameten van twee verschillende individuen combineren, waardoor nakomelingen unieke combinaties van genen krijgen.
32
Waarom zijn gameten haploïde?
Zodat bij bevruchting het diploïde aantal chromosomen in de zygote ontstaat.
33
Wat is het verschil tussen spermatogenese en oogenese?
Spermatogenese: vier gelijke spermacellen uit één moedercel. Oogenese: één eicel met veel cytoplasma en kleine poollichaampjes; beperkt aantal eicellen per cyclus.
34
Waarom worden poollichaampjes gevormd bij de vrouw?
Om de chromosomen te verdelen zonder veel cytoplasma weg te geven, zodat de eicel veel cytoplasma heeft voor ontwikkeling na bevruchting.
35
Wat is het biologische voordeel van het gele lichaam?
Het produceert hormonen (zoals progesteron) die de baarmoeder voorbereiden op innesteling van de zygote.
36
Waarom is de locatie van bevruchting in de eileider belangrijk?
De eileider biedt optimale omstandigheden voor versmelting van gameten en transport van de zygote naar de baarmoeder.
37
Wat zijn hormonen en hoe verspreiden ze zich?
Chemische stoffen geproduceerd door klieren, afgegeven aan het bloed; beïnvloeden cellen die gevoelig zijn voor dat hormoon.
38
Wat zijn geslachtshormonen?
Hormonen die via het bloed aspecten van de voortplanting reguleren en in de puberteit secundaire geslachtskenmerken veroorzaken. Vrouw: oestrogeen Man: testosteron.
39
Welke veranderingen veroorzaken geslachtshormonen tijdens de puberteit?
Ontwikkeling van secundaire geslachtskenmerken zoals borstontwikkeling bij vrouwen, baardgroei bij mannen.
40
Wat is de rol van de hypothalamus bij de voortplanting?
Geeft releasing hormonen (RH) af die de hypofyse beïnvloeden, bijvoorbeeld GnRH (gonadotropine-releasing hormoon).
41
Wat is de rol van de hypofyse?
Geeft hormonen FSH en LH af aan het bloed, onder invloed van GnRH.
42
Wat doet FSH (follikelstimulerend hormoon)?
Vrouw: stimuleert rijping van follikels en afgifte van oestrogeen. Man: stimuleert spermacelvorming met behulp van testosteron.
43
Wat doet LH (luteïniserend hormoon)?
Vrouw: regelt ovulatie en ontstaan/in stand houden van het gele lichaam. Man: stimuleert afgifte van testosteron door de teelballen.
44
Wanneer begint de menstruatiecyclus?
Op de eerste dag van de menstruatie, ongeveer 14 dagen na ovulatie.
45
Wat gebeurt er tot de ovulatie?
Hypofyse produceert FSH en LH; follikels rijpen en oestrogeen neemt toe.
46
Wat gebeurt rond dag 14?
LH piek veroorzaakt ovulatie; rijpe follikel barst open.
47
Wat doet het gele lichaam na ovulatie?
Onder invloed van LH blijft het bestaan en produceert oestrogeen en progesteron.
48
Wat gebeurt aan het einde van de menstruatiecyclus?
Het gele lichaam verdwijnt door gebrek aan LH; baarmoederslijmvlies wordt afgebroken → menstruatie.
49
Wat is negatieve terugkoppeling bij hormonen?
Proces waarbij het resultaat van een hormoonproductie het proces remt; zorgt voor een constante hormoonconcentratie. Voorbeeld: hoge testosteronconcentratie remt de vorming van testosteron.
50
Waarom zijn sommige cellen ongevoelig voor bepaalde hormonen?
Omdat ze geen receptoren voor dat hormoon hebben; alleen cellen met receptoren reageren.
51
Hoe beïnvloedt LH zowel vrouwen als mannen?
Vrouw: ovulatie en gele lichaam; man: afgifte testosteron.
52
Waarom is negatieve terugkoppeling belangrijk?
Het voorkomt te hoge of te lage hormoonspiegels en houdt hormonale processen in balans.
53
Wat is het verband tussen FSH, LH en geslachtshormonen?
FSH en LH stimuleren productie van oestrogeen/testosteron; deze hormonen beïnvloeden weer terug via negatieve terugkoppeling de afgifte van FSH en LH.
54
Hoe draagt het gele lichaam bij aan een mogelijke zwangerschap?
Produceert progesteron en oestrogeen die baarmoederslijmvlies in stand houden voor innesteling van een zygote.
55
Wat is een zygote?
De bevruchte eicel; startpunt van de embryonale ontwikkeling.
56
Wat gebeurt tijdens de klievingsdelingen?
Snelle celdelingen zonder groei; uit de zygote ontstaat een klompje cellen.
57
Wat is een morula?
Een klompje cellen die nog tot alle celtypen kunnen differentiëren (stamcellen).
58
Wat is een blastula?
Klompje cellen met een holte; embryoblast vormt embryo, trofoblast zorgt voor innesteling en wordt placenta.
59
Wat is het verschil tussen embryoblast en trofoblast?
Embryoblast → uiteindelijke embryo; trofoblast → innesteling, chorion, placenta.
60
Wat gebeurt in de gastrula en neurula fasen?
Gastrula: begin van de darm; neurula: begin van het zenuwstelsel.
61
Wanneer wordt een embryo een foetus genoemd?
Rond 8 weken, als de meeste organen in aanleg aanwezig zijn.
62
Wat is de functie van de placenta?
Uitwisseling van stoffen via diffusie en actief transport; voedingsstoffen/zuurstof naar embryo, afvalstoffen naar moeder; bescherming tegen sommige stoffen; produceert hormonen (HCG, later progesteron en oestrogeen).
63
Wat doet HCG in de eerste drie maanden van de zwangerschap?
Houdt het gele lichaam in stand, dat progesteron en oestrogeen produceert.
64
Wat gebeurt na drie maanden met het gele lichaam?
Het vervalt; de placenta neemt productie van progesteron en oestrogeen over.
65
Wat is celdifferentiatie?
Proces waarbij stamcellen zich ontwikkelen tot gespecialiseerde celtypen.
66
Wat is het verschil tussen embryonale en adulte stamcellen?
Embryonale stamcellen kunnen in meer celtypen differentiëren dan adulte stamcellen.
67
Waarom bevatten alle cellen hetzelfde DNA maar verschillende genen zijn actief?
Omdat celdifferentiatie bepaalt welke genen aan of uit staan in een specifieke cel.
68
Wat is apoptose?
Geprogrammeerde celdood, essentieel voor ontwikkeling en onderhoud van weefsels.
69
Wanneer is een foetus volgroeid en klaar voor geboorte?
Na ongeveer 9 maanden zwangerschap.
70
Wat is indaling?
Het hoofd van de foetus zakt in het bekken van de moeder.
71
Wat is ontsluiting?
De baarmoedermond wordt wijder en korter door weeën.
72
Wat is uitdrijving?
Persweeën en het persen van de moeder leiden tot de geboorte van de baby.
73
Wat is nageboorte?
De placenta, navelstreng en vruchtvliezen worden geboren.
74
Hoe draagt de trofoblast bij aan de overleving van het embryo?
Zorgt voor innesteling in baarmoederslijmvlies en vormt de placenta voor voeding en bescherming.
75
Waarom is celdifferentiatie cruciaal voor ontwikkeling?
Zonder differentiatie zouden cellen geen gespecialiseerde functies kunnen vervullen (bijv. spiercellen, zenuwcellen).
76
Hoe kan apoptose nuttig zijn tijdens embryonale ontwikkeling?
Vormt structuren, verwijdert overbodige cellen en voorkomt misvorming.
77
Waarom neemt de placenta hormonale taken over van het gele lichaam?
Om de zwangerschap in stand te houden en de ontwikkeling van het embryo te ondersteunen.
78
Welke mechanismen zorgen ervoor dat de foetus zuurstof en voedingsstoffen krijgt?
Diffusie en actief transport via de placenta; navelstreng bevat bloedvaten die verbinding met de moeder onderhouden.
79
Wat gebeurt er als bij het G₁-controlepunt DNA-schade wordt gevonden?
De cyclus stopt (onder invloed van p53). De cel probeert het DNA te repareren; lukt dat niet, dan blijft de cel in G₀ of ondergaat ze apoptose om doorgeven van fout DNA te voorkomen.
80
Welke rol speelt p53 bij de celcyclus en DNA-schade?
p53 detecteert DNA-schade, stopt de celcyclus (vooral bij het G₁-checkpoint) en activeert apoptose-genen, zodat de cel zichzelf geprogrammeerd doodt en doorgeven van mutaties wordt voorkomen.
81
Wat is de G₀-fase in de celcyclus?
Een rustfase waarin een cel na G₁ de celcyclus verlaat. De cel blijft metabolisch actief en voert haar normale functies uit, maar deelt zich niet. Sommige cellen keren later terug naar de cyclus, terwijl sterk gespecialiseerde cellen zoals neuronen permanent in G₀ blijven.
82
Wat gebeurt er bij het G₂-checkpoint?
Bij het G₂-checkpoint controleert de cel of het DNA volledig en correct is gerepliceerd en of de cel groot genoeg is. Bij problemen stopt de cyclus zodat reparatie kan plaatsvinden; bij ernstige fouten kan de cel apoptose ondergaan voordat de mitose start.
83
Wat is het centrosoom en wat is de rol bij celdeling?
Orgaanel met 2 centriolen in het cytoplasma; organiseert de spoelfiguur (microtubuli) en zorgt dat chromatiden naar de polen worden getrokken.
84
Wat is het centromeer en wat is de rol bij celdeling?
Ingesnoerd gedeelte van een chromosoom waar de zusterchromatiden samenhangen.
85
Waarom zijn geslachtscellen (gameten) haploïd?
Gameten ontstaan door meiose en bevatten één set chromosomen (n). Bij de bevruchting versmelten twee haploïde gameten → zygote met twee sets (2n). Zo blijft het diploïde chromosomenaantal in de soort constant.
86
Wat kenmerkt somatische (lichaams)cellen qua chromosomenaantal?
Somatische cellen zijn diploïd (2n): ze bevatten twee sets chromosomen, één van de moeder en één van de vader. Ze ontstaan door mitose, waardoor het diploïde aantal behouden blijft bij groei en herstel van weefsels.
87
Wat gebeurt er bij non-disjunctie tijdens meiose of mitose?
Chromosomen of zusterchromatiden scheiden niet → dochtercellen krijgen te veel of te weinig chromosomen (afwijkend aantal t.o.v. normaal n of 2n).