Welke stelling is onjuist?
1. In de periode van de soevereine vorstenstaatjes was de vorst vooral de plaatsvervanger van God op aarde. De soevereine vorst regeerde in Zijn naam en stond dan ook letterlijk boven de wet.
2. Door de Reformatie in de zestiende en zeventiende eeuw ging de eenheid van de Christelijke wereld, de ‘res publica christiana’, die geleid werd door de paus en de keizer, verloren. In plaats daarvan ontwikkelen zich de staten die zowel extern als intern soeverein zijn.
3. Het “maatschappelijk verdrag” is een fictief contract tussen de samenleving van de gezamenlijke burgers enerzijds en de staat anderzijds. De burgers geven daarbij hun vrijheid uit de natuurlijke toestand op en aanvaarden het overheidsgezag, in ruil waarvoor de staat de burgers bescherming en vrede biedt. Indien de staat zijn verplichtingen niet nakomt, zijn de burgers van hun kant ook niet meer gebonden aan hun verplichting tot gehoorzaamheid aan de staat. Het volk wordt hier begrepen als een organisch gestructureerd geheel, niet als een optelsom van vrije individuen.
4. De voornaamste kenmerken van de gereformeerde rechtsstaat zijn: Legaliteitsbeginsel, Machtsverdeling, Grondrechten en Rechterlijke controle.
Er zijn twee methoden om te zoeken in de wettenbundel:
1. De … (vul in): Aan de hand van de inhoudsopgave kunt u een specifieke bepaling opzoeken, en kunt u opmaken hoe een wet is opgebouwd.
2. De … (vul in): Bij elke wettenbundel treft u een alfabetisch trefwoordenregister aan, waarin u het betreffende trefwoord kunt opzoeken.
Welke optie(s) is/zijn juist, in de hoofdtekst?
1. “Op basis van art. 10 lid 2 Gw geldt dat…”
2. “Op basis van art. 10, lid 2, Gw geldt dat…”
3. “Op basis van art. 10, tweede lid, Gw geldt dat…”
4. “Op basis van art. 10, tweede lid, Grondwet geldt dat…”
5. “Op basis van artikel 10, tweede lid, Grondwet geldt dat…”
6. “Op basis van art. 10, lid 2, Grondwet geldt dat…”
7. “Op basis van artikel 10, lid 2, Grondwet geldt dat…”
Welke verwijzing is juist?
1. <i>Handelingen II</i> 2012/13, nr. 23, item 14, p. 104.
2. <i>Handelingen II</i> 2012/2013, nr. 23, item 14, p. 104.
3. <i>Handelingen II</i> 2012/13, nr. 23, p. 104.
4. <i>Handelingen II</i> 2012/2013, nr. 23, p. 104.
Wat is geen kritiek op de klassiek-liberale rechtsstaat?
1. Een klassiek-liberale rechtsstaat ziet over het hoofd dat voor velen, de competitie niet echt vrij is, gezien de grote verschillen in uitgangspositie; waardoor mensen geen gelijke kansen hebben.
2. Het is strijdig met de natuurlijke gelijkheid, die vereist dat iedereen een gelijk aandeel kan hebben aan de staatsmacht en het vormgeven daarvan en dat de economisch minderbedeelden hiervan uitgezonderd worden.
3. In de klassiek-liberale rechtsstaat werd het algemene kiesrecht alleen voor mannen geïntroduceerd, waardoor vrouwen nog steeds geen gelijke kansen hebben.
4. Formele gelijkheid, waarbij wordt voorbijgegaan aan de ongelijkheid in persoonlijke kwaliteiten en economische macht en invloed, biedt onvoldoende garantie voor een faire competitie.
Welke stelling is onjuist?
1. Magna Carta (1615) was een charter tussen de Engelse koning en machtige baronnen. Een kenmerk ervan was: wanneer de vorst niet voldoet aan verplichtingen (contractbreuk), worden verplichtingen van de andere zijde opgeheven.
2. Blijde Incomste (1356) was een charter tussen hertogin Johanna en steden van Brabant. Het bepaalde dat de gehoorzaamheidsplicht van steden komt te vervallen bij contractbreuk.
3. Charters beogen om gewoonterecht (uitwerking van het natuurrecht) te codificeren, zodat de vorst zich daaraan moest houden.
5. Alle stellingen zijn juist.
6. Alle stellingen zijn onjuist.
Welke stelling is onjuist?
1. In het publiekrecht staat het algemeen belang centraal, en in het privaatrecht staan particuliere belangen centraal.
2. In het publiekrecht stelt de overheid de rechtsgevolgen eenzijdig vast, en in het privaatrecht beslissen partijen autonoom aan welke rechtsgevolgen zij zich verbinden en gehouden kunnen worden.
3. Het publiekrecht gaat over de verhouding tussen overheidsorganen onderling en tussen overheden en burgers/bedrijven. Het privaatrecht regelt in de regel de verhouding tussen burgers onderling, tussen bedrijven onderling en tussen burgers en bedrijven.
4. Zowel het personen- en familierecht als ook het arbeidsrecht behoren tot het privaatrecht.
5. Alle stellingen zijn juist.
6. Alle stellingen zijn onjuist.
Welke stelling is onjuist?
1. Het legaliteitsbeginsel alleen biedt onvoldoende waarborg tegen willekeur en absolutisme.
2. Trias politica houdt in dat de drie basisbevoegdheden van de staat – wetgeving, bestuur en rechtspraak – niet in één hand dienen te liggen, maar gespreid over verschillende organen die elkaar in evenwicht houden.
3. Negatieve begrenzing houdt in dat het bestuur zich moet houden aan de wet; positieve begrenzing houdt in dat het bestuur zijn bevoegdheden aan de wet ontleent.
4. In Nederland is machtenscheiding tbv het voorkomen van willekeur en onderdrukking geïmplementeerd dmv checks and balances (een stelsel van elkaar wederzijds controlerende, in evenwicht houdende instanties) en decentralisatie.
5. Alle stellingen zijn juist.
6. Alle stellingen zijn onjuist.
Wat is de juiste verwijzing naar Kamerstukken van de Tweede Kamer?
1. <i>Kamerstukken II</i> 2015/2016, 34442, nr. 3, p. 7.
2. <i>Kamerstukken II</i> 2015/16, 34442, nr. 3, p. 7.
3. <i>Kamerstukken II</i> 2015/2016, 34442, nr. 3 p 7.
4. <i>Kamerstukken II</i> 2015/16, 34442 nr 3, p. 7.
5. <i>Kamerstukken II</i> 2015/2016, 34442 nr. 3 p 7.
Welke stelling is onjuist?
1. De aanvaarding van de leer van de trias politica betekende dat de wet niet meer enkel een beperking van de overheidsmacht vormt, maar wordt de grondslag ervan.
2. De klassiek-liberale rechtsstaat is aangevuld met uitbreiding van het kiesrecht, om politieke gelijkheidheid te realiseren.
3. Na de Tweede Wereldoorlog kwam de sociale rechtsstaat tot ontwikkeling vanwege het inzicht dat politieke en juridische vrijheid en gelijkheid weinig nut hebben als er geen sociaaleconomische gelijkheid bestaat.
4. Alle stellingen zijn juist.
5. Alle stellingen zijn onjuist.
Een … (vul in) is een mededeling die stellend is geformuleerd.
Een … (vul in) is de centrale bewering in een betoog.
Een … (vul in) is een geheel van beweringen waarbij één bewering de conclusie is terwijl de andere beweringen de argumenten zijn waarmee de conclusie wordt onderbouwd.
Een conclusie is een bewering die in een redenering wordt verdedigd met behulp van één of meer ondergeschikte beweringen.
Een … (vul in) is een bewering waarmee de conclusie van een redenering wordt onderbouwd.
Mogelijke antwoorden:
1. argument… standpunt… redenering… bewering
2. bewering… standpunt… redenering… argument
3. argument… standpunt… betoog… bewering
4. bewering… standpunt… betoog… argument
Welke stelling over het maatschappelijk verdrag is onjuist?
1. Het is een fictief contract tussen de samenleving van de gezamenlijke burgers enerzijds en de staat anderzijds.
2. De burgers geven daarbij hun vrijheid uit de natuurlijke toestand op en aanvaarden het overheidsgezag, in ruil waarvoor de staat de burgers bescherming en vrede biedt.
3. Indien de staat zijn verplichtingen niet nakomt, zijn de burgers van hun kant ook niet meer gebonden aan hun verplichting tot gehoorzaamheid aan de staat.
4. Alle stellingen zijn juist.
Welke stelling is onjuist?
1. De geldende tekst van wetten, algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen is te vinden op www.wetten.nl, samen met de gehele geschiedenis van de wijzigingen.
2. Wetten en algemene maatregelen van bestuur worden gepubliceerd in het Staatsblad (afkorting: Stb.), ministeriële regelingen in de Staatscourant (afkorting: Stcrt.). Ze zijn allemaal te vinden op zoek.officielebekendmakingen.nl .
3. Verdragen worden gepubliceerd in het Tractatenblad (afkorting: Trb.). De Tractatenbladen vindt men op zoek.officielebekendmakingen.nl
4. Regelingen van provincies, gemeenten en waterschappen worden gepubliceerd in respectievelijk het Provincieblad, het Gemeenteblad en het Waterschapsblad. Provinciebladen, Gemeentebladen en Waterschapsbladen die zijn verschenen sinds 1 januari 1993 vindt men op zoek.officielebekendmakingen.nl
Welke stelling is onjuist?
1. De eis van rechterlijke controle stemt uit het beginsel van machtenspreiding, en is tevens het belangrijkste mechanisme om toe te zien op inachtneming van het legaliteitsbeginsel en de grondrecht.
2. De klassiek-liberale rechtsstaat is mede gebaseerd op uitdrukking van het verlangen van de burger om bij het ontplooien van zijn economische activiteiten niet meer belemmerd en gehinderd te worden door allerlei uit het feodale stelsel voortvloeiend beperkingen zoals het gildestelsel.
3. Het neo-liberale rechtsstaat idee is dat onbelemmerde concurrentie tot een fair eindresultaat leidt, indien maar voldaan is aan de eisen van: gelijkheid voor de wet en privilegeverbod; er is alleen wetgeving in de vorm van algemeen geldende voorschriften; en waarborging van de natuurlijke vrijheidsrechten.
4. Alle stellingen zijn juist.
5. Alle stellingen zijn onjuist.
Welke stelling is onjuist?
1. De Grondwet heeft geen duidelijke gelaagde structuur.
2. De Wet op de rechterlijke organisatie heeft een gelaagde structuur.
3. De Faillissementswet heeft geen duidelijke gelaagde structuur.
4. Alle stellingen zijn juist.
5. Alle stellingen zijn onjuist.
De voornaamste kenmerken van … (vul in) zijn:
o Legaliteitsbeginsel
o Machtsverdeling
o Grondrechten
o Rechterlijke controle
Mogelijke antwoorden:
1. de hervorming
2. de klassiek-liberale rechtsstaat
3. de Magna Carta
4. het maatschappelijk verdrag
Welke stelling is onjuist?
1. Het essentiële onderscheid tussen het publiek- en het privaatrecht ligt in het belang dat wordt beschermd. In het publiekrecht staat het algemeen belang centraal, terwijl het privaatrecht de behartiging van particuliere belangen faciliteert.
2. Het verschil, globaal gesproken, tussen het staats- en het bestuursrecht is dat het staatsrecht vooral institutioneel van karakter is (primair de instelling, werkwijze en bevoegdheden van de organen van de staat beschreven), terwijl het bestuursrecht gaat over de wijze waarop overheidsorganen burgers concreet tegemoet treden.
3. Het gaat in het staats- en bestuursrecht vooral om publiekrechtelijke beslissingen met een eenzijdig bindend karakter. Eenzijdig betekent dat de binding die van deze beslissingen uitgaat niet berust op wederzijdse instemming tussen de overheid en de burger(s) tot wie deze beslissingen zich richten.
4. Bindende overheidsbeslissingen hebben een problematisch karakter omdat ze eenzijdig bindend zijn. Problematisch aan deze eenzijdig bindende overheidsbeslissingen is dat de aanvaarding ervan niet vanzelf spreekt maar moet worden verzekerd.
Welke stelling is onjuist?
A: In een betoog dat alleen uit meervoudige argumentatie bestaat, vormen de hoofdargumenten de hoofdzaken. De wijze waarop deze het standpunt ondersteunen (meervoudig/onafhankelijk of nevenschikkend/ afhankelijk), vormt de hoofdlijn.
B: In een betoog dat alleen uit afhankelijke argumentatie bestaat, zijn de argumenten die dicht bij het standpunt staan de hoofdzaken. De volgorde van die argumenten geeft de hoofdlijn weer.
Mogelijke antwoorden:
1. Alleen stelling A is juist
2. Alleen stelling B is juist
3. Beide stellingen zijn juist.
4. Beide stellingen zijn onjuist.
Welke stelling is onjuist?
1. Het intellectueel eigendomsrecht valt onder privaatrecht.
2. Het milieurecht valt onder bestuursrecht.
3. Belangrijke verschillen tussen privaatrecht en publiekrecht zijn het type belang dat ze beschermen en wie het subject van de rechtsverhouding is.
4. Belangrijke verschillen tussen privaatrecht en publiekrecht zijn of er sprake is van een hiërarchische verhouding, en wie het initiatief neemt voor handhaving.
5. Alle stellingen zijn juist.
6. Alle stellingen zijn onjuist.
Vul in:
De principiële rechtvaardiging voor verzet tegen vorst is de … (vul in) die is ontwikkeld door… (vul in). Daarbij is een individu een van nature vrije en ongebonden persoon, gelijkwaardig aan anderen; en is de staat een overkoepelende instantie die individuele vrijheidssfeer door middel van… (vul in) waarborgt. Deze uitgangspunten vormen de basis van… (vul in) (17e eeuw).
Mogelijke antwoorden:
1. verzetsleer… John Locke… wetgeving… de klassiek-liberale rechtsstaatidee
2. verzetsleer… Thorbecke… natuurlijke vrijheden… de res publica Christiana
3. natuurrechtelijke contractsleer… John Locke… wetgeving… de klassiek-liberale rechtsstaatidee
4. natuurrechtelijke contractsleer… Thorbecke… het contract… de res publica Christiana
Welke stelling is onjuist?
1. De klassiek-liberale rechtsstaat is aangevuld met uitbreiding van het kiesrecht (democratisering) omdat de feitelijke vrijheid en gelijkheid van ieder individu onvoldoende gewaarborgd, aangezien in de klassiek-liberale rechtsstaat van de negentiende eeuw de deelname aan het vaststellen van de algemene regels (de wet) beperkt was tot een welgestelde elite.
2. De Jacobijnse terreur ontstond uit de klassiek-liberale rechtsstaat in Frankrijk, en geldt als voorbeeld voor problemen van de klassiek-liberale rechtsstaat.
3. De voornaamste kritiek op de klassiek-liberale rechtsstaat is dat een dergelijke staat over het hoofd ziet dat voor velen, de competitie niet echt vrij is, gezien de grote verschillen in uitgangspositie.
4. In de loop van de twintigste eeuw groeide het inzicht dat politieke en juridische vrijheid en gelijkheid weinig nut hebben als er geen sociaaleconomische gelijkheid bestaat. Zo ontstond na de Tweede Wereldoorlog de sociale rechtsstaat.
5. Privatisering is een oplossing voor de problemen van de sociale rechtsstaat.
==>
Problemen van democratische rechtsstaat:
Aantasting van positie van minderheden als gevolg van het toepassen van een meerderheidsbesluit.
a. In de Franse Revolutie, onder denkers zoals Rousseau, werd benadrukt dat besluiten van de democratische wetgever in absolute zin waar (juist) zouden zijn, en dus heeft de minderheid zich vergist; maar mening is onjuist.
b. Dit leidde tot een ultra-democratische grondwet (1793) en tot de Jacobijnse terreur.
c. Dat was een kort, ontspoord democratisch experiment.
Raadpleeg bij deze vraag de wettenbundel.
Welke stelling is onjuist?
1. De trefwoorden in de marge van de wettenbundel zijn door de uitgever toegekend, en zijn geen onderdeel van de wet.
2. Het opschrift van de Wet op het consumentenkrediet is: ‘Wet van 4 juli 1990, houdende regels met betrekking tot het consumentenkrediet’
3. Het slot van een wetstekst staat niet in de wettenbundel
4. De Handelsregisterwet 2007 heeft geen citeertitel.
Welke stelling over argumentatiestructuren is onjuist?
1. Als het standpunt door elk argument afzonderlijk ondersteund wordt, is er sprake van meervoudige (= onafhankelijke) argumentatie; en als het standpunt door meerdere argumenten gezamenlijk wordt ondersteund, is er sprake van nevengeschikte (afhankelijke) argumentatie.
2. Als het standpunt door meerdere argumenten ondersteund wordt, waarbij het ene argument als ondersteuning dient voor het volgende standpunt, is er sprake van onderschikkende argumentatie.
3. Cirkelredenering is een vorm van drogredenen (fallacies) waarbij de discussie niet meer gaat over het eigenlijke standpunt maar over een ander, verdraaid standpunt en wordt dus verschoven naar het verdraaide standpunt
4. Argumentum ad hominem is een vorm van drogredenen (fallacies) waarbij een standpunt wordt ontkend door niet in te gaan op dat standpunt maar door in de plaats daarvan een aanval te doen op de persoon die het standpunt inneemt.
5. Alle stellingen zijn juist.
6. Alle stellingen zijn onjuist.
Welke stelling is onjuist?
1. Organen zijn ambten.
2. Organen verschillen van elkaar in het type besluiten dat ze nemen, in controlemechanismes, in bevoegdheidsverdelingenen in rechtsbeschermingsvoorzieningen.
3. Een “rechtsorde” betreft het geheel van het geldend (oftewel “positief”) recht.
4. Alle stellingen zijn juist.