Welke stelling over het legaliteitsbeginsel is onjuist?
A. Het legaliteitsbeginsel is zowel positief als ook negatief begrenzend: Positief houdt in dat overheidsoptreden (bevoegdheid) binnen de grenzen van het (hoger) recht uitgeoefend moet worden; Negatief houdt in dat overheidsoptreden (bevoegdheid) moet berusten op een wettelijke basis.
B. Tijdens de 19e eeuw, in de klassieke rechtsstaat, had het legaliteitsbeginsel betrekking op overheidsoptreden dat inbreuk maakte op de vrijheid en eigendom van burgers; en niet overheidsoptreden in het algemeen.
Mogelijke antwoorden:
1. Alleen stelling A is juist.
2. Alleen stelling B is juist.
3. Beide stellingen zijn juist.
4. Beide stellingen zijn onjuist.
Welke stelling is onjuist?
1. Openbaar lichaam is de organisatorische samenhang waarin een aantal organen is verenigd. Het is een rechtspersoon.
2. Volgens het legaliteitsbeginsel kunnen bevoegdheden aan de provincie en aan de staat worden toegekend.
3. De Staat, de provincie, de gemeente, het waterschap en de Nederlandse Orde van Advocaten zijn openbare lichamen.
4. De Koning, de regering, de minister, de (Kamers van de) Staten-Generaal, de gemeenteraad en de provinciale staten zijn geen openbare lichamen.
Welke stelling is onjuist?
1. Een algemene bevoegdheid tot vaststelling van burgers bindende regels berust alleen bij de formele wetgever, echter die kan zo’n bevoegdheid aan een bestuursorgaan delegeren.
2. Art. 105, vierde lid, Gw bepaalt: “De wet stelt regels omtrent het beheer van de financiën van het Rijk”. Dat is een attributie aan de formele wetgever.
3. Art. 4 Gw bepaalt dat het vaststellen van beperkingen op het kiesrecht door de formele wetgever niet gedelegeerd kan worden.
4. Delegatie is een specifieke machtiging met bevoegdheden tot nadere uitwerking in burgers bindende regelgeving.
Wat toetst de rechter niet, bij de beoordeling van een delegatiebevoegdheid?
1. Is delegatie toegestaan?
2. Berust de bevoegdheidsuitoefening op geldige, de burgers bindende voorschriften?
3. Moet een bevoegdheidsuitoefening van het bestuur (AMvB) op een wettelijke grondslag berusten?
4. Dient de lagere wetgeving de doeleinden van de wetsbepaling?
Welke stelling is onjuist?
1. De Koning heeft sinds 1815 in de Grondwet de bevoegdheid tot het vaststellen van algemene maatregelen van bestuur. Dit bevat interne maatregelen en externe maatregelen. Interne maatregelen gaan over het functioneren van het overheidsapparaat; externe maatregelen binden burgers.
2. Een regel bindt burgers alleen wanneer er een bepaling is die een straf stelt op overtreding van de regeling.
3. De bevoegdheid voor zelfstandige vaststelling van strafbepalingen had de Koning niet, volgens de Grondwet van 1815. De wetgever had deze bevoegdheid.
4. Het Meerenberg-arrest (1879) bepaalde dat een overtreding van een AMvB kan leiden tot een strafsanctie.
… (vul in) bepaalde dat een overtreding van een AMvB kan leiden tot een strafsanctie. Dit was … (vul in) schending van een rechtsstatelijke regel, omdat daarmee de Koning … (vul in) algemene attributie tot vaststelling van burgers bindende regels kreeg.
… (vul in) veranderde deze situatie. De Hoge Raad leidde uit het stelsel van de Grondwet af dat de Koning slechts bevoegd is tot het vaststellen van AMvBs op grondslag van (1) een specifieke delegerende wet, of (2) een uitdrukkelijke grondwetsbepaling.
Mogelijke antwoorden:
1. De Blanketwet (1818) … geen … geen … Het Meerenberg-arrest (1879)
2. De Blanketwet (1818) … een … een … Het Meerenberg-arrest (1879)
3. Het Meerenberg-arrest (1879) … geen … geen … De Grondwetsherziening (1887)
4. Het Meerenberg-arrest (1879) … een … een … De Grondwetsherziening (1887)
Welke stelling over de Grondwetsherziening van 1887 is onjuist?
1. Daarin is bepaald dat de bevoegdheid tot vaststellen van AMvBs onbepaald was (dwz de Koning mocht op alle terreinen maatregelen vaststellen, zolang hij niet in strijd kwam met wet of Grondwet); en in de Grondwet is vastgelegd dat in de AMvBs slechts krachtens de wet strafbepalingen mochten komen, en dat de wet de straffen moet regelen (art. 56 Grondwet 1887).
2. Het vaststellen van straffen mag door de formele wetgever niet gedelegeerd worden, tenzij bij wet anders bepaald is.
3. De aanname van deze Grondwetsherziening is: binding van burgers gebeurt dmv voorschriften die door straffen worden gehandhaafd.
4. De Grondwetsherziening (1887) introduceerde een oplossing die door de Blanketwet (1818) geïntroduceerd werd
Welke stelling is onjuist?
1. Een zelfstandige AMvB is een AMvB die een strafbedreiging bevat.
2. Volgens de auteurs van het handboek, is de bestuurlijke sanctie in strijd met de strekking van de grondwettelijke opzet (art. 89, 2e lid, Gw).
3. In het Meerenberg-arrest stelde de Hoge Raad dat de regering geen algemene bevoegdheid toekwam tot het vaststellen van AMvB’s, maar dat zij daartoe enkel bevoegd was op grond van hetzij een specifieke delegerende wet, hetzij op grond van een uitdrukkelijke grondwetsbepaling. In de grondwetsherziening van 1887 werd daarentegen wel erkend dat de regering een algemene bevoegdheid toekwam tot het vaststellen van AMvB’s, maar voor de handhaving daarvan door straffen was een (specifieke) wettelijke grondslag nodig en die straffen dienden ook door de wet te worden geregeld. Deze oplossing lijkt sterk op het huidige regime van art. 89 Grondwet.
4. Het Meerenberg-arrest vormt een principiële uitdrukking van de rechtsstatelijkheid van ons constitutionele bestel, want de redenering berust op “het stelsel van de Grondwet”; en alle overheidsorganen zijn gebonden aan het recht.
5. Het Meerenberg-arrest was belangrijk want de Hoge Raad liet daarin zien dat het regelstellende optreden van de regering zich dient te begeven binnen de contouren van het grondwettelijk stelsel.
Welke stelling is onjuist?
1. Ambten zijn geen rechtspersoon, maar beschikken juist weer over publiekrechtelijke bevoegdheden.
2. Privaatrechtelijk gelden de openbare lichamen als rechtspersoon en beschikken dan ook over vermogen.
3. Het recht tot vereniging, dat verankerd is in artikel 8 Grondwet, mag door de regering in een algemene maatregel van bestuur aan beperkingen onderhevig wordt gemaakt.
4. In het Jamin-arrest (HR 25 januari 1926, NJ 1926) oordeelde de Hoge Raad over het optreden van de Hoofdinspecteur van de Arbeid. De HR bepaalde dat de voorschriften die de Hoofdinspecteur had uitgevaardigd een regelgevend karakter droegen en niet als uitvoeringsmaatregelen konden worden gezien. Aangezien de wetgever alleen aan de regering een regelgevende bevoegdheid had verstrekt, was hier derhalve sprake van onbevoegd en derhalve verboden regelgevend optreden. De eisen die de Hoofdinspecteur had gesteld waren derhalve niet geldig.
Het Meerenberg-arrest is vooral van belang omdat…
1. daar de HR bepaalde dat een bestuurlijke boete, die buiten het strafrecht worden opgelegd, in strijd met de strekking van de art. 89 Gw is.
2. daar de HR bepaalde dat de bevoegdheid van de Koning (regering) tot vaststellen van AMvBs onbepaald was, zolang hij niet in strijd kwam met wet of Grondwet.
3. daar de HR bepaalde dat bevoegdheidsuitoefening van het bestuur op een wettelijke grondslag moet berusten.
4. de Hoge Raad laat zien dat het regelstellende optreden van de regering zich dient te begeven binnen de contouren van het grondwettelijk stelsel.
In … (vul in) dat de regering geen algemene bevoegdheid toekwam tot het vaststellen van AMvB’s, maar dat zij daartoe enkel bevoegd was op grond van hetzij een specifieke delegerende wet, hetzij op grond van een uitdrukkelijke grondwetsbepaling. In …. (vul in) werd daarentegen wel erkend dat de regering een algemene bevoegdheid toekwam tot het vaststellen van AMvB’s, maar voor de handhaving daarvan door straffen was een (specifieke) wettelijke grondslag nodig en die straffen dienden ook door de wet te worden geregeld. De oplossing van… (vul in) lijkt sterk op het huidige regime van art. 89 Grondwet.
Mogelijke antwoorden:
1. het Meerenberg-arrest stelde de Hoge Raad… de grondwetsherziening van 1887 … de grondwetsherziening van 1887
2. de grondwetsherziening van 1887 is bepaald… het Meerenberg-arrest stelde de Hoge Raad … de grondwetsherziening van 1887
3. het Meerenberg-arrest stelde de Hoge Raad… de grondwetsherziening van 1887 … het Meerenberg-arrest
4. de grondwetsherziening van 1887 is bepaald… het Meerenberg-arrest stelde de Hoge Raad … het Meerenberg-arrest
Bij de… (vul in) gaat het om de belangrijkste argumenten; bij de … (vul in) om de verbanden daartussen.
Mogelijke antwoorden
1. beweringen… redenering
2. redeneringen… argumentatie
3. hoofdlijnen… hoofdzaken
4. hoofdzaken… hoofdlijnen