Welke stelling is onjuist?
1. Een formele democratie (de meerderheidsstem is steeds bepalend) biedt een zwakkere waarborg tegen een stroming als het fascisme dan een democratie waarin de onvervreemdbare rechten en de rechtsstaat niet mogen worden aangetast (ook niet door de meerderheid).
2. De gedachte van een democratische rechtsstaat is moeilijk te verenigen met de gedachte van een (absoluut) waarheidsbegrip.
3. Het hanteren van een (absoluut) waarheidsbegrip houdt in dat herziening, waarbij men de oude ‘waarheid’ inwisselt voor een nieuwe, uitgesloten is. Kenmerkend voor de democratische rechtsstaat is echter juist dat dergelijke herziening – idealiter op grond van rationele discussie – mogelijk is.
4. Alle stellingen zijn juist.
Welke stelling is onjuist?
1. Democratie in de klassieke Athene betekende dat rijke vrije mannen zichzelf regeren.
2. Tegenwoordig houdt democratie in: (1) de bevolking is actief betrokken bij de politieke beslissingen, en (2) de machthebbers worden door de bevolking afgerekend op hun handelingen.
3. De rechtsstaat houdt in dat :(1) de macht van de staat zijn basis in het recht heeft; en (2) de uitoefening van staatsmacht is gebonden aan het recht.
4. Democratie en rechtsstaat zijn sterk aan elkaar gekoppeld, en houden ze elkaar in evenwicht. De rechtsstaat zorgt ervoor dat de inhoud van het recht wordt gevormd door de wil van het volk, en dat de machthebbers ter verantwoording worden geroepen. De democratie zorgt ervoor dat de rechten van minderheden worden gewaarborgd, en dat democratie geen dictatuur van de meerderheid wordt.
Welke stelling is onjuist?
1. Kenmerken van de moderne democratie zijn: wetgeving door volksvertegenwoordiging, periodieke verkiezingen en referendums.
2. De moderne massademocratie is na de Franse revolutie ontstaan. Daarin is staatsbevolking in zijn geheel drager van volkssoevereiniteit en betrokken bij het regeren.
3. Rechtsstaat houdt in dat de macht van de staat zijn basis in het recht heeft; en de uitoefening van staatsmacht is gebonden aan de wet.
4. Het legaliteitsbeginsel, de spreiding van overheidsmacht, onafhankelijke rechtspraak en grondrechten zijn constitutionele elementen die nodig zijn om het rechtsstaatsbeginsel in de realiteit te laten gelden.
Welke stelling is onjuist?
1. Er kan geen rechtsstaat zijn zonder democratie.
2. De rechtsstaat heeft een centraliserend effect op de staatsmacht, wanneer de wil van de meerderheid centraal komt te staan. De democratie zorgt voor een beperking van de staatsmacht.
3. Op 1 juli 2015 trad in Nederland een wet in die een bindend referendum mogelijk maakte. Na slechte ervaringen ermee is deze wet komen te vervallen.
4. Alle stellingen zijn juist.
5. Alle stellingen zijn onjuist.
Wat zijn de functies van politieke partijen (+acronym)?
Functies politieke partijen: (ACM-PRS)
1. Aggregatie- of integratiefunctie: partijen brengen wensen en verlangens van het volk ineen in verkiezingsprogramma.
2. Mobilisatiefunctie: kiezers mobiliseren.
3. Communicatiefunctie: partijen zijn communicatiemiddel tussen burger en overheid. Middelen: wensen van burgers bekendmaken in verkiezingsprogramma en overheidsbeleid bekritiseren of verdedigen.
4. Participatiefunctie: partijen activeren leden en niet-leden om deel te nemen aan proces van vorming van overheidsbeleid.
5. Representatiefunctie: partijen representeren het electoraat
6. Selectiefunctie: Partijen kiezen voor die representatie de kandidaten voor de volksvertegenwoordigende lichamen.
welke stelling is onjuist?
1. Bij parlementarisme is de volksvertegenwoordiger onafhankelijk, en komt hij met een volledig vrij mandaat van de kiezer tot zijn beslissingen komt.
2. Door wensen van burgers bekend te maken in verkiezingsprogramma en door overheidsbeleid te bekritiseren of verdedigen vervult een politieke partij haar participatiefunctie.
3. Politieke partijen brengen wensen en verlangens van het volk ineen in verkiezingsprogramma. Daarmee vervullen ze hun integratiefunctie.
4. Maar weinig mensen zijn lid van politieke partij (2,5%); dit is kritiek op de integratiefunctie en op de communicatiefunctie van politieke partijen.
5. Alle stellingen zijn juist.
Welke stelling is onjuist?
1. Met de invoering van het algemeen kiesrecht en het stelsel van evenredige vertegenwoordiging in 1917-1919, werd het parlementarisme van de 19 eeuw vervangen door de “partijdemocratie”.
2. Politieke partijen kiezen de kandidaten voor de volksvertegenwoordigende lichamen. Daarmee vervullen ze hun representatiefunctie.
3. Politieke partijen behartigen niet de wensen en verlangens van alle bevolkingsgroepen en individuele staatsburgers. Dat is kritiek op de representatiefunctie van partijen.
4. Mimetische vertegenwoordiging is de afspiegeling van alle maatschappelijke groepen in het parlement.
Welke stelling is onjuist?
1. De partijendemocratie leidde tot gebrekkige representatie en gebrekkige legitimiteit van besluitvorming binnen het vertegenwoordigende stelsel.
2. Mislukte pogingen om het Nederlandse kiesstelsel te vernieuwen hadden als doel om te zorgen dat Kamerleden zich meer richten op wensen van kiezers, dan op de wensen van hun partij. Bijvoorbeeld, er was een voorstel van Minister de Graaf voor een gemengd kiesstelsel.
3. Staatscommissie-Remkes (2018) pleitte voor uitvoering van een voorstel van het Burgerforum-kiesstelsel, waarbij burgers een stem uitbrengen op bepaalde kandidaat óf partij .
4. De opkomst van de verzorgingsstaat leidde tot groei van overheidstaken, waardoor het vermogen van de wetgever om het handelen van de uitvoerende macht vooraf te normeren geleidelijk minder is geworden. De grondslag van de legitimiteit van het overheidshandelen – die grotendeels ontleend was aan de representatieve wetgever - is daarmee voor een groot deel weggevallen.
5. Alle stellingen zijn juist.
Welke stelling is onjuist?
1. Staatscommissie-Biesheuvel (1985) ging over de vraag: moet de representatieve democratie worden vervangen, versterkt of ondersteund door andere vormen van democratie? Men stelde dat de oplossing voor het gebrek aan legitimiteit vooral gelegen is in een toenemende participatie van de burger in het proces van beleidsvoorbereiding en besluitvorming.
2. Legitimatie van besluitvorming kan verhoogd worden door toenemende participatie van burgers bij de (voorbereiding van de) besluitvorming, en door de burger meer rechtswaarborgen in de totstandkomingsprocedure van besluiten toekennen.
3. Bij een correctief referendum komt het voorstel vanuit de regering; Bij een volksinitiatief komt het voorstel vanuit de bevolking.
4. Een Facultatief referendum is dwingend voorgeschreven in de Grondwet, bijv. voor het aanvaarden van een verdrag. Een obligatoir referendum vindt plaats nav een initiatief van de regering of bevolking.
Welke stelling is onjuist?
1. Een obligatoir referendum kan een volksinitiatief zijn.
2. Een facultatief referendum kan correctief zijn.
3. Een facultatief referendum kan bindend zijn.
4. Alle stellingen zijn juist.
5. Alle stellingen zijn onjuist.
Welke stelling is onjuist?
1. Ook al bestaat er in Nederland geen bindend referendum, mag dit grondwettelijk wel.
2. Directe democratie houdt in dat het electoraat zichzelf bestuurt, en het dus zonder representatie af kan; burgermacht (‘citizen control).
3. Een nadeel van volksinitiatieven is dat burgers moeten afwachten of de implementatie van hun plannen de kant uitgaat zoals zij die bedoelden. Dat is helemaal niet verzekerd.
4. Een referendum en een volksinitiatief zijn varianten van directe democratie.
Welke stelling is onjuist?
1. Staatscommissie parlementair stelsel (Commissie Remkes, 2018) gaf advies voor het invoeren van een bindend correctief wetgevingsreferendum in de Grondwet. Het is nog onbekend of dit gaat gebeuren.
2. Het nadeel van referenda is dat ze de burger een binaire keuze geven tussen ja en nee. Het voordeel van andere vormen van participatie is dat burgers kunnen meepraten en invloed uitoefenen.
3. Verschillende soorten referenda kunnen worden onderscheiden op basis van hun juridische werking en op basis van hun rechtsgrondslag.
4. Met de rechtsgrondslag van referendums wordt bedoeld of het een consultatief referendum is (het overheidsorgaan is niet gebonden aan de uitslag van de stemming) of een decisief referendum (het oordeel van de bevolking is (formeel) bindend).
Welke stelling is onjuist?
1. Een volksinitiatief kan decisief (bindend) of consultatief (niet bindend) zijn.
2. Bij een volksinitiatief is het aan de wetgever om een voorstel dat bij volksinitiatief is aangenomen, nog verder uit te werken.
3. Het tweede en laatste nationale referendum in Nederland was op 6 april 2016 over de wet ter goedkeuring van Associatieverdrag van de EU met de Oekraïne.
4. Staatscommissie-Biesheuvel adviseerde in 1985 tot invoering van een facultatief decisief corrigerend wetgevingsreferendum, dwz een niet dwingend voorgeschreven referendum, dat gaat over een reeds door het parlement aanvaard wetsvoorstel (corrigerend), waarvan de uitslag beslissend is.
Welke stelling is onjuist?
1. In de “Nacht van Wiegel” (1994) sneuvelde een wetsvoorstel voor een correctief wetgevingsreferendum.
2. Referenda dragen bij aan de politieke controle.
3. Referenda kunnen sterk legitimiteitsverlagend werken.
4. Op lokaal niveau bestaat in Nederland praktijkervaring met referenda. Met enige regelmaat worden er in gemeenten facultatieve, decisieve referenda gehouden.
Welke stelling is onjuist?
1. Bij aggregatieve democratie draait democratie om stemmen en meerderheden.
2. Deliberatieve democratie is een vorm van publieke besluitvorming waarin informatievergaring en de uitwisselingen van argumenten met en door burgers centraal staan. Bijvoorbeeld, het burgerforum. Deliberatieve democratie staat tegenover representatieve democratie.
3. De inlichtingenplicht van art. 68 Gw is een voorbeeld van deliberatieve aspecten in het Nederlandse parlementaire stelsel. Het stemmen op wetsvoorstellen in de Eerste en Tweede Kamer is een voorbeeld van aggregatieve aspecten in het Nederlandse parlementaire stelsel.
4. Vormen van directe democratie, zoals referenda, kennen zowel een deliberatief element als een aggregatief element.
Welke stelling is onjuist?
1. Het kernprobleem van burgerfora is dat de ‘vertegenwoordigende democratie’ weinig aandacht heeft voor de uitkomsten van burgerfora.
2. Niet iedereen wil participeren, en van degenen die dat wel willen, behoort een groot deel tot dezelfde groep. Dit is een gemeenschappelijke nadeel van alle participatie methoden.
3. Tot de jaren 1880 werd het woord democratie nauwelijks gebruikt in het Nederlandse parlement. Toen begon Abraham Kuyper (socialisten) democratie te bepleiten als de heerschappij van het gewone volk, waarbij ze argumenten gebruikten die vandaag de dag als populistisch zouden gelden. Met “Domesticatie van democratie” na de Tweede Wereldoorlog wordt bedoeld dat het begrip democratie werd ontdaan van haar populistische kant, ze werd ‘getemd’.
4. Pas na de Tweede Wereldoorlog gebruikten liberalen en sociaaldemocratent het begrip ‘democratie’ om de waarden van de parlementaire democratie te verdedigen tegen het nationaalsocialisme.
Welke stelling is juist?
1. Na de Tweede Wereldoorlog is er een ‘getemd’ begrip van democratie ontstaan dat de nadruk legt op de opvoeding van het volk door een verantwoordelijke (politieke) elite.
2. De houding jegens democratie tot 1870 was: onvoorwaardelijk voor democratie
3. De houding jegens democratie tussen 1870 – 1940 was: onvoorwaardelijk tegen democratie
4. De houding jegens democratie na 1940 was: verdeelde meningen over democratie
Vul in:
In de periode… vond men dat monarchale, aristocratische en democratische elementen elkaar in evenwicht hielden. Dit heette… .
Vul in:
Tot in de 18e eeuw, dachten velen dat … een onberekenbare tirannie van de armen was, en dat alleen als de democratie in bedwang werd gehouden door aristocratie en monarchie kon ze nuttig zijn. Dat laatste heette … .
1. de “demokratie van kleine luyden” … regnum mixtum
2. democratie … Atheense democratie
3. de Atheense democratie… gouvernement mixte
4. gouvernement mixte… de Atheense democratie
Vul in:
De woorden democratie (of demokratie) en democraat/democraten (dan wel demokraat en demokraten) werden in Nederland tot … maar weinig gebruikt.
Pas in de jaren … nam het gebruik van het woord democratie enigszins toe.
Democratie ging toen over …, en amper over … .
Mogelijke antwoorden:
1. 1870 … 1890 … uitbreiding van kiesrecht … vrijheids- of grondrechten
2. 1870 … 1890 … vrijheids- of grondrechten … uitbreiding van kiesrecht
3. 1890 … 1940 … uitbreiding van kiesrecht … vrijheids- of grondrechten
4. 1890 … 1940 … vrijheids- of grondrechten … uitbreiding van kiesrecht
Vul in:
… geldt als sleutelfiguur in de ontwikkeling van democratie in Nederland na 1870. Hij was de leider van de … . Hij pleitte voor democratie. Daarbij was hij wat we nu een ‘populist’ zouden noemen, want hij … .
1. Hendrikus Colijn… socialisten … vocht voor het homogene maar om de tuin geleide en onderdrukte gewone volk
2. Abraham Kuyper… socialisten … vocht voor het homogene maar om de tuin geleide en onderdrukte gewone volk
3. Hendrikus Colijn… antirevolutionairen … zette ‘het volk’ af tegen ‘de verdorven elite’
4. Abraham Kuyper… antirevolutionairen … zette ‘het volk’ af tegen ‘de verdorven elite’
Wat is niet een van de voornaamste aspecten van hedendaagse omschrijvingen van populisme?
1. Kritiek op een corrupte gesloten elite die plaats moet maken voor het onbedorven
2. De noodzaak van het in bedwang houden van de aristocratie en de monarchie
3. Het gevecht voor het homogene maar om de tuin geleide en onderdrukte gewone volk.
4. Alle antwoorden zijn aspecten van hedendaagse omschrijvingen van populisme.
Welke stelling is juist?
A. Toen eenmaal het algemeen kiesrecht was gevestigd (1917-1919), begon het populistische element van de democratie naar de achtergrond te verdwijnen. Kuyper had democratie bepleit en daarvoor een beroep gedaan op populistische argumenten.
B. Na de introductie van het algemeen kiesrecht was gevestigd (1917-1919) werd Abraham Kuyper bij de antirevolutionairen vervangen door Hendrikus Colijn die de democratie niet meer identificeerde met het algemeen kiesrecht, maar beschouwde als de uitwerking van het parlementaire stelsel van de negentiende eeuw.
Mogelijke antwoorden:
1. Alleen stelling A is juist
2. Alleen stelling B is juist
3. Beide stellingen zijn juist
4. Beide stellingen zijn onjuist
Vul in:
… deed een beroep op de ‘kleine luyden’ (‘de gewone man’) en kan (in hedendaagse terminologie) als populistisch worden gezien omdat hij hen contrasteerde met de elite. Met ‘kleine luyden’ richtte hij zich tot … . ‘Democratie’ en ‘populisme’ vielen samen omdat het algemeen kiesrecht nog niet was ingevoerd.
… deed geen beroep op populisme, omdat hij juist bepleitte dat het volk zich moet laten leiden.