وعَد / يَعِدُ
beloven
وَفَى / يَفِي
nakomen
أَغْضَبَ / يُغْضِبُ
boos maken
أَصْلَعَ / يُصْلِعُ
verbeteren, beter maken
تَفَكَّرَ / يَتَفَكَّرُ
overdenken
قَدَِرَ / يَقْدَِرُ
bij machte zijn, kunnen
أَعْفَى / يُفْعِي
excuseren, vrijstellen
عَجَبَ / يَعْجَبُ
zich verbazen
حَدَّثَ / يُحَدِّثُ
vertellen
حَكَى / يَحْكِي
vertellen
صَدَّقَ / يُصَدِّقُ
geloven, als waarheid aannemen
سَكَتَ / يَسْكُتُ
zwijgen
مَتَى
wanneer
طَقْسٌ
weer, klimaat
مَنَاخٌ
klimaat
شِتَاءٌ
winter
مُشْمِسٌ
zonnig
رِيحٌ / رِيَاحٌ، أَرٌيَاحٌ
wind (f.)
غَيْمٌ
bewolking (coll.)
غَيْمَةٌ / غُيُومٌ
wolk
حَارٌّ
heet
جَوٌّ / أَجْوَاءٌ
lucht, weer
جَافٌّ
droog
ثَلْجٌ
sneeuw, ijs