مَسَاءُ ٱلْخَيْرِ
goedenavond
اَيْلَةٌ سَعِيدَةٌ
goedenacht
تُصْبِحُ عَلَى خَيْرٍ
welterusten (ontwaak in goeds)
تُصْبِحِينَ عَلَى خَيْرٍ
welterusten (f.)
وَأَنْتَ مِنْ أَهْلِهِ
welterusten (en jij bij de mensen ervan)
عَاِمَ
weten, te weten komen
عَرَفَ
kennen, weten
اِعْتَقَدَ (هـ، ب)
overtuigd zijn (van), geloven
سَمِعَ
horen
أَعْلَنَ
bekendmaken
لَاحَظَ
opmerken
أَكَلَ
eten
ذَهَبَ
gaan
قَرَأَ
lezen
بَدَأَ
beginnen
عَقَدَ
houden (van een bijeenkomst), vastbinden
كَبُرَ
groot zijn, groot worden, groeien
صَغُرَ
klein zijn, klein worden
صَوْتٌ
geluid, stem
أَصْوَاتٌ
geluiden, stemmen
جَدِيدٌ
nieuw
جُدُدٌ
nieuw (pl.)
جَيِّدٌ
goed
مُقْبِلٌ
komend, volgend