WWeek 3 Flashcards

(39 cards)

1
Q

Welke celtypen reageren op pathogenen?

A

CD8+, B- cellen en macrofagen
–> aagestuurd door CD4+
–> CD4+ geinstrueerd door APC

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Waarom duurt de adapteive afweer 3/ 4 dagen?

A

ontstaat nadat lymfocyten geactiveerd worden en zij hebben tijd nodig om vervolgens te prolifereren en differentieren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Waaruit komt dat initiatie bij een nieuwe infectie

A

secundaire lymfoide organen als lymfeklieren en milt
(geheugencellen kan ook uit perifere weefsel)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Welke 3 signalen heeft de dc- tcel interactie?

A
  • Activatie: TcR en MHC-II –> CD4 en CD 8 fungeren als een soort stabilisator van de reactie –> signaal transductie
  • Survival: co- stimulatie: CD80/86 me CD28 –> t- cel blijft overleven
  • Differentiatie: cytokines: welke kant gaat de t- cel uiteindelijk op
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

de 3 interacties werken niet alleen op de t- cel maar ook op de Dc op welke manier?

A

–> de eerste activatie zorgt dat CD40L op de t- cel opgewaardeerd wordt wat met CD40 een interactie aangaat –> respons aan DC
–> zorgt voor expressie cd80 en 86 omhoog gaat: signaal 2 zorgt voor meer IL-2 en dat is belangrijk voor de overleving en de deling van de cel

–> alle signalen samen zorgen voor de productie van cytokines wat dus voor de differentiatie zorgt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat gebeurt er met de t- cel als signalen ontbreken?

A
  • Alleen signaal 1: apoptose of anerge cel (kan nog wel migreren maar doet verder niks meer)
    –> dit proces is belangrijk voor het ontstaan van tolerantie
  • Signaal 1 en 2: t- cellen zullen wel delen door aanmaak IL-2 maar ze weten niet waar ze naar moeten differentieren dus geen effectieve t-cel
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat doen onrijpe DC cellen?

A
  • Wel endocytose
  • Lage expressie MHC-II
  • Lage co-stimulatie CD80/86

–> zorgt voor tolerantie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Hoe worden DC rijp?

A

activatie door microbiele factoren als TLR ligand en geactiveerde t- cellen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

wat doen rijpe DC?

A
  • Minder goed endocyteren
  • Expressie MHC-II neemt toe
  • Meer co-stimulatie
    –> immuniteit
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Welke cytokinen zorgen voor effector Th cellen?

A
  • TGF- beta en IL-6
  • IL12 en IFN- gamma
  • IL4
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

welke cytokinen zorgen voor regulatoire t- cellen?

A
  • TGF- beta
  • IL-10
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat is functie van Fab?

A

neuteralisatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat is functie van Fc?

A
  • complement activatie
  • opsonisatie –> fagocytose
  • sensitisatie: van mestcellen NK- cellen en fagocyten
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat is de route van B- cellen?

A
  • recirculeren tussen bloed –> lymfeklieren –> lymfe –> bloed
  • naar lymfeklier follikel –. acitvatie –> deling
    –> plasmablasten –> merg LK
    –> antistoffen
  • follikelcentrum reactie
    –> geheugencellen –> efferente lymfe
    –> recirculeren
    –> langlevende plasmacel –> beenmerg
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat heb je nodig voor de DD van infectieziekten?

A

patientengegevens:
- demografische gegevens
- vg
- immuunstatus
- anamnese
- lo

epidemiologische gegevens: dieren en mensen contact en reizen: voorkomen ziekten

aanvullen onderzoek:
- beeldvorming
-klinisch chemisch onderozek
- hematologisch onderzoek

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

wat kan je zien met hematologisch onderzoek? en klinisch chemisch onderzoek?

A

lokale schade door microorganismen en toxinen en ontstekingsreactie dmv:
- cytokinen en chemokinen
- c- reactief proteine (CRP) = acuut fase eiwit
- leukocyten telling
- leukocyten diffferentiatie
- lever en nierfunctie

17
Q

Waarvan is het afhankelijk welk onderzoek je inzet?

A
  • verwekker
  • klachten/ materiaal
  • eerste ziektedag/ beloop
18
Q

Welke onderzoeken bij welke ziekteverwekker?

A

bacterie:
- direct preperaat
- antigeentest
- KWEEK EN GEVOELIGHEIDSBEPALING
- serologie
- MOLECULAIRE DIAGNOSTIEK

virus:
- antigeentest
- kweek
- SEROLOGIE
- MOLECULAIRE DIAGNOSTIEK

parasiet:
- DIRECT PREPARAAT
- antigeentest
- serologie
- MOLECULAIRE DIAGNOSTIEK

virussen:
- direct preparaat
- antigeentest
- KWEEK + GEVOELIGHEIDSTEST
- serologie
- MOLECULAIRE DIAGNOSTIEK

19
Q

Welke kleuring kun je voor wat gebruiken?

A
  • Auramine voor mycobacterien
  • Blankophor voor schimmels en gisten
  • Ziehl Nielsen: myco bacterien
  • JKJ: parasieten
  • gram: bacterie
20
Q

wat zijn voor en nadelen van microscopisch onderzoek?

A

voordelen:
- meerdere micro- organismen samen
- snel
- m.n. in steriele materiale met grote waarde
- ook niet kweekbare micro-organsimen aantoonbaar

nadelen:
- weinig sensitief
- voor en nadere determinatie en gevoeligheidsbepaling andere techniek nodig

21
Q

Hoe kan je een kweek identificeren?

22
Q

welke bacterien kunnen geen banale kweek omdat ze andere nuterienten nodig hebben?

A
  • legionella
  • campylobacter
  • gonokokken
23
Q

Hoe kan je antibiotica bedenken?

A

Ook voor funghi:
- broth microdilutie
alleen bact
- geautomatiseerd
- disk diffusie
- e-test

24
Q

wat zijn voor en nadelen van een kweek?

A

voordelen:
- meerdere microorganismen
- aansluitend identificatie en gevoeligheidsbepaling mogelijk
- redelijk sensitief
- relatief goedkoop

nadelen:
- alleen kweekbare micro- organismen
- soms arbeidsintensief

25
Welke factoren kunnen een kweek beinvloeden?
- anti-microbiele therapie - afname en transport patientmaterialen
26
In welke stadia is de cellualire reactie te onderscheiden?
- Eerst oedeem door vasculaire reactie - Dan komen de neutrofiele granulocyten: 24 uur - Dan na dag of 3 monocyten en macrofagen in hun talrijkst - Monocyten en blasten: herstelfase: littekenvorming
27
Hoe wordt de cellulaire reactie beindigd?
Na de eliminatie van de schadelijke prikkel dalen de pro- ontstekingsmediatoren --> anti- ontstekingsmediatoren komen juist door negatieve feedback en herstel wordt in gang gezet --> centrale rol voor macrofagen
28
Hoe kenmerkt een chronische ontsteking zich?
- Bloedvatvorming - Mononucleair infiltraat: macrofagen en monocyten: niet neutrofiele granuloscyten - Fibrose (bindweefselborming
29
wat zorgt voor migratie macrofagen uit de bloedbaan?
CD31
30
wat kan je in een granuloom zien?
- Epitheloide Macrofagen - Meerkerninge reustcellen --> langhans = macrofaag ( VERSCHIL langhang en langerhans) - Vreemdlichaams type reuscellen = macrofaag - Lymfocyten (vooral t- cellen - Plasma cellen - Wal van fibroblasten
31
welke reacties kunnen macrofagen hebben op gefagocyteerd materiaal?
- Gaat dood - Schadelijk agents wordt geelimineerd - Stukjes blijven achter: zwarte long roken - Oppompen: probeert als epitheloid - fuseerd
32
Wat is shock?
een acute levensbedreigende toestand waarbij de druk in de bloedvaten te laag is om de vitale lichaamsfuncties in stand te houden --> zuurstofvoorziening komt in gedrang --> cellen sterven af.
33
wat hebben patienten met shock?
- Snelle HF - Sneller ademen - Beetje afwezige personen - Nieren functioneren minder: minder plassen - Veel vochttekort: dorst en droge slijmvliezen
34
wat zijn symtomen van shock?
neurologisch: - restless - angst - lethargy - in de war respiratoir: - snelle ademhaling - oppervlakkige ademhaling metabolisme: - koud - dorst - acidose - weinig urine huid: - bleek - klam - koud cardiovasculair - tachycardie - verandere puls - lage cardiac output - lage bd
35
welke compensatie mechanismen zijn er bij shock?
- toenemende o2 extractie - verschuiving zuurstofdissociatie curve - vasoconstrictie niet essentiele gebieden - anaerobe verbranding
36
welke typen shock zijn er?
- cardiogene - distributieve - obstructieve - hemorrhagische of hypovolemisch
37
welke typen distributieve shock zijn er?
- anafylactisch - neurogeen - septisch - toxisch
38
welke typen obstructieve shock zijn er?
- longembolie (ruiterembolus = afsluiting beide longen) - hartamponade - spanningsneumothorax
39